De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

DE OPSTANDING

8 minuten leestijd

„De Heere is, waarlijk opgestaan, en is van Simon gezien" !Lukas 24 : 34.

De weg naar Emmaus blijft rondom Paschen altijd van groote aantrekkingskracht. In één mijner vorige Gemeenten vertelde een broeder diaken hoe één mijner voorgangers op tweeden Paaschdag schier immer over de Emmaüsgangers preekte en dan zeide : hoe ik ook ronddraai, ik kom altijd weer bij deze geschiedenis terecht. Mij gaat het meestal ook zoo. Het is ook zulk een rijke geschiedenis. De bijzondere Paaschroep, de roep, welke ieder jaar met Paschen het eerst voor onze aandacht komt, is er zelfs zeer nauw mede verbonden. Of begint ge de Paaschdagen niet veelal, terwijl de roep in u opklimt: „De Heere is waarlijk opgestaan" ?
Die roep konden we ook niét missen. Jezus spreekt daar op den weg zoo alleszeggend : „Moest de Christus niet deze dingen lijden en alzóó in Zijne heerlijkheid ingaan ? " Zonder de opstanding was de heerlijkheid weggebleven, was alles immers geëindigd in den dood. Zoo de Heere Jezus niet opgestaan was uit de dooden. Zijn offer zou tevergeefs geweest zijn. Dan ware het gebleven bij : „Gestorven om onze zonden" en gemist ware: „opgewekt tot onze rechtvaardigmaking". Hij zou dan al den last des toorns Gods gedragen hebben, en er onder bezweken zijn. Paulus schrijft zoo terecht aan de Corinthiërs : „indien Christus niet opgewekt is, zoo is uw geloof tevergeefs, zoo zijt gij nog in uwe zanden; zoo zijn dan ook verloren, die in Christus ontslapen zijn". Jezus zou dan het lot gedeeld hebben van hem, die in de gracht springt om een drenkeling te redden, maar met den drenkeling omkomt. Hij zou dan tot zonde gemaakt zijn en in de zonde gebleven zijn. Het is duidelijk, dat de zondaren dan nimmer van de zonde bevrijd waren geworden. Er zou immers geen Evangelieprediking gehoord hebben kunnen worden. Daarom, hoe gelukkig, dat de apostel kon schrijven : „Maar nu, Christus is opgewekt uit de dooden, en is de eersteling geworden dergenen, die ontslapen zijn". Gode ja zij lof. Die in Zijne onuitsprekelijke goedheid het zóó heeft gemaakt, dat we van de opstanding van den Heere Jezus zoo sprekende getuigenissen hebben. Daar heeft Gods gunst voor gezorgd reeds in het feit, dat Hij begraven werd in den hof van Jozef van Arimathea, in een nieuw graf, waarin nog nooit iemand gelegd was, terwijl zij, die Hem zoo innig liefhadden, er getuige van waren.
Hoe meer we ons buigen over de geschiedenis van den Paaschmorgen en den Paaschdag, hoe meer we ook overtuigd worden van de waarachtigheid der opstanding van den Christus Gods. Zelfs de haat immers der Joden moest medewerken, opdat deze dingen onder ons volkomen zekerheid zouden hebben. De discipelen zouden komen en het lijk wegnemen en zeggen En de discipelen kregen de stellige boodschap, kwamen en zagen, doch geloofden het niet. Jezus Zelf moest komen, en zij twijfelden nog. Oogenblikken waren er, oogenblikken kwamen er, waarin zij moesten gelooven schier tegen wil en dank.
Zulk een oogenblik was het bijzonder, toen Petrus in den kring der anderen kwam en het door aller gedachten ging : wat is er met hem ? , wat is hem gebeurd ? Nooit zouden ze toch vergeten hoe Petrus vóór dezen niet meer dezelfde Petrus was. De eerste was hij immers altijd weer, de eerste die sprak van wat Jezus voor hem was. Hoe hoog sloegen gedurig weer de liefde vlammen voor den Meester bij hem uit. Wat geestdrift blonk er telkens in het oog van Petrus, wanneer er over en met den Meester werd gepraat. Doch op éénmaal, was dat anders geworden. Naar buiten was hij gegaan, bitterlijk weenende, naar buiten in den donkeren nacht en die nacht was meteen vastgelegd in Petrus' hart, op Petrus' gelaat, in Petrus' oog. Verbijsterd waren ze geweest, toen ze Petrus zóó aanschouwden, toen Petrus altijd maar zóó bleef, wat er ook werd gezegd, waar ze ook gingen. Doch nu de nacht was verdwenen uit zijn gezicht, het gelaat stond weer opgewekt, het oog tintelde weer van leven, het hart gaf weer sprake uit van blijden jubel. Ze begrepen, het moest waar zijn wat Petrus zeide, hij moest den Heere hebben ontmoet. Dus het was dan toch waar, dat de Meester leefde, 't kon immers niet anders !
Wat een getuigenis van de zekerheid der opstanding van den Christus Gods, nietwaar ? Die bekende roep, waarmede de Emmaüsgangers werden begroet, mag voor ons het rijkste Opstandingsevangelie zijn. Daarin beluisteren we met name: Hij heeft overwonnen, de leeuw uit Juda's stam ! Neen, Zijn offer is niet tevergeefs geweest. Ingegaan was Hij in den dood, den doem der Zijnen, en...... Hij kwam er niet in om, neen, ganschelijk niet, Hij won het pleit. En dat niet maar voor Zichzelf, maar voor de Zijnen. Om hen te redden, ging Hij in den groeten nood van hen, hun nood, neen, hen in hun nood grijpend, droeg Hij hun dood tot in de hellesmarte toe. Opstaande uit dien nood, had Hij de Zijnen vast en bracht ze mede uit hun band en kluister, uit al de naarheid van hun dood.
De roep : „de Heere is waarlijk opgestaan en is van Simon gezien", verkondigt dit immers zoo wonder schoon. Of predikt de vertroosting, welke Petrus ten deel viel, zóó rijk, dat de anderen er den blijden roep der opstanding van den Meester om verkonden, niet zoo sterk als maar kan, dat Hij opgestaan is tot de rechtvaardigmaking der Zijnen ? Is dit niet de bange nood van Petrus geweest, dat hij het voor God ten eenenmale had verzondigd en nu niet zou bestaan voor Zijn heilig oog ? En is dan nu dit niet de blijdschap van Petrus, dat door en in de opstanding van den Meester zijn weeklacht en geschrei veranderd werd in een blijden rel, omdat hij nu mocht weten, dat het vrede werd', de vrede, waarvan de Meester sprak, toen Hij zeide : „Vrede laat Ik u. Mijnen vrede geef Ik u, niet gelijkerwijs de wereld hem geeft, geef Ik hem u" ?
Achter onzen Paaschroep mogen we dus weten, dat Jezus Christus opgestaan is uit de dooden en dat er nu door en in dien opgestanen Christus verlossing is te weeg gebracht, verlossing van den bangen dood. David mag in zijn dag reeds roemen : „Bij den Heere, den Heere, zijn uitkomsten tegen den dood". De engel Gabriël zeide: „Gij zult Zijnen Naam heeten Jezus, want Hij zal Zijn volk zalig maken van hunne zonden". Dat heeft Hij gedaan, zoo wordt het de roep achter het open graf in Jozefs hof. Nu is het Evangelie gekomen, dat er in het zoenverdienend lijden en sterven van den Heere Jezus Christus wegneming is van de zonde tot den dood, den eeuwigen dood. Tot op dat gebeuren was het belofte van dat heil, nog niet meer dan belofte. Nu is de belofte vervuld. Dat het Gods belofte was, het mocht op vervulling doen hopen, ja, rekenen. Gods beloften falen niet. Zou Hij het zeggen en niet doen, of spreken en niet bestendig maken ? Maar de
vervulling moest dan toch nog komen. Nu is ze gekomen. Nu mag geroemd : „Zoovele beloften Gods als er zijn, die zijn in Jezus Christus ja en zijn in Hem amen, Gode tot heerlijkheid door ons". Ja, nu mogen we met den apostel roemen : „Die Zijnen eigenen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken ? "
Gewis, dat is de rijkdom van het Paaschevangelie. Alleen zal het in waarheid uwe en mijn rijkdom zijn, dan moet er ook voor ons ontmoeting zijn met den opgestanen Heiland. Practisch is dit, wat de apostel Paulus noemt met Christus begraven te zijn in Zijnen dood om ook met Hem op te staan in een nieuw leven. Het lijden en sterven van den Christus Gods moet ons zóó raken, dat we goed begrijpen : dat heb ik verdiend, dat is mijn oordeel, dat leed Hij om mij. De opstanding moet ons daarachter de verheuging des harten brengen : dat is mijn uitkomst, mijn heil, mijn leven. Neen, zoolang er geen levende aanraking bij ons gekend wordt met den dood en de opstanding van den Heere Jezus Christus, zoolang zijn we niet uit den dood geroepen tot het leven, maar liggen we, waar we van nature alle liggen, dat is onder het oordeel der zonde tot den dood. Dat we dit begrijpen of leerden begrijpen, om te moeten zoeken, dat we in den opgestanen Man van smarten onzen God en Losser mogen of mochten kennen. Daar kan, ja zal het woord van den Christus Zelf ontmoet: „Die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen". Gelukkig, wie dit door geloof mag kennen, want die moet ervaren, dat Jezus Christus hem, haar, de opstanding en het leven is en blijft. Het moge dan al vloed en eb zijn voor de ziel, het kan niet uitblijven, dat er gedurig weer vertroosting wordt gekend, ja, dat het zalig leven wacht, immers het is ook bijzonder voor de Zijnen, dat Hij zegt: „Vrees niet: Ik ben de eerste en de laatste; en die leef, en Ik ben dood geweest, en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen.

De Bilt (U.).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 april 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 april 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's