MANKE MURK
EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming: uitgever J, H. Kok te Kampen
Weldra stond een dichte haag van menschen geschaard om de zingende en spelende vreemdelingen, die met volle toewijding, zonder eenige vrees of schroom, hun hart gingen leggen in hun lied. En daar klonk het tusschen alle rumoer door :
Neem de wereld, geef mij Jezus, Wereldvreugd gaat ras voorbij ; Maar de liefde van mijn Heiland, Blijft voor eeuwig, rijk en vrij. Neem de wereld, geef mij Jezus, Want Zijn troost is zalig, zoet; Hij bewaakt mij ; geeft mij vrede ; Dit is 't wat mij juichen doet.
Neem de wereld, geef mij Jezus, Want Hij stierf voor mij aan 't kruis, 'k Dank Hem hier en ook voor eeuwig, Als 'k Hem zie in 't Vaderhuis.
En met verheffing van stem en in vlugger tempo klonk het refrein telkens jubelend op :
O, de hoogte en lengte en diepte Van Zijn liefde, zonder peil! O! de volheid van verlossing. Onderpand van 't eeuwig heil.
Treffend was het, dat, niettegenstaande de jolige stemming onder de kermisgangers, waardoor van alle kanten de vroolijkheid opklonk en soms op .buitengewoon luidruchtige wijze tot uiting kwam, aan deze plaats rondom dit groepje een opvallende stilte heerschte. Behoudens een enkele, die op deze of gene der zangers of zangeressen meende een grapje te moeten maken of den ernst der woorden van het lied zocht weg te schertsen of weg te spotten, schenen de meesten onder den indruk van het eenvoudige lied te zijn. (Doch daarop geschiedde er nog iets anders. Een van die mannen nam toen het woord en begon in een taal die door allen verstaan en doorvoeld werd, te spreken van het holle en onbevredigende der wereldvreugde en het zalige van den dienst van Jezus. Hij teekende in sohrille kleuren de armoede der wereld en den nood eener berooide menschenziel, zooals deze bij den draf uit den zwijnentrog geen bevrediging vinden kon, en al maar hunkerde naar meer. Uit eigen ervaring wist hij, wat het zeggen wilde den beker der geneugten te drinken, maar ook, hoe ongelukkig een mensch daarbij werd, omdat hij nimmer te verzadigen was. De spreker knoopte aan dit woord toen de gelijkenis van den Verloren Zoon vast, zooals deze het ouderlijk huis verliet, om, naar hij droomde, in den vreemde veel gelukkiger te zijn, waar hij in ongebondenheid zijne schatten weg wierp. Tot de armoe kwam; en de honger en 't gebrek en de ellende hem over het hoofd gingen. Toen grepen hem de wroeging en de smart en het „tot zichzelven komen", 't Gevolg hiervan was het heimwee naar huis en naar den Vader, dien hij op het hart had getrapt en wiens liefde hij had versmaad. En toen ?
Nu werd de heerlijkheid geschilderd van het tehuis en de blijdschap die er kwam over den zoon, die dood geweest was, maar weer levend werd; die verloren was, maar werd gevonden. Daarop volgde de toepassing.
„Zijn hier ook niet van die verloren zonen en dochteren", vroeg de heilsoldaat, „die meenen hun geluk te moeten zoeken ver buiten het Vaderhuis en vèr van God ? Jonge menschen", — zoo vervolgde hij — „gij meent misschien gelukkig te zullen worden bij den dienst der wereld en het offeren op haar altaren, maar hoe bedrogen komt gij uit. Gij weet dat ook wel, en ge voelt dat óók wel, als gij de stem van uw arm hart slechts aan het woord laat.
Wie ver vai]n God de weelde zoekt, Vergaat eerlang en wordt vervloekt! Hij roeit hen uit, die afhoereeren. En Hem den trotschen nek toekeeren.
„Maar nu zijn wij hier op deze kermis der ijdelheid gekomen, om u ook nog iets anders te zeggen. Ach, gij weet zelf wel, jongelingen en jongedochters, mannen en vrouwen, dat de vreugde der wereld u niet bevredigen kan. Zij laat uw ziel zoo leeg en maakt u altijd armer, naar lichaam en geest. Hoevelen hebben hierover niet te laat berouw gehad ! En nu komen wij u zeggen, dat de dienst van God zoo gelukkig maakt. Wij zijn zoo blij, dat wij Hem. hebben leeren kennen, want Hij maakte ons vrij van droeve zondebanden. En daarom, bekeert u ! Doe het nog heden ! Stel niet uit, want dat kan voor u voor eeuwig te laat zijn ! 't Is nog uw tijd en het is nu 's Heeren tijd ! O, arme zondaar, kom!" En toen vielen de heilsoldaten in met het lied:
De Geest strijdt, o zondaar! En zoekt uw behoud; Hij klopt aan uw harte, zoo hard en zoo koud. Weersta dan dien Geest niet. Die heden nog staat;
Wellicht is het morgen voor eeuwig te laat.
O, kind van Gods liefde. Verzwaar niet uw schuld,
Maar wordt met den vrede des Geestes vervuld;
Bedroef dan dien Geest niet; o, doe Hem geen pijn !
Dat in u uw Heiland verheerlijkt mocht zijn.
De tempel des harten, van schoonheid beroofd, En 't vuur van Gods liefde schier in u verdoofd; Zie toe dat die liefde weer brandende zij ;
En blusch niet den Geest uit, want God is nabij!
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 april 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 april 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's