HET VERBOND GODS MET DEN MENSCH
Het verbond der genade en zijn bediening:
Het verbond der genade en zijn bediening: .
Wie het wezen van het verbond zoekt in de subjectieve inlijving in het verbond, door wedergeboorte en geloof, gelijk ds. Kersten, moet de oprichting van het verbond van Gods zijde in zijn monopleurisch karakter voor een ijdele en ledige vorm verklaren, niet meer dan een notedop, die alleen waarde heeft als er een noot in zit, maar die waardeloos is, als zij zonder noot is.
Datgene, wat naar wij gezien hebben volgens de Schrift het voornaamste en grondleggende deel des verbonds is, wordt hier van alle beteekenis beroofd om het zwaartepunt te leggen in de inlijving m het vertoond dor een waar geloof. Het objectieve wordt verachtelijk op zij geschoven om het subjectieve bovenmate te eeren. Gods beloften worden geminacht en de wedergeboorte en het ware geloof worden het een en het al. Hier heeft men een treffende aanduiding van wat wij subjectivisme noemen, als het subjectieve element in het leven des geloofs overspannen wordt ten koste van zijn objectieven grondslag.
Dit subjectivisme is in de Gereformeerde Gemeenten overheerschend en uit kracht van dit subjectivisme heeft men zich geërgerd aan de verbondsbeschouwing van Catechismus en Doopsformulier en heeft men een nieuwe verbondsbeschouwing in de bekende Synodale artikelen geformuleerd, waardoor men tracht zichzelf en anderen wijs te maken, dat deze toch eigenlijk dezelfde is als van onze Belijdenisgeschriften.
Hoezeer men daartoe Schrift en Belijdenis moet verkrachten, kan een ieder duidelijk zijn, die werkelijk even nadenkt. Want als God tot Abraham zegt, dat Hij zijn verbond met hem en zijn zaad opricht en op dien grond het Doopformulier verklaart, dat ook de kinderen in het verbond van God begrepen zijn en mitsdien in zijn gemeente, dan zegt Shaw en ds. Kersten, dat dit niet waar is. Zij zijn als zoodanig niet in het verbond begrepen, maar leven slechts onder de bediening van het verbond. Want het verbond der genade heeft van God volgens hen een bediening, een openbaringsvorm ontvangen, die meerderen omvat dan de uitverkorenen Gods. Deze laatsten zijn alleen wezenlijk als het verbond begrepen.
Gods Woord, volgens hetwelk Hij zijn verbond niet alleen met Abram, maar ook met zijn zaad opricht, maakt men hierdoor tot een ijdele zinledige vorm en ook het teeken des verbonds verliest hierdoor alle zin. Men moet bij consequentie hier aannemen, dat God zijn woord tot Abram heeft gesproken met veronderstelling van wat bij de Jesuieten gebruik was in de reservatio mentalis, een geestelijk voorbehoud, dat men niet uitspreekt, maar er wel bij denkt. God zeide tot Abram, dat Hij zijn verbond oprichtte ook met Zijn zaad, maar Hij zeide niet, maar dacht erbij: echter alleen met de uitverkorenen van uw zaad. God zeide wel, dat alle jongskens van acht dagen moesten besneden worden, opdat het teeken des verbonds in hun vleesch zou worden gezien, maar Hij zeide niet, doch dacht slechts : alleen den uitverkorenen heeft dit teeken iets te zeggen ; hun alleen komt het toe.
Deze reservatio mentalis wordt vervolgens ook door de ouders, die de vragen van het Doopformulier hebben te beantwoorden, overgenomen. Waarom ook niet ? Als God er gebruik van maakt, mogen wij Hem In dat gebruik wel volgen. Zoo belijden zij, dat hun kinderen in Christus geheiligd zijn en daarom als lidmaten zijner gemeente behooren gedoopt te wezen, maar zij belijden het met het .geestelijk voorbehoud, dat dit alleen van de uitverkoren kinderen geldt. De anderen hebben met het verbond niets uit te staan; zij leven alleen onder de bediening van het verbond. God heeft zijn verbond met die an deren nooit opgericht; nooit is hun eenige belofte gegeven ; nooit zijn zij waarlijk lidmaten der gemeente geweest.
Ook het dankgebed van het Doopformulier bidt men onder bijvoeging van deze jesuïetische reservatio mentalis. Want niet van de kinderen als zoodanig bidt de gemeente: wij danken U, dat Gij ons en onze kinderen al onze zonden door het bloed van uv/en lieven Zoon Jezus Christus vergeven hebt en ons door uwen Heiligen Geest tot lidmaten van uw Eengeboren Zoon en alzoo tot uwe kinderen hebt aangenomen en ons dit met den Heiligen Doop bezegelt en bekrachtigt, maar men acht, dat dit woord alleen van de uitverkorenen onder de kinderen geldt. Hoeveel eerlijker handelen zij, die openlijk erkennen, dat zij zich met de verbondsbeschouwing onzer Vaderen niet kunnen vereenigen, dan degenen, die door een dergelijk geestelijk voorbehoud een beteekenis aan de woorden geven, die zij nooit gehad hebben.
Niemand meene, dat het hier om een kleinigheid gaat. De waarachtigheid van Gods Woord en belofte en de grondslag van het geloof is hier in het geding.
Volgens de bekende Synodale verklaring zegt de doop, waarmede ik eens gedoopt ben, mij niet, dat ik in het verbond Gods waarlijk begrepen ben. Als zoodanig geeft mij de doop ook geen zekerheid dat Gods beloften mij geschonken zijn, want als ik niet in het verbond begrepen ben, heb ik ook geen eigendom aan de beloften des verbonds. Ergo mag ik deze beloften ook niet door geloof mij toeëigenen en omhelzen, want het verbond en zijn beloften komen alleen den uitverkorenen toe.
En laat ds. Kersten nu maar eerlijk zijn, dit is de groote grondgedachte, die heel het leven van de Gereformeerde Gemeenten beheerscht en ook m onze gemeenten op tal van plaatsen overheerschend is geworden. De leden der gemeente, die onbekeerd zijn, staan evenals de heidenen overal buiten, buiten het verbond en buiten zijn beloften. Nu ja, zij zijn gedoopt geworden, maar wat zegt dat nu. Dat is maar een ijdele en ledige vorm. Zij leven onder de bediening van het verbond, maar zoolang als zij niet aan het vertoond zelf deel hebben, hebben zij niets, waar zij zich aan vast zouden kunnen klemmen. Mocht het den Heere nog eens behagen hun oogen te openen en zijn verbond wezenlijk — let op dit woord, want het zegt, dat de oprichting des verbonds, in den doop verzegeld, eigenlijk maar schijn is — met hen op te richten.
Zoo wordt de roepstem om zich in het verbond der genade hartelijk in te laten en den eenigen en drieëenigen God des verbonds te vreezen en te dienen, tot een leugen, want het verbond is nog niet wezenlijk opgericht; het moet nog opgericht worden. En zijn hand uit te strekken naar de beloften des verbonds wordt diefstal gelijk, want zoolang een mensch niet wezenlijk door wedergeboorte en geloof in het verbond begrepen is, komen hem. de beloften des verbonds niet toe.
De menschen worden hier weerhouden om den weg des geloofs te betreden. Ik weet zelfs van gevallen, dat zij er voor gewaarschuwd, werden als voor een gevaarlijke weg. Wachten moeten zij, wachten totdat het God van den hemel behagen mag hen bij de hand te grijpen om hen uit Sodom uit te leiden. Dit wachten beteekent hier een voortgaan op den weg des verderfs en in den dienst der zonde, totdat God een mensch daarop tegenkomt. Dat God hem daarop tegenkomt met Zijn Woord, wordt eigenlijk voor geen ding geacht; dat is maar een objectieve waarschuwing ; men moet wachten, totdat God een mensch in het hart grijpt. Feitelijk prijst men het doen van Loth, die op de eerste aanzegging om Sodom te verlaten, niet is gegaan, maar gewacht heeft totdat de engel hem daadwerkelijk bij de hand greep.
Uit deze zienswijze moet verklaard worden het feit, dat de leden der gemeente zich noodt tot hun doop keeren om daaruit troost te ontvangen en tot geloof bemoedigd te worden. Dat het hun bij den dood van hun vroeg gestorven kinderen vaak niets zegt dat zij gedoopt zijn geworden. Heel die doop, d.i. de verzegeling van Gods belofte, is zonder zin en een ijdele vorm, zoolang als de bekeering er niet mee gepaard gaat. Niet het woord des evangelies en de bekrachtiging daarvan in den doop, wekken op tot geloof, maar wedergeboorte en bekeering worden de grondslag, waarop men eigendom krijgt aan de beloften.
Volkomen in overeenstemming hiermede is de gedachte, door de bekende Synodale verklaring uitgesproken, dat de verantwoordelijkheid van elk mensch wortelt in de schepping. Niet in het verbond, dat God met hem heeft opgericht, waardoor hij volgens 't doopsformulier gehouden en verplicht is om dezen eenigen en drieëenigen God van harte te vreezen en te dienen, maar in de schepping.
Geschapen naar Gods beeld, eischt God van den gevallen mensch zijn beeld terug, zegt de verklaring. Over het geloof en de verbondsgehoorzaamheid, die God eischt, wordt gezwegen. In dien vorm moest daarover gezwegen worden, want men ontkent de aanwezigheid van dit verbond, wanneer men niet tot de uitverkorenen behoort. De niet-uitverkorenen kunnen dus ook niet krachtens het verbond tot gehoorzaamheid verplicht worden.
Hoe anders is deze beschouwing dan die van onze Vaderen. Ik denk b.v. aan een Teelinck, die zijn Wrake des verbonds schreef en daarin het Nederlandsche volk op één lijn stelde met het volk van Israël, in zooverre God met beide zijn verbond had opgericht en uit kracht van dat verbond een bizondere gehoorzaamheid des geloofs vroeg, maar wijl men het verbond verbroken had, oefende Hij onder ons, als in Israël ia oude dagen, zijn wrake des verbonds.
En nu weet ik wel, dat in de bekende Synodale verklaring aan de stelling, dat de verantwoordelijkheid van den mensch In zijn schepping wortelt, toegevoegd wordt, dat die verantwoordelijkheid des te grooter wordt, naarmate God met hem bemoeienissen maakt. In bizonderheid wordt die verantwoordelijkheid grooter, zoo lezen wij daar, door de ernstige aanbieding van Christus en de verbondsweldaden in het evangelie, maar de practijk van de prediking en de zielszorg in de Gereformeerde Gemeenten laat zien, dat deze woorden niet al te ernstig genomen moeten worden. Zij kunnen ook niet in al hun gewicht aanvaard worden, omdat zij niet in het stelsel passen.
Immers hoe kimnen de verbondsweldaden aan menschen aangeboden worden, die buiten het verbond staan ? Ds. Kersten beschuldigt ds. Jongeleen van remonstrantisme in de formuleering van het verbond; m.i. wat de formuleering betreft volkomen terecht, maar ik vraag mij af, of ds. Kersten zich niet aan ditzelfde remonstrantisme schuldig maakt, als hij de verbondsweldaden aanbiedt aan degenen, die niet in het verbond begrepen zijn. Want als deze aanbieding iets meer is dan schijn — en ik ben er nog niet zeker van, dat deze aanbieding bij de volgelingen van ds. Kersten iets meer is dan schijn — kan zij niet anders beteekenen dan dat God betuigt aan de menschen, dat Hij ze de verbondsweldaden wil geven, als zij zich bekeer en en gelooven, of wat hetzelfde is, dat Hij ze in het verbond zal opnemen, als zij zich bekeeren en gelooven.
Deze remonstrantsche dwaling doet men dan v; eer te niet door te zeggen : maar de menschen kunnen ach van zichzelf niet bekeeren en gelooven ; alleen de uitverkorenen bekeeren zich en gelooven; daarom worden die alleen in het verbond opgenomen.
Heel deze gedachtengang is uit den booze. Wij moeten terugkeeren tot het Schriftuurlijk standpunt, dat God zijn verbond met ons heeft opgericht en dat de doop daarvan een ontwijfelbaar getuigenis aflegt. Als zoodanig heeft God ons zijn beloften gegeven en liggen wij onder de roeping en de verplichting om die te gelooven. God geeft ons in het verbond der genade zijn heil dus niet onder beding van geloof en gehoorzaamheid, maar Hij geeft ons zijn heil werkelijk uit genade, d.i. onvoorwaardelijk, en beveelt ons die geloovig te aanvaarden.
Vroeger heb ik reeds mijn bezwaren te kennen gegeven tegen het veelvuldig gebruik van het woord aanbieding in den zin van de aanbieding des heils. Niet, dat het woord op zich zelf te veroordeelen zou zijn, maar de wijze van gebruik geeft daaraan een zin, die niet immer juist is. In verband met de verbondsgedachte komt dat vaak zeer sterk naar voren. Men loochent, dat God ons zijn heil gegeven heeft in de belofte des verbonds; het dankgebed van het doopsformulier past men daarom niet toe op de gedoopte kinderen, maar op de uitverkorenen onder de gedoopten ; maar om nu niet gansch het evangelie te niet te doen, spreekt men nog van een aanbieding des heils. De uitdrukking dient dan om de afstand tusschen het heil Gods en den zondaar, die naar men oordeelde in de belofte des verbonds wat te nauw was gelegd, iets grooter te maken. Zoo op een fatsoenlijken afstand, wordt den zondaar het heil Gods voorgehouden en wordt als 't ware gevraagd : wilt ge dit heil ? Hij wil het natuurlijk toch niet, maar nu is God vrij van zijn bloed.
O. a/d IJ.
Woelderink
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 april 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 april 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's