HET VERBOND GODS MET DEN MENSCH
Het verbond der genade en zijn wezen.
Een van de grootste fouten die het verbondsbegrip van de theologen der 18de eeuw aankleeft, is gelegen in de humanistische motieven, waarvan hun verbondsbegrip doorweven is. Zij hebben zich er niet genoeg rekenschap van gegeven, dat wij in het verbond der genade te doen hebben met een verbond van God met den mensch; dat de partijen des verbonds met andere woorden volstrekt niet op voet van gelijkheid tegenover elkander staan, zoodat nimmer gezegd kan worden, dat God en mensch een verbond met elkander sluiten. God richt zijn verbond met den mensch op. Als daarna de mensch een verbond sluit met God — welke uitdrukking op zichzelf Schriftuurlijk is — dan is dit niet anders dan het antwoord, dat de mensch geeft op wat God heeft gedaan.
Men heeft het verbondsbegrip in de 18de eeuw benaderd niet vanuit de Schrift, maar vanuit de menschelijke samenleving; misschien nog meer vanuit de beteekenis, die het verbond had in het Romeinsche recht. Het krijgt daardoor de beteekenis van een contract tusschen twee partijen, ook bij Petrus van Mastrigt vindt men deze opvatting van het verbond. Maar nergens zal men die zoo sterk en eenzijdig zien uitgedrukt dan in het werk van Shaw, dat ds. Kersten met zulk een instemming aanhaalt.
Bij een contract tusschen twee partijen verbinden beide zich tot het volbrengen van bepaalde voorwaarden. Daarom kan er volgens Shaw wèl sprake zijn van een verbond tusschen Vader en Zoon, wijl beide zich verbinden tot het volbrengen van bepaalde voorwaarden, maar van een verbond van God met de geloovigen kan slechts in oneigenlijken zin worden gesproken, want in dit verbond worden door de geloovigen geen eigenlijke voorwaarden volbracht, maar alles wordt hen om niet gegeven. Daarom is het volgens hem eigenlijk geen verbond, maar hebben wij hier slechts met de bediening van het verbond der verlossing te doen.
Dergelijke uitdrukkingen toonen duidelijk, hoever men in dien tijd zich weer verwijderd heeft van de Schrift en het spraakgebruik der Schrift. Ofschoon de Schrift altijd weer opnieuw spreekt van het verbond, dat God met zijn volk heeft opgericht, zitten deze theologen zoó vast in hun scholastieke onderscheidingen, dat zij met een eerbiedig gebaar nog durven beweren, dat het eigenlijk geen verbond is, waarvan God hier spreekt. Want wat God daar een verbond noemt, wijkt geheel af van wat volgens hun vaststaande begrippen onder een verbond moet worden verstaan en juist omdat hun begrippen vaststaan, moet het Schriftuurlijk spraakgebruik daarmede gemeten worden ; ergo moet erkend worden, dat de Schrift niet in eigenlijken, maar in oneigenijken zin van een verbond van God met zijn volk spreekt.
Wij zullen ons aan dit rationalisme, dat zich niet alleen van de leer des verbonds, maar ook van die der verkiezing heeft meester gemaakt, geheel moeten ontworstelen om ons opnieuw tot de Schrift zelf te wenden. En die Schrift spreekt zeer klaar van een verbond, dat God heeft opgericht met Abraham en zijn zaad, van een verbond van God met zijn volk Israël, van een verbond, dat ook onder de nieuwe bedeeling voortgang heeft, wijl de heidenen mede-erfgenamen zijn en van hetzelfde lichaam en mededeelgenoot en zijner beloften in Christus door het evangelie.
Dit verbond wordt ons in de Schrift niet geteekend als een verbond tusschen God en mensch, maar als een verbond van God met den mensch. In dit verbond is God waarlijk God, en al is het, dat Hij in het verbond zich tot den mensch neerbuigt en zich genadiglijk aan den mensch verbindt. Hij is en blijft God, te prijzen tot in der eeuwigheid. Nimmer wordt in het verbond, noch in zijn oprichting, noch in zijn bestand, het onderscheid tusschen Schepper en schepsel uitgewischt. Daarom is van een contract, van een onderhandeling tusschen God en mensch, in het verbond geen sprake; dat zou tekort doen aan de Majesteit des Heeren.
Dat deze gedachte beslist tot het Schriftuurlijk verbondsbegrip behoort, kan ons de oprichting van het verbond door God met Noach leeren. Wij lezen toch, dat God tot Noach en zijn zonen zegt: Maar Ik ziet. Ik richt mijn verbond op met u en met uw zaad na u en met alle levende ziel, die met u is, van het gevogelte, van het vee en van al het gedierte der aarde met u, van allen, die uit de ark zijn gegaan, tot al het gedierte der aarde toe. En Ik richt mijn verbond op met u, dat niet meer alle vleesch door de wateren des vloeds zal worden uitgeroeid en dat er geen vloed meer zal zijn om de aarde te verderven".
Als hier van een verbond mag worden gesproken, dan is het duidelijk, dat de idee van contract aan 't Schriftuurlijk verbondsbegrip gansch vreemd is, want hoe zal God een contract sluiten met het gedierte der aarde ? Het verbond wordt in de aangehaalde woorden zuiver gezien als een onafhankelijke beschikking Gods, waarin noch met den mensch, noch met het dier te voren overleg is gepleegd. God richt dit verbond met Noach op krachtens zijn souverein welbehagen en omdat H ij het opricht, daarom is het en heeft het voortgang en een vast bestand. Het is in niets afhankelijk van de houding, die Noach hier .aanneemt en evenmin van de houding, die het gedierte daartegenover aanneemt.
Zoo is het nu ook met het verbond der genade. Ook hier pleegt God geen overleg met den mensch, zoodat van een overeenkomst van beide partijen gesproken mag worden, maar God richt met den mensch dit verbond op krachtens zijn souverein welbehagen. Het gaat ook niet in eenig deel van den mensch uit; het is een zuivere genadige wilsbeschikking Gods. Dit wordt het monopleurische, eenzijdige karakter van het verbond' der genade genoemd, waarop de Gereformeerde theologie van den aanvang af grooten nadruk heeft gelegd en dit karakter is niet een bijkomstige trek, maar het behoort tot de grondtrekken van het Schriftuurlijk verbondsbegrip. Alleen door deze grondtrek klaar te zien en aan te wijzen, hebben de Hervormers den kinderdoop kunnen verdedigen tegenover de Wederdoopers.
Indien toch een klein kind in het verbond begrepen kan zijn, kan de bewilliging van ' s menschenzijde niet tot het grondleggende deel van het verbond behooren. Dat laatste leerden de Wederdoopers en daarom sloten zij op hun standpunt terecht de kinderen van den doop uit, want van een bewilliging in het vertoond was bij die kinderen nog geen sprake. Zij hebben daardoor het verbond laten rusten op de toestemming van den mensch en hebben God meer of minder van den mensch afhankelijk gemaakt. Tekort hebben zij gedaan aan de leer der vrije genade ; humanistische en remonstrantsche motieven vervlochten met het evangelie der genade, en zoo is het te verstaan, dat zij niet met de discipelen vroegen, : zult Gij in dezen tijd het koninkrijk aan Israël weder oprichten ? maar dat zij zich zelf hebben opgemaakt om het Koninkrijk Gods op aarde te stichten.
Het moet echter eveneens als een remonstrantsche dwaling worden aangemerkt, als ds. Kersten leert, dat het vertoond der genade eerst met den mensch wordt opgericht, als hij door een levend geloof in dat verbond wordt ingelijfd. Ook hier ligt de gedachte ten grondslag dat zonder de gewilligheid van den mensch van een verbond niet gesproken kan worden. Een dergelijke aanwezigheid van remonstrantsche motieven hij een theoloog, die de zuivere leer der vaderen wil weergeven, behoeft ons niet te verwonderen, wijl dit nauw samenhangt met het rationalisme van de 18de eeuwsche theologie, waarop ds. Kersten zich voornamelijk beroept.
Alleen uit het monopleurische karakter van het verbond kan verklaard worden, dat het verbond in de Schrift ook testament wordt genoemd. Bij een testament, thans door ons meestal opgevat als een uiterste wilsbeschikking, denken wij niet aan een contract of overeenkomst, maar aan een zuivere onafhankelijke bepaling. De testamentmaker heeft geen overleg gepleegd met de erfgenamen, maar het is een zuivere van hen onafhankelijke beslissing, waarin hij dezen dit en genen dat heeft vermaakt. Dat verbond en testament gelijksoortige begrippen zijn, wijst dus wel heel sterk uit, dat God met den mensch zijn verbond opricht, onafhankelijk van den mensch en van zijn goeden wil.
Daarmede ontkennen wij niet, gelijk het doopformulier zoo treffend zegt, dat in alle verbonden twee deelen — let wel : twee deelen, niet twee partijen — begrepen zijn, zoodat in het verbond der genade niet alleen sprake is van God, die het opricht en in die verbondsoprichting zich aan den mensch verbindt, maar ook van den mensch, die door de venbondsoprichting van Gods wege aan God en zijn dienst verbonden wordt, maar het eerste deel, de oprichting van Gods wege, zooals die tot openbaring komt in de beloften des verbonds, is en blijft toch het voornaamste en grondleggende deel. Hier ontvouwt zich voor ons het vrijmachtig welbehagen Gods, waardoor Hij ons heeft liefgehad met een eeuwige liefde ; hier ontsluit Hij voor ons de bron, waaruit de stroomen van levend water ons toekomen.
Het is met het vertoond der genade, als met het woord van den apostel: wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad. De nadruk valt op de liefde des Heeren ; daaruit alleen komt de liefde in het hart van den christen op. Deze liefde des Heeren is volmaakt in zichzelf; zij wordt niet door onze wederliefde volmaakter, maar keert in de wederliefde tot zich zelf terug.
Daarom is het onjuist de inlijving in het verbond der genade door een levend geloof tot het wezen des verbonds te rekenen. Want dan doen wij tekort aan de beteekenis van de verbondsoprichting van Gods zijde, onafhankelijk van ons, waarin het grondleggende deel van het verbond moet worden gezien. Wanneer dit grondleggende deel, zoolang het niet gevolgd wordt door de inlijving in het verbond door een levend geloof, niet tot het wezen des verbonds behoort, kan het zelfs den naam van verbond niet meer dragen. Het wordt dan verlaagd tot een bijkomend iets, een ijdele, ledige vorm, die eerst beteekenis krijgt, als zij gevuld wordt door ons zaligmakend geloof. Hier krijgen wedergeboorte en geloof een beteekenis, die verre uitgaat boven de beloften van Gods vrijmachtige genade. Hier wordt de christen gekroond op een wijze, als in de Roomsche kerk de priester gekroond wordt. Want gelijk daar het werk van Christus zonder den arbeid van den priester op het altaar niet volmaakt zou zijn, zoo wordt hier Gods werk als onvolmaakt, als vormelijk en zonder beteekenis voorgesteld, zoolang de christen niet door een levend geloof op het tooneel verschijnt.
Daarmede ontkennen wij natuurlijk niet, dat de verbinding, waarmede God zich in het vertoond aan den mensch verbindt, ten doel heeft om dien mensch wederkeerig aan God te verbinden in geloof en liefde, zoodat het verbond in het tweede deel — om de uitdrukking van het formulier te gebruiken — zijn voltooiing erlangt, maar dat is iets anders dan te zeggen, dat eerst, waar dit tweede deel verschijnt, het wezen des verbonds ons ontdekt wordt. Dat maakt God afhankelijk van den mensch; dat laat Gods werk niet uitloopen in de bekeering van den mensch, maar maakt al Gods werk ondergeschikt aan de bekeering.
Zullen wij waarlijk vrijmachtige genade de eere toekennen, die haar toekomt, dan moeten wij ons niet blind staren op de wedergeboorte en bekeering, welke het verbond zelf niet zijn, maar weldaden des verbonds, maar dan moeten wij ons keeren tot het verbond zelf, zooals dat tot openbaring komt in de beloften des verbonds, in welke God zich aan ons in genade verbindt. Wie niet bij de weldaden des verbonds blijft staan om daarin het wezen van het verbond te zoeken, maar zich mag keeren tot het verbond zelf, zal in den God des verbonds en in de vrijmachtige genade, die Hem tot de oprichting van het verbond bewoog, eindigen.
Het uiteindelijk doel van het verbond is dan ook niet, de verbinding van een zondig volk door geloof en liefde aan den Heere en Zijn dienst, maar de verheerlijking van Gods naam. In de verbondsoprichting buigt God van den hemel in Zijn eeuwig welbehagen zich tot een zondig volk neer ; in hun inlijving in het verbond keert de Geest des Heeren, die daarbij In Christus op dat volk is uitgestort, door hen, d.i. door hen heen, tot God terug, opdat ook hier vervuld zou worden het woord : uit Hem en door Hem en tot Hem. zijn alle dingen.
Dat de zaligheid van Gods kinderen gelegen is in de eeuwige verbondsgemeenschap met een drieëenig God is daarmede niet in strijd, want er zal in den hemel geen verschil wezen tusschen deze gemeenschap met God en de nimmer rustende verheerlijking van Zijn Naam.
O. a/d IJ
Woelderink
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 april 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 april 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's