De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VRAGEN BUS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VRAGEN BUS

7 minuten leestijd

Vraag: Wat beteekent Judas 9 : »Maar Michael de Archangel, toen hij met den duivel twistte en handelde van het lichaam van Mozes, durfde geen oordeel van lastering tegen hem inbrengen, maar zeide : De Heere bestraffe u« ?
Antwoord: Deze tekst behoort tot de woorden, die zwaar zijn om te verstaan. We moeten hier niet al te „curieuselijk", niet al te „nieuwsgierig" zijn. 't Gaat over de geschiedenis van Mozes, met name over zijn sterven, over zijn dood lichaam. En dan zien we bij dat doode lichaam tegenover elkaar staan : Michael, de Aartsengel (ook van Gabriel lezen we als van een Aartsengel) en anderzijds de duivel. Die twee voeren twist over het doode lichaam van Mozes.
Laat ons even de geschiedenis, met name de gebeurtenis van zijn sterven nagaan. In Deut. 34 lezen we, dat Mozes sterven moet „naar den mond des Heeren", dat wil dus zeggen, „zooals de Heere het met Zijn mond gesproken heeft en het Mozes te voren heeft aangezegd". Precies zooals de Heere te voren gezegd heeft, gebeurt het. En dat was een straf op de zonde van Mozes. (Als de Joodsche litteratuur hier gaat fantaseeren, dat Mozes aan de mond des Heeren gestorven is en daar dan van maakt, dat de Heere Zelf hem gekust heeft toen hij stierf, moeten we zulke opsmukkerij van de geschiedenis links laten liggen, om ons eenvoudig te houden aan 't Woord), 't Is dus een straf voor Mozes, dat hij sterven moet. Hij mag, om der zonde wil, het land Kanaan niet binnen gaan. Hij mag het zien, maar hij mag er z'n voet niet zetten. In het sterven op den berg in de eenzaamheid ligt dus de tragiek van de zonde. Maar de Heere is bij hem, om hem als Zijn kind genadig te zijn en toegang te schenken tot het hemelsch Kanaan. De Heere Zelf begraaft hem als „Zijn knecht" Deut. 34 vers 5) op de plaats ons met name genoemd „in een dal in het land Moabs, tegenover Beth Peor (vers 6). Overigens heeft niemand zijn graf geweten ; nooit of te nimmer (vers 6b).
Maar Mozes is niet in het graf gebleven, maar opgestaan tot heerlijkheid. Hij is ook met Elia verschenen op den berg der verheerlijking. In dat proces van verheerlijking is Michael, de aartsengel, werkzaam geweest ten goede. Deze aartsengel is uitgezonden om de wille van Mozes, die de zaligheid mocht beërven (Hebr. 1 vers 14). En nu doelt het 9de vers van den Judasbrief er op, dat Satan dat bestreden heeft, dat Mozes zou worden verheerlijkt, zooals Satan altijd optreedt .als de aanklager en beschuldiger, de zonden in 't geding brengend (Zacharia 3). Doch de Heere volbrengt Zijn genadewerk in eeuwige trouw. Genade, genade, genade is het. Maar dan ook heerlijkheid en eeuwig leven, ten spijt van Satans beschuldiging, aanklacht en tegenstand.
Op die voor ons zoo geheimzinnige geschiedenis, die echter vol werkelijkheid is — want ds zonde en Satan met al zijn booze geesten, die duivelsche machten zijn, zijn werkelijkheden —doelt Judas 9. Satan zal getwist hebben tegen Michael toen deze gezonden werd om Mozes te verheerlijken in zijn lichaam. Maar Satan's mond zal zijn gestopt en zijn macht gebroken om de wille van het volbrachte werk van Christus, waaruit ook de vromen van de Oude Bedeeling — zondaren zijnde — hebben geleefd. „Op Uwe zaligheid wacht ik, o Heere", mocht met Jacob hun heilsverwachting zijn. „Ik weet, mijn Verlosser leeft en Hij zal de laatste over het stof opstaan; en als zij na mijn huid mijn gebeente zullen doorknaagd hebben, zal ik nochtans uit mijn vleesch God aanschouwen, denwelke ik voor mij aanschouwen zal, en mijne oogen zullen Hem zien, niet als een vreemde. Mijne nieren verlangen zeer in mijn schoot". Job 19 vers 25—27. Daarom is mijn hart verblijd en mijne eer verheugt zich ; ook zal mijn vleesch zeker wonen ; want Gij zult mijne ziel in de hel (in den dood i niet verlaten ; Gij zult niet toelaten, dat uw heilige de verderving zie. Gij zult mij het pad des levens bekend maken ; verzadiging der vreugde bij Uw aangezicht, lieflijkheden zijn in Uwer rechterhand eeuwiglijk" Psalm 16 vers 9—-11. „Maar ik zal Uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met Uw beeld als ik zal opwaken". Psalm 17 vers 15. Dat heeft Satan willen verhinderen bij Mozes, dien zondaar.
Dat heeft Michael, de Aartsengel, mogen bevorderen bij Mozes, den knecht des Heeren, omdat de volheid van Christus over Gods kinderen zoo groot en zoo heerlijk, zoo alleszins genoegzaam is, tot in eeuwigheid. Michael heeft het niet gedaan. De Heere Zelf, maar Michael was Zijn knecht.
Diepe, donkere geheimenissen liggen hier, vol strijd en moeite. O, wat is de zonde vreeselijk ! Maar de Heere ontfermt Zich over degenen, die Hem vreezen ; al ging ik ook in een dal der schaduw des doods, ik zoude geen kwaad vreezen, want Gij zijt met mij. Uw stok en Uw staf, die vertroosten mij". „Immers zullen mij het goede en de weldadigheid volgen alle de dagen mijns levens, en ik zal in het huis des HEEREN blijven in lengte van dagen". Psalm 23.

Vraag: Als een predikant zelf niet preekt, omdat hij vacaturebeurt heeft, een Zondag met vacantie is, of een paar maanden ziek is, hoe gaat het dan met de voorziening in de preekbeurten ? Wie noodigt de predikanten uit ? Wie heeft voor die beurten te betalen ? Heeft de Kerkeraad het recht van uitnoodigen of uitsluitend de predikant ?
Antwoord: Dit zijn verschillende vragen, ziende op verschillende omstandigheden, maar ze raken toch dezelfde zaak, waarom we ze maar bij elkaar nemen. Als een predikant een paar maanden ziek is, wordt de hulp van den Ring ingeroepen en komen de Ringpredikanten elken Zondag één beurt vervullen. Van omstandigheden in den Ring hangt het af, of ze een morgen beurt nemen, of dat ze 's middags of des avonds komen. Maar hoe gaat het dan met de tweede beurt, bij ziekte van den predikant? Dat is een open vraag. Want eigenlijk moet de predikant er in voorzien. Die moet uitnoodigen en betalen. Tenzij er vrijwillig, met het oog op de belangen der gemeente, door Kerkeraad en Kerkvoogdij een regeling getroffen wordt. Dan kan het zóó, dat de Kerkeraad — met goedvinden van den predikant — dominees uitnoodigt en dat de Kerkvoogdij, met of zonder een „extra collecte voor bijzondere onkosten", voor „vergoeding" zorgt. Maar eigenlijk moet de predikant zelf voor de vervulling van de beurten zorgen. Ook als hij een paar weken met vacantie gaat. Wij zelf moeten dan look .altijd voor de vervulling van onze beurten zorgen en er zelf voor betalen. Wat in andere gemeenten soms zóó is, dat men b.v. voor 4 vacantie-Zondagen van de Kerkvoogdij 4 maal een bepaalde som krijgt, waarvoor men dan zelf in z'n vacantie-beurten kan laten voorzien. De uitnoodiging geschiedt dan door den predikant zelf, want de predikant (men kan dat goed vinden of niet) en niet de Kerkeraad, heeft de beschikking over den kansel en over de beurten, hoewel het gewoonlijk door den predikant in overleg met den Kerkeraad zal geschieden, wat niet meer dan billijk is.
Wanneer er in een bepaalde gemeente niet de zoo zeer begeerde goede verhouding bestaat b.v. wat de richtingskwestie aangaat, kunnen er natuurlijk allerlei moeilijkheden en onaangenaamheden komen, als er een beurt vervuld moet worden. De predikant heeft het recht en de plicht er voor te zorgen. (Ook moet hij, strikt genomen, zelf betalen). Maar 't is zeker aanbevelenswaardig, als er zooveel mogelijk overeenstemming gezocht wordt tusschen predikant, Kerkeraad en Kerkvoogdij. Hoe beter de verhoudingen zijn, hoe beter voor de gemeente. Waarbij In de Kerk van Christus alles moet geschieden naar uitwijzen van Schrift en Belijdenis. En ja — daar zit in onze Hervormde Kerk de grondfout. Waaruit allerlei narigheid kan voortkomen, óp den kansel èn aan den voet van den kansel, vooral als ieder z'n eigen (richtings)touwtjes strak blijft aantrekken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 april 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

VRAGEN BUS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 april 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's