De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

25 minuten leestijd

DE VRIJZINNIGEN EN PASCHEN
Wij hebben verleden week iets gezegd van „Di Vrijzinnigen en het Avondmaal". En we zagen, dat zij in de waan verkeeren en dat triomfantelijk uitspreken, dat zij des Heeren Heilig Avondmaal op de rechte wijze vieren, in onderscheiding van de orthodoxen, die met hun dogma's alles bedorven hebben. En dan blijkt, dat er bij hen van de Godheid van Christus, van Zijn verzoenend lijden en sterven, zooals de Heilige Schrift dat leert, onze Belijdenis dat nader omschrijft en in ons Avondmaalsformulier zoo mooi voorgesteld wordt, niets, maar dan ook niet is overgebleven. Aan het kruis van Golgotha, zooals de Apostelen het ons verkondigen, ergeren zij zich ; het is hun dwaasheid. Het kruis de verzoening en der verlossing is voor hen niets anders dan het teeken en de prediking, dat wij lijden moeten, dat wij een kruis moeten dragen en dat wij uit het kruis van Christus kracht moeten ontvangen om ons kruis, ons leed te dragen, hopende op de overwinning der waarheid. Volhouden dus maar ! Het kruis maar telkens opnemen ! De overwinning komt wel! Daartoe dient dan het Avondmaal.
Nu is het Paaschfeest geweest; het feest van de opstanding van Christus, waarin alle zaligheid is gelegen voor een arm zondaars; volk, gelijk de Christelijke Kerk van alle eeuwen belijdt. „Ik geloof in Jezus Christus, die gestorven is, begraven en opgestaan". „De Heere is opgestaan. Hij is waarlijk opgestaan. Halleluja Zóó gelooft, zóó belijdt de Christelijke Kerk. Zoo gelooft en belijdt de Nederlandsche Hervormde Kerk!
Neen — zegt mejuffr. dr. N. A. Bruining en ds. D. A. Vorster in koor in „Kerk en Vrede", Orgaan van de Vereeniging van Vrijzinnige Hervormden. 't is radicaal anders.
Mej. dr. Bruining geeft een „Paaschoverdenking" en ds. Vorster schrijft een artikel over „Paschen" in de rubriek „Geestelijke Opbouw (10 April 1936). |
En wat zeggen zij dan als Vrijzinnigen van het Paaschfeest in het Orgaan, dat voor Hervormden bestemd is ?
Om maar met de tweede te beginnen : „Als wij mogen ervaren", aldus ds. Vorster, „dat Christus is opgestaan, dan zou dat beduiden het leven over den dood, het leven voor den menschelijken geest. Dan zouden we weten, dat er een steeds vernieuwde geest Gods werkt; die altijd weer opnieuw menschenlevens bezielt, in menschen het vuur doet ontbranden van het strijden voor groote dingen, en in menschenharten altijd wee| wekt het goddelijk verzet tegen een wereld, die alleen maar schijnt te zijn een botsing van eigen belangen, en tot een streven naar hoogere samenwerking zich verheffen kan".
Dat is Paschen voor ds. Vorster (waarschijnlijk Pinksteren tegelijk, als feest van „vuur en kracht enz.").
„Zoo kunnen wij het Paschen vieren met een gevoel van diepe innerlijke bewogenheid".
Gevoel, indrukken, bewogenheid dat alles. Met een dooden Christus in het graf.
„Voor ons is het niet zóó", vervolgt ds. Vorster „dat wij groote aandacht schenken aan het ui het graf verrezen lichaam, dat tot nieuw leven zou zijn gekomen. Wij Vrijzinnige Protestanten^ vatten dit Paaschwonder, evenals zoovele dingen; niet stoffelijk, maar geestelijk op". „De wereld gaat somtijds door een duister dal, maar zij gaat niet verloren. Het kan somtijds schijnen of de. laatste sprankjes licht verdwijnen, of wij alleen nog maar tasten door een dichte nachtelijke duisternis. Maar dan komt er een oogenblik, waarin wij plotseling getroffen worden door een nieuw licht, waarin onze oogen met een dankbare vreugde het nieuwe licht weerkaatsen, waarop onze ziel met nieuwe stralende vreugde ervaart: ook deze wereld is niet van God verlaten". Daar zal een andere tijd komen van hoogere menschwaardeering ! „Zoo willen wij ook dit jaar het Paschen vieren niet vanuit een ontmoedigde geest, maar als menschen die met groote gespannen aandacht treden tot het wonder dat zij beleven".
Dat is nu Paaschfeest voor den Vrijzinnigen Protestant, die hier de taal van de Vrijzinnige Hervormden spreekt! Waar Christus is ?
Ze hebben Hem gestolen en brengen nu de menschen hun eigen fantasieën, met filosofischen inslag, met moralistischen inhoud ! Het hoofd omhoog o, mensch ! Moed houden maar. Er komt nog wel eens een betere wereld ; er breekt nog wel eens een andere tijd aan ! Dat is het Paaschfeest van den Vrijzinnige ! De mensch wordt nog wel eens op hooger waarde geschat
Mej. dr. N. A. Bruining maakt het niet veel beter. Die komt met het bekende liedje van de ontwakende natuur. En dan als slot: „Hot Leven overwint den dood. God is de Sterkste". Dat leert de natuur. Dat is de symbolische beteekenis van het „oude verhaal" van de opstanding van Christus (dat als historisch feit natuurlijk niet waar is). „Christus is opgestaan ! Aan Hem is de overwinning. Maar dan symbolisch genomen. Want Christus is gekruisigd, is gestorven en begraven. En in het graf gebleven.
Banaal wordt dan, met pure miskenning van de eigenlijke beteekenis, een lied overgenomen tot slot: „Op Uw woord, o leven van ons leven! Werpen wij het doodskleed af; door de kracht Uws geestes uitgedreven, treden w' uit ons zondengraf. Leer ons daaglijks, leer ons duizendwerven, meegekruisigd in Uw kruisdood sterven, en, herboren opgestaan, achter U ten hemel gaan !"
Dat is een lied van ds. J. J. L. ten Kate, gezongen op den morgen der verrijzenis van Jezus Christus". Om uit te jubelen : „Gode zij dank, die ons de overwinning geeft door onzen Heere Jezus Christus" 1 Cor. 15 : 57.
Maar de Vrijzinnige doet het maar zonder de opstanding van Christus.
Zonder de opstanding van Christus staat hij uit het zondengraf op en gaat herboren achter hem ten hemel in ! (Zij spreken dan ook in dit lied van „geest" terwijl het eigenlijke lied van ds. ten Kate spreekt van Geest).
Maar zóó is onze prediking ijdel. IJdel ook ons geloof. Zoo zijn we nog in onze zonden. Zoo zijn ook verloren, die in Christus ontslapen zijn.
Raakt de loochenende taal van de Vrijzinnige Hervormden in den jare 1936 hier niet de geest en hoofdzaak van onze belijdenis, de geest en hoofdzaak, de aard en het wezen van het Evangelie van Jezus Christus ?
Wij dachten van wel! Het treft de goddelijke waarheid, ons tot zaligheid geopenbaard, in het hart. En het geeft niets anders dan humanistische moraalprediking.
Zal onze Hervormde Kerk opwaken en komen tot het belijden van den Naam van Christus ?
Hij vraagt immers Zelf, ook nu, óók aan de Hervormde Kerk : „Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben ? "
Dat ook ons getuigenis daartoe mag meewerken, dat onze Hervormde Kerk meer en meer ziel. openbare als een Kerk des Woords, als een belijdende Kerk, een Christusbelijdende Kerk. Zooals onze belijdenis, de belijdenis der Kerk, dat ons leert en van ons vraagt.

KOHLBRUGGE, zijn levensgeschiedenis.
Leerrede Romeinen 7 vers 14. III »Verkocht onder de zonde«.

Deze woorden maken alles nog duidelijker wat we reeds gezegd hebben — aldus Kohlbrugge. In vers 23 zegt de Apostel : „Ik zie echter eene andere wet in mijne leden die strijd voert tegen de wet mijns gemoeds, en mij gevangen neemt onder de wet der zonde, die in mijne leden is". Maar hoe nu ? Spreekt Paulus zichzelf dan niet tegen, als hij in hoofdstuk 8 van den Romeinenbrief zegt: „Gij hebt niet ontvangen den Geest der dienstbaarheid, om andermaal te vreezen ; maar gij hebt ontvangen den Geest der aanneming tot kinderen, in Welken wij roepen: „Abba, Vader!"?
We moeten hier recht onderscheiden en verstaan en weten dat we vleeschelyk zijn en onder de zonde verkocht I Dan laten wij alle heiligingsbest doeningen varen ; en er is geen rust voordat wij in de gerechtigheid van Christus onze rust gevonden hebben. Daar leeren we dan de genade in God prijzen, dat Hij den goddelooze en nietheilige rechtvaardigt. En dan loven we ook de vrijheid, waarmede Hij ons vrijgemaakt heeft, vrijgemaakt van den vloek der Wet en vrijgemaakt in Christus, den Heere onze Gerechtigheid. Dan verheugen we ons en roepen : „Abba, lieve Vader !" De Geest der dienstbaarheid is gebroken, van onder de Wet bevrijd zijnde, en de Geest van de aanneming tot kinderen is in ons en bij ons.
Maar dan moeten wij ook recht verstaan en het elkander telkens nog weer eens zeggen, dat we bij de Wet geen leven hebben ! Maar dat we nu „der Wet gedood zijn door het lichaam van Christus". Hij, Die uit de dooden opgewekt is, heeft ons nu als Zijn bezit en eigendom.
Paulus zegt: „ik toen verkocht onder de zonde". Evenals een slaaf aan zijn heer verkocht is en hem dienen moet, wellicht tegen z'n lust en begeerte in, zóó zijn wij verkocht aan de zonde, om in dat diensthuis en in die gevangenis de zonde te dienen, haar slaaf zijnde, ook al is 't dan, zooals Paulus zegt, tegen zijn wil.
Zoo ervaren wij, die gelooven, het dagelijks, gelijk al de heiligen voor en na ons.
De zonde zegt als een hard heer telkens : gij behoort mij toe in-en uitwendig, met oogen, lijf, handen, voeten en alles wat in en aan u is; met uw hart en met uw zinnen". En verzetten wij ons tegen hem, den geweldigen slavenhouder, dan geeft hij ons zweepslagen en laat ons voelen, dat wij vleeschelijk verkocht zijn in zijn dienst, den dienst der zonde.Ook komt hy ons wel voor met zachte, vleiende worden, opdat wij hem maar willig zullen dienen.
Wij zijn vleeschelijk; maar dat niet alléén : wij zijn verkocht in de handen van een harden heer, die den zetel zijner dwingelandij in ons hart heeft en van daaruit in al onze leden heerschappij voert, zeggende : gij zijt verkocht, verkocht, o slaaf, onder de zonde ! Hij laat ons voelen, dat hij recht op ons heeft. Wij zijn hem verkocht.
En daarbij kunnen wij niet inwonen in het huis van de Wet tot vrede en zaligheid, tot gerechtigheid en heiligheid. Want het is de zonde, waarin wij uit hoofde van onze natuur en geboorte uit het vleesch gevangen zitten en die de tyran is, die van der jeugd af aan ons geleidt en bij ons blijft, ons dagelijks in het huis der Wet martelt en verworgt!
En hier is geen andere raad of troost, dan alleen bij den laatsten Man, Jezus Christus, onzen Heere, Die de Wet voor de Zijnen vervuilde en alles volbracht heeft, Die zonde, duivel, dood en hel, den toorn en het gericht, de vloek en de verdoemenis van Zijn volk op Zich genomen en weg gedragen heeft; en Die Zichzelven aan de Zijnen tot een eeuwig eigendom heeft gegeven, opdat zij geheel, met lijf en ziel en geest, met alles wat aan hen is, in Christus mochten gevonden zijn. En dat is de vrijmaking in Christus, dat zij in Hem zonder ophouden mogen hebben genade, gerechtigheid, geloof, vrede, blijdschap, heilig-heid, troost en sterkte, eere en heerschappij over alles, vrijheid van alles en het eeuwige leven.
Dat Christus gestorven is, dat is Hij in eens der zonde gestorven ; maar dat Hij leeft, dat leeft Hij Gode. Alzoó ook gijlieden, houdt het daarvoor, dat gij der zonde gestorven zijt, en levende zijt Gode in Christus Jezus, onzen Heere. Wij zijn vleeschelijk en onder de zonde verkocht. Maar in Christus gerekend, hebben we geen zonde. En hebben we waarlijk in het bloed van Christus vergiffenis onzer zonden, dan zegge de ziel vrijmoedig : „ik ben heilig! Ook al zien we niets dan onreinheid in ons. Zalig zij, die niet gezien hebben, en nochtans geloofd hebben !
Jezus Christus is de eenige Mensch, die rechtvaardig en heilig is en aan Wien de zonde niets heeft tot verdoemenis, omdat Hij alle gerechtigheid vervuld heeft. Hij is vervloekt en van God verlaten geweest om de zonden Zijns volks. Hij heeft Zichzelven Gode vrijwillig onstraffelijk opgeofferd en die Hem mogen aannemen als hun Heiland en Borg zijn Gode onstraffelijk, vry van de Wet. Dat is het geheim des geloofs. Onze oude mensch is dan met Hem gekruisigd ; het lichaam der zonde is dan te niet gedaan. Wat zij niet kermen, die met hunne werken Christus verloochenen ; en wat bedekt en verborgen is voor degenen, die verloren gaan. Zij verloochenen, wat de Heere geopenbaard heeft aan de armen en ellendigen door Zijn Geest, zoodat zij er verstand van hebben, hoe de Wet onwrikbaar blijft tot in eeuwigheid en hoe de Wet toch gestorven is en met hare werken moet uitgestooten worden. Bevende voor het aangezicht des Heeren, mogen zij in het aangezichte van Jezus Christus aanschouwen, handhavende tegen zichzelve des Heeren heilig Woord en Wet, ondervindende, dat de Heere woont bij degenen, die van een verslagen en verbroken geest zijn, geen anderen naam onder den hemel erkennende, waarin behoudenis is, dan alleen den Naam onzes Heeren Jezus Christus. Wie Christus Jezus niet liefheeft, zij eene vervloeking, hij zij wie hij zij, en hij doe wat hij doe. De Heere komt!
Welgelukzalig zijn allen, die zich aan Hem houden, in Hem blijven, de broeders liefhebben, en de toevlucht genomen hebben, om aan de voorgestelde hope vast te houden tot den einde toe, er raze tegen wat er wiI. In het verbrokene hart weergalmt de Psalm: Heerlijk geloofd worde Zijn Naam, tot in alle eeuwigheid. En wie dien Naam dan, als hem alles ontzinkt, en zijne oogen voor het zien en zichtbare gebroken worden, aan Wet en zonde, dood en duivel voorhoudt, zal overwinnen overvloediglijk, in Hem, Die leeft. Amen.

EEN TEER PUNT
Een brandend vraagstuk.
De kwestie van het onderwijs in bijbelsche geschiedenis op de Openbare School blijft de geesten bezig houden — schrijft De Neder-lander. En dat is maar goed ook. We moeten nu maar eens doorpraten over deze zaak. Want het is een „teer punt" en tegelijk „een brandend vraagstuk", waarover velen met groote woorden toch buitengewoon oppervlakkig praten en schrijven. Zoo is gezegd : „Onze bijbelcolporteurs gaan ook met de Heilige Schrift naar de woning van Jan en Alleman, verwachtende, dat het Woord dan doen zal wat Gode behaagt". En wij zeggen : natuurlijk ! daarvoor is men bijbelcolporteur ; men leeft dan bij en in en met het Woord. En de bijbelcolporteur doet dan naar het bevel des Heeren : „zaai aan alle wateren". Waaraan de Heere ook Zijn belofte verbonden heeft, dat het Woord doen zal wat Hem behaagt.
Maar men is toch zeker niet zóó naïef, dat men de onderwijzers op de Openbare School gelijk stelt met onze Zendelingen, bijbelcolporteurs, straatpredikers: , enz. enz. ? Die menschen leven in en bij dat Woord, die menschen werken een liefdewerk, gedrongen door de liefde van Christus, die menschen bidden bij het Woord, die menschen verkondigen Jezus Christus en dien gekruisigd en ze verstaan er iets van wat het is : de menschen te bewegen tot het geloof, zeggende : laat u met God verzoenen.
Doen dat de onderwijzers van de Openbare School straks óók, als men bijbelsche geschiedenis als verplicht vak zou gaan stellen op de Overheidsscholen ?
We weten beter ! Het is helaas! anders. Want anders waren immers de Openbare Scholen al lang onze christelijke volksscholen !
Zelfs wanneer men zou zeggen : de onderwijzer moet en mag alleen maar uit den Bijbel voorlezen, zouden we het nog niet eens willen en durven wagen met het verplichte vak „bijbelsche geschiedenis". Want het gebaar, waarmede de onderwijzer den Bijbel ter hand neemt, staande voor de klas; de wijze, waarop hij den Bijbel opent, staande voor de kinderen ; de wijze, waarop hij bidt vóór het lezen (of wil men het zonder bidden doen ? ) ; de wijze, waarop hij leest; die toon, die hij aanslaat; het gezicht dat hij zet bij het voorlezen enz. enz., is voor ons allerbelangrijkst en allesbeslissend.
Een man, die niet leeft in de Schrift, die het Woord Gods niet bemint, die den Bijbel niet kent, die Jezus Christus niet liefheeft en niet predikt, als het voornaamste en hoogste goed — willen wij niet als een figurant met een Bijbel in de klas zetten.
Ds. Westenburg, Ned. Herv. pred. te 's-Gravenhage, zei op de Gooische Schooldag : „'t Gaat om de ziel van het kind. De onderwijzer vertegenwoordigt hij het kind den persoon van Jezus Christus. Daarom wil positief Christelijke opvoeding niet anders zeggen, dan een opvoeding door iemand, die zich ook in zijn leven openbaart als een Christen, die zelf deelgenoot is van den Christus der Schriften.
Het roepen om den Bijbel op de Openbare School heeft dan ook geen zin, indien die Bijbel niet dient, om het kind bij Jezus te brengen".
(Cursiveering van ons).
Wij zijn het hierin volkomen eens met ds. Westenburg.
Natuurlijk zijn we er blij mee, dat er kentering komt in de geesten ten opzichte van het Bijlbellezen en Bijbelgebruik. Op de Lagere School veroordeelde men het gebruik van den Bijbel. Dat was niets voor kinderen ! Op de M.U.L.O., op de H.B.S., op het Lyceum, het Gymnasium, mocht geen Bijbel komen ! Menschen met gezond verstand hebben dat boek niet noodig. Wij zullen het zelf wel uitzoeken ! „Help u zelf" is de leuze voor denkende menschen ! Dat men in Oude Mannen-en Vrouwentehuizen de Bijbel gebruikt, is tot daaraan toe. Maar bij het onderwljs van jonge menschen is dat niet noodig, zelfs schadelijk en verkeerd. Hoe heeft men bij den militairen dienst niet gelachen om het gebruik van den Bijbel! Men kon een schoen naar z'n hoofd krijgen, als men een Bijbel uit z'n kist van onder 't ledikant haalde. En als men bad vóór de maaltijd, werd intusschen het bord stilletjes wèg gehaald, om te plagen. Overal in publieken dienst was de Bijbel contrabande. Wat waren onze jonge menschen — en ook ouderen — niet voortdurend in gevaar, om maar los te laten wat toch onmisbaar is ; om het heilige te verloochenen ; om zich voor z'n geloof en z'n belijdenis te schamen.
En wanneer dan nu in steeds breeder kring onder vrijzinnigen (die zoo graag zeiden : verknoei de politiek, verknoei het onderwijs enz. niet met uw bijbelteksten) in toenemende mate de beteekenis van den Bijbel gevoeld en de waardij van de Heilige Schrift toegegeven wordt en zijn gebruik aanbevolen wordt, dan kan dat niet anders dan ons verheugen en het kan voor jongeren — en ook voor ouderen — tot een rijken zegen zijn.
Terugkeer tot den Bijbel is verblijdend. Maar waarom vraagt men naar den Bijbel ?
„Gebrekkige Bijbelkennis, een leemte in de ontwikkeling der beschaafde kringen", was de titel van een brochure, geschreven door dr. N. J. Singels, rector van het Stedelijk Gymnasium te Utrecht, 1909. (Levensvragen. Serie IV, no. 2. Hollandia-drukkerij, Baarn). In een vergadering van de Vereeniging van leeraren aan Nederlandsche Gymnasia (29 Juni 1909 te Gouda), was over dit onderwerp gesproken. En hoewel dr. Singels moest zeggen : „ik stel mij niet voor, afdoende hulpmiddelen te kunnen aanwijzen om het kwaad te stuiten", terwijl hij ook niet geloofde, dat er onmiddelijk maatregelen tegen dit euvel zouden kunnen worden toegepast, stemde hij toch toe zijn lezing uit te geven. „Het wijzen op het kwaad, het erkennen van het bestaan er van, moet reeds eenigen invloed uitoefenen", schrijft hij ter inleiding van zijn boekje. „Wat ik bedoel" — zoo schrijft dr. Singels —: „het is de schandelijke, nagenoeg absolute onwetendheid van het tegenwoordige, jongere geslacht omtrent den Bijbel, Bijbelsche uitdrukkingen en de zoogenaamde Bijbelsche geschiedenis. Het is een onwetendheid, die wij niet alleen aantreffen bij de leerlingen der Gymnasia, bij die der H.B.S., bij tal van jonge lieden, maar ook bij vele ouderen uit de z.g.n. betere, meer ontwikkelde kringen ; niet minder ook bij hen, die zich aanmelden voor het afleggen van allerlei examens, met name voor 't lager onderwijs". En „moeten wij niet met bezorgdheid de toekomst tegemoet zien en vreezen, dat de toestand nóg verergeren zal, zoo dat mogelijk is ? " „Ik stel hier op den voorgrond, dat ik de zaak, wensch te beschouwen geheel uit het oogpunt van beschaving en ontwikkeling", dus een cultureele kwestie.
Dr. Singels geeft dan enkele voorbeelden van algeheele onkunde met den Bijbel en de Bijbelsche geschiedenis.
„Is het niet bedroevend, dat een z.g.n. beschaafd mensch (het is een historisch feit!) op de vraag, wat Gethsémané is, in vollen ernst ten antwoord gaf : een Karthaagsche vesting ? Wat te denken van twee keurig gekleede, naar het uiterlijk hoogst beschaafde heeren, nog jonge menschen, die voor een plaatwinkel staan te lachen naar een gravure met het onderschrift „Golgotha", en van welke de een tot den ander zegt: „Wie was dat toch, Golgotha ? " en de ander antwoordt: „Ik weet het niet ? " Is dat misdadige aanstellerij of gruwelijke onwetendheid ? Ontwikkelde jongelieden van het Gymnasium wisten noch de geschiedenis van Noach, noch die van Absalom, noch die van Saul en David, of van Kaïn en Abel. Ze wisten niet wat uitdrukkingen als deze beteekenen noch waaraan ze ontleend zijn : „ik wasch mijne handen in onschuld" ; „ik ben niet waard uw zoon genaamd te worden". Mannen van gevestigde positie reeds, wisten niet wat eigenlijk op den Goeden Vrijdag wordt herdacht, wat het Pinksterfeest beteekent. Wie der jonge menschen kent nog de Tien Geboden ? Wie kent de Bijbelboeken en weet dus den weg in den Bijbel ? Wie kent de Zaligsprekingen, wie de namen van Jezus' Apostelen ? "
„Ik ben niet van plan u lang te vermoeien met talrijke staaltjes van dergelijke verregaande onwetendheid. Toch moet ik er eenige bedroevende mededeelen. Het zijn staaltjes, niet alle door mij persoonlijk ontmoet, maar alle werkelijk gebeurd. De eerst te noemen bevindingen, hier aan te halen, werden opgedaan aan de examentafel, aan welke de candidaten (voor het lager onderwijs) werden geëxamineerd, candidaten dus, die na eenigen tijd de hun toevertrouwde kinderen zouden moeten opleiden tot christelijke en maatschappelijke deugden, menschen, bij wie men beschaving en algemeene ontwikkeling kan en mag verwachten, menschen van wie een invloed ten goede zal moeten uitgaan.
Een aspirant moest lezen en toonen het geleezene te begrijpen."Er" was gekozen uit de Trouringh van de Veer, dat stukje waarin sprake is van den zoon van den Rector van het Gymnasium, die Salomo heette en die voorbeschikt was knap te worden. Gevraagd werd : wat dat met Salomo te maken had ? Wie was Salomo? „Een philosoof". — „Dat kan" , Waar woonde hij ? " „Te Athene". — „Dat is mis". Neen, ik vergis me ook. In Egypte". „Een philosoof in Egypte ; is dat wel juist ? " „Neen, Salomo was 'n koningszoon". „Dat is waar ; maar weet ge nog iets meer van hem ? Wel eens gehoord van Salome's eerste recht ? " „Neen". „Wel eens gehoord van David, Saul, Mozes ? " — „Nooit van gehoord".
Er werd gelezen van „zich kruisigen" en „kruisigen". Het onderscheid was niet bekend. De candidaat wist, dat een zekere Jezus gekruisigd was. De examinator vroeg : „wie gaf bevel dat hét vonnis van Jezus ten uitvoer werd gelegd ? " Na eenig nadenken kwam 't antwoord : „Judas". Toen er verbaasd werd gevraagd: „Wat ? Judas ? " kwam er na een kort aarzelen : „neen, ik geloof die heit 'm verrajen, ik weet 't niet goed". En toen gevraagd werd: „Zijt ge nooit op een catechisatie geweest ? ", luidde 't antwoord : „ja, maar wij bleven veelal weg".
Nog enkele andere staaltjes.
„De Arke des Verbonds was het vaartuig, waarin door Noach al de beesten werden bijeengebracht. Simson was een hoofdwoordvoerder in de Fransche revolutie. „Den ouden Adam" afleggen, was een uitdrukking, waarvan men „nooit had gehoord" ; onbegrepen dus. Aartsvaders: onbekend. „Misschien wel afgeleid van aartsbisschop". „Egyptische duisternis", nooit van gehoord. „Maccabeën" waren „torren of kevers bij de Egyptenaren als heilig ieschouwd". Babylonische ballingschap — onbekend (één van de candidaten had wel eens gehoord., dat de Pausen in Babylonische ballingschap waren geweest). „Heer der heirscharen", uitdrukking onbekend; eveneens apostel, tabernakel. „Boetvaardige Magdalena" moest een zondige Fransche koningin zijn, die een boottocht naar Jeruzalem deed, bij één der kruistochten. „Kruisvinding", de bouw van de Roomsche kerken. Wie was de voorlooper van Jezus ? „Marcus". De uitdrukking : „heden Hosanna", morgen „Kruis Hem", onbekend. „Ter elfder ure" onbekend, dat het een gezegde is, genomen uit de gelijkenis van de arbeiders in den wijngaard. Ook de verklaring was onbekend.
„Simonie" werd verklaard als aanhanger te zijn van de leer van St. Simon in den Franschen revolutie-tijd.
Van „gelijkenissen" had één candidaat nooit gehoord. Slechts zelden wisten eenige candidaten gelijkenissen te vertellen of zelfs te noemen. Enkelen dachten, dat men „stelkundige vergelijkingen", evenredigheden, bedoelde.
Profane en gewijde geschiedenissen wist men veelal niet te onderscheiden. Een „Uria's brief" werd niet begrepen, ofschoon Davids en Bath-seba's geschiedenis toch wel bekend mag verondersteld worden. Eén der candidaten dacht blijkbaar aan Uriah Heeb, uit een roman van Dickens en dacht, dat het een toespeling was op dien valschen, rooden man.
De beteekenis van „zondebok" te begrijpen is niet ieder gegeven ; maar één maakte er van een bok of ram, die op Zondag aan een feestmaal geslacht en gegeten werd. Van „Groote Verzoendag" maakte er één : de trouwdag bij de Joden. Het „Gouden Kalf" zou een beeld in Egypte zijn, waarin menschen levend werden opgesloten en geroosterd door de daaronder gestookte vlammen. „De wonderbare vischvangst" beteekende: het vangen van de visch, die den in zee geworpen ring van Polycrates aan den eigenaar terugbracht. „Golgotha" had volgens een candidaat iets te maken met den Groot-Mogol in Engelsch Indië. De „Emmaüsgangers" stonden volgens een gymnasiast in verband met den zwijnenhoeder Emmaeus in de Odyssee. „Simson" of „Samson"  was de ruwe schoenmaker, aan wien de bewaking van Maria Antoinette was toevertrouwd. Dat Nazareth en Bethlehem niet werden gekend als woonplaats en geboorteplaats van Jezus, mag schandelijk genoemd worden, maar dat zij plaatsen heetten te zijn, waar gebeurtenissen uit de kruistochten zich afspeelden, is toch wel wat al te erg.
Dat Bethlehem's stal en Daniel's leeuwenkuil, Simson's haardos, Jacob's ladder, Jona in den walvisch en Bileam's ezel volmaakt onbekende dingen zijn aan tal van examen-candidaten, zal hun de zielsrust wel niet benemen, maar zal toch maken dat zij vele plaatsen in de wereldliteratuur als onbegrepen moeten overslaan".
Dr. Singels gaat op dat onderwerp dan nog eenigen tijd door en roemt de schoonheid van den Bijbel met de woorden van Busken Huet in zijn Land van Rembrandt en in zijn Kanselredenen. „Ook om den bijzonderen aard zijner schoonheden is de Bijbel leerzaam. Dit boek is geen kleingeestig aangelegd wandelpark met afgestoken paden, gladgeschoren hagen, kunstmatige beken of watervallen en tam wild : veeleer gelukt het één dier statige eikenwouden, waarin onze voorvaderen hunne offerdiensten vierden, met wegen, ongebaand, doorkruist van schuimende bergstroomen, vol geheimzinnig licht en donker. Ook zweemt de Bijbel naar geen provinciestad van middelbare grootte, wier gezamenlijke merkwaardigheden de vreemdeling op één voormiddag kan bezichtigen, maar veeleer naar eene dier wereldsteden ais het oude Ninevé, dat naar het zeggen van het boek Jona een stad van drie dagreizen was; men komt aan uit den vreemde en is bij het eerste bezoek teleurgesteld; het geheel is niet met één blik te overzien en men had van een overstelpenden indruk gedroomd, doch na een weinig toevens gaan de oogen open, men slaat van verbazing en bewondering de handen ineen, men had niet durven denken, dat op één punt der aarde zoovele schatten van allerhanden aard en vorm konden worden saamgebracht". „Kortom, de schoonheden des Bijbels, doordat zij alle te samen een streng en verheven karakter dragen, noodzaken ons afstand te doen van dien zin voor het alledaagsche, waarin wij door zoovele dingen om ons henen worden opgevoed: en gestijfd van onzen aangeboren wansmaak, van elke onkundige en daardoor misplaatste bewondering". „Van alle boeken heeft dat ééne gedurende de langste reeks van eeuwen het diepst en gevoeligst ingegrepen in het leven der ontwikkeldste volkeren. Jeruzalem is gevallen, Israël ia verstrooid, wereldmonarchieën zijn voorbij gegaan, steden en staten werden omgekeerd, scholen gesloten en door andere vervangen, tempels brokkelden tot puin : de Bijbel is gebleven : eene omstandigheid, die bewijst — neen, een stem. van God, die ons vermaant en smeekt toch niet aan te zien hetgeen voor oogen is, ons niet te laten vangen en bedriegen door den schijn, ons vertrouwen niet te stellen op bet uitwendige, onze vooroordeelen vrijwillig en gehoorzaam prijs te geven en ter wille van den vrede van ons gemoed en van de zaligheid onzer ziel te grijpen naar de werkelijkheden des levens". „Met deze Schriften dan en hunne vertroosting; met de schare der edelsten van ons geslacht, de bloem en den adel der menschheid, staren wij onverschrokken den dood in het aangezicht en hopen. Alle jaargetijden drijven den spot met onze lijdzaamheid ; alle kerkhoven grijnzen ons minachtend aan ; de wetenschap haalt bedenkelijk de schouders op en schudt het hoofd over onzen euvelmoed. Doch wij met ééne hand op bet hart, de andere op den Bijbel, zeggen met Luther op den Rijksdag : Hier staan wij, wij kunnen niet anders, God helpe ons, Amen !"
Gewezen wordt dan voorts op de Nederlandsche litteratuur, waarvan men niet kan genieten zonder bijbelkennis. Hoe zal men genieten van Marnix' Bijenkorf, van Vondels Lucifer en Jephta, van de reien uit den Gijsbrecht; hoe van Da Costa's poëzie, die overvloeit van kernachtige bijbelsche termen, hoe ook van Jan Luykem en Ten Kate, hoe van de Génestet, hoe zal men Multatuli kunnen volgen in zijn bestrijding van godsdienst en Kerk, waarbij zooveel wordt aangehaald uit den Bijbel ? Nederlandsche kunst (en niet de Nederlandsche alléén), Rembrandt's doeken, zijn etsen en teekeningen, ze blijven een met zeven zegelen gesloten boek voor hem, die van de Bijbelsche geschiedenis niet op de hoogte is. Bij Rembrandt telt men 39 schilderijen met onderwerpen, ontleend aan het Oude Testament; 75 aan het Nieuwe Testament; 19 etsen naar het Oude Testament; 56 naar het N. Testament.
Om te doen zien hoe veelvuldig de kunst naar de Bijbelsche geschiedenis greep, om er onderwerpen voor baar werk uit te putten, diene dat in het Rijksmuseum. 162 schilderstukken met Bijbelsche onderwerpen zijn (van de 2747 nummers, dus 6%) ; in het Museum Boymans 22 van de 432 (5%) ; in het Mauritshuis 54 van de 598 (10%). En in de Goudsche kerk stellen van de geschilderde glazen der gebroeders Crabeth 26 van de 31 tafereelen uit de Bijbelsche geschiedenis voor.
En daartegenover staat dan een groote schare van leeraren, onderwijzers, gymnasiasten, intelleetueelen, geleerden en eenvoudigen, die geheel van den Bijbel vervreemd is !
Wat moet, wat kan daaraan gedaan worden tot verandering en tot verbetering ?
Daarover de volgende week nog een en ander.

[Slot volgt.]

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 april 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 april 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's