De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VERSLAG

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VERSLAG

50 minuten leestijd

van de Jaarvergadering
Donderdag 23 April j.l. mochten we weer In grooten getale samenkomen in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen te Utrecht voor het houden van onze Jaarvergadering.
Te half 11 opende de voorzitter, ds. M. van Grieken, van Rotterdam, de samenkomst met te laten zingen twee verzen van Psalm 25, las daarna Zacharia 1 : 8—17 en ging voor in gebed.
Met een hartelijk woord van welkom begroette hij de vele aanwezigen, die van alle kanten uit ons land waren saamgekomen en sprak vervolgens zijn Openingsrede als volgt:
Geachte Vergadering, Broeders en Zusters,
Het wordt zoo veelvuldig uitgesproken, óok onder ons, dat de tijden boos zijn. En wie zal het tegenspreken. Binnen en buiten de grenzen van ons land zijn er vreeselijke toestanden. Wij gaan U die niet teekenen. Gij weet het wel. En dan zegt de éen aanstonds : ja, wij weten wat er in Abessynië geschiedt, wat de Italianen daar doen in naam van de beschaving ! De ander wijst daarbij op de laffe houding der volkeren, in Volkenbond saam vereenigd, om mee te waken voor het heil der natiën en alle onrecht en gruwel tegen te gaan. Een derde denkt aan Duitschland, waar de Kerk wordt bedreigd en de School in gevaar wordt gebracht, onder 't plengen van wierook voor een mensch, als ware hij God. Een ander noemt Rusland met de godloozen-beweging, die godsdienst opium voor 't volk noemt en het bolsjewistisch gevaar doet komen aan de deur der landen, in Oost en West en Zuid en Noord gelegen.
Ja, de tijden zijn boos. Vreeselijke toestanden heerschen er. Ook binnen onze grenzen. Neemt het aantal van degenen, die van God en Zijn dienst niet willen weten, niet van jaar tot jaar toe en wordt de afval onder ons volk niet dagelijks grooter ? De oververzadigde cultuur legt beslag op allerlei volkskringen, van de hoogste standen tot de eenvoudigsten toe. Nergens is verzadiging. Nooit zegt men : het is genoeg. Het gaat al verder om de zondedienst te zoeken en men toont in meer dan één trek overeenkomst met den verloren zoon, doch aan het Vaderhuis heeft men blijkbaar geen gedachtenis en voelt geen heimwee. Van een roep als déze : „laat ons onze wegen doorzoeken en laat ons wederkeeren tot den Heere", hoort men niet. Forscher wordt de kreet: „laat ons de banden verscheuren en laat ons de touwen van ons werpen. Wij willen niet dat Deze Koning over ons zal zijn !"
We leven in de dagen van Psalm 2.
Maar als we dat zeggen, zeggen we tegelijk, dat er tijden zijn geweest, die met onze moderne tijd te vergelijken zijn; dat er parallellen te trekken zijn met vorige eeuwen, 't Is niet zóó, dat het nu voor 't eerst zoo is. En nog andere dan de dagen van Psalm 2 zijn ter vergelijking te noemen. Lezen we in de Schrift niet van de dagen van Noach ? En lezen we daarna niet van de dagen van Israël, onder de regeering van booze, goddelooze vorsten ? Lezen we niet van schirikkelijke afval in den tempel, In de gezinnen, in de maatschappij, nationaal en internationaal? Lezen we niet van weeldezucht, zingenot, zedelijke ontaarding, uitingen van zondelust en voorbeelden van gruwelbedrijf, waarbij ons harte beeft ?
Neen, men moet de heilige historie, waar God Zijn gangen Mest en Zijn voetstappen zet, niet aflezen van scheurkalenderblaadjes. Men moet den Bijbel niet inwisselen voor een dagboek, welk ook. God heeft ons Zijn Woord gegeven, opdat we de Schriften zelve zouden onderzoeken. En die de geschiedenis leest bij Mozes en de profeten, komt onder den diepen indruk, dat de eeuwige God, de eeuwige Vader van onzen Heere Jezus Christus, de eeuwen door van doen heeft met menschenkinderen, die Hem haten en dat het volk Zijner liefde, naar Zijn eeuwig welbehagen uitverkoren ten leven, als het er op aan komt, uit en van zich zelf in geen enkel opzicht beter is dan de groote wereld; die heind en ver het lied van vijandschap en haat doet hooren, waarvan het refrein altijd weer is : „wij redden liet zonder God ook wel".
De tijd der Oude Bedeeling reikt in deze de dagen die na Christus worden geteld de hand, Achabs dagen en de jaren van de Middeleeuwen verschillen niet zoo veel. Humanisme en cultuurreligie zijn niet eerst in den nieuwen tijd ontstaan. Wat der profeten wijzen mond ons leert zegt ons, dat het vroeger niet anders was dan nu. En de komende jaren zullen niet veel verschillen van de vorige. Wanneer zijn er geen oorlogen geweest ? Wanneer was de godlooze beweging zonder actie en zonder expansie ?
Nu is er één groote troost. De genade Gods overkoepelt alles, zelfs de zon getuigt er van als zij opgaat over boozen en goeden en de regendroppels zingen daarvan een lied als ze nederdalen op rechtvaardigen en die het recht verkrachten, hun dagen doorbrengend met God te haten en hun naaste schade te berokkenen.
't Moest anders zijn op aarde, 't Moest hier beneden zijn, zooals het Boven is, waar de Engelen den Heere dienen en de gezaligden God liefhebben. En met een heilige jaloerschheid slaat Gods Gemeente, als zij welgesteld, is, hare oogen op naar de stad die Boven is en bidt: „Onze Vader, die in den hemel zijt. Uw naam worde geheiligd. Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede", vragend in geloof en hoop en liefde dat Gods wil geschieden mag hier op aarde door alle menschen, gelijk de Engelen in den hemel Zijn bevelen doen en Hem gehoorzamen op Zijn wenken. (Catech. Zondag 49).
't Moest anders zijn. Maar Paulus schrijft: dat allen tezamen zijn afgeweken. En als hij het leven der volkeren teekent, zooals hij zelf dat leven had gezien, dan hangt de groote heidenapostel een schilderij ons op, waar de vreeselijkste dingen zijn te zien : de meest goddelooze, de meest onnatuurlijke, de schandelijkste, de gruwelijkste, waarbij het ons niet kan verbazen, dat de oude cultuurvolken zijn ondergegaan in een poel van gruwel, waarbij het einde is de eeuwige dood. „Want de toorn Gods wordt geopenbaard van den hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid der menschen, als die de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden". „Daarom heeft ze God overgegeven in de begeerlijkheden hunner harten tot onreinheid, om hunne lichamen onder elkander te onteeren, als die de waarheid Gods veranderd hebben in de leugen ; vervuld zijnde met alle ongerechtigheid, hoererij, boosheid, gierigheid, kwaadheid, vol van nijdigheid, moord, twist, bedrog, kwaadaardigheid, oorblazers, achterklappers, haters van God, smaders, hoovaardigen, vinders van kwade duigen, onverstandigen, verbondbrekers, zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijken, onbarmhartigen, die niet alleen zulke dingen doen, maar ook mede een welgevallen hebben in degenen die ze doen." Hunne keel is een geopend graf, met hunne tongen plegen zij bedrog; slangenvenijn is onder hunne lippen, welker mond vol is van vervloeking en bitterheid, hunne voeten zijn snel om bloed te vergieten, vernieling en ellendigheid is in hunne wegen en den weg des vredes hebben zij niet gekend; daar is geen vreeze Gods voor hunne oogen".
Zoo teekent Paulus het leven, het wereldleven in zijn dagen. Maar — let er eens op — hij doet het met woorden uit zijn Psalmboek. Dat was vroeger door de Godsmannen der Oude Bedeeling ook uitgeklaagd. En die Jesaja 1 en 2 en 3 legt naast Bom. 1 en 2 en 3 hoort dezelfde klacht uit een verslagen hart, dat wegkrimpt bij het aanschouwen van een zondig volk, een volk van zware ongerechtigheid, zaad der boosdoeners, vol van verdervende kinderen. En het wordt als uitgescheurd uit het hart, dat weet wat benauwdheid en droefenis is: Het gansche hoofd is krank, en het gansche hart is mat, van de voetzool af tot het hoofd toe is er niets geheels aan hetzelve, maar wonden en striemen en etterbuilen, die niet uitgedrukt noch verbonden zijn, en geene derzelve is met olie verzacht. Uw aardrijk is eene verwoesting, uwe steden zijn met vuur verbrand, uw land, dat verteren de vreemden in uwe tegenwoordigheid en eene verwoesting is er, als eene omkeering door de vreemden. En de dochter Sions is over gebleven als een hutje in den wijngaard, als een nachthutje, in den komkommerhof, als eene belegerde stad".
Dat is het maaksel dat de geschiedenis ons doet zien, het geslacht der menschenkinderen uit de dagen van Kaïn, toen Lamech pochte en snoefde, toen de eerste wereld zich een roes dronk, toen Sodom en Gomorra de hel binnenhaalde, toen Izebel Achab en Israël tot een booze geest werd, toen koningen hun zonen door 't vuur lieten gaan, toen Israël in ballingschap ging, toen Beltzazar zich dronken dronk, toen aan het Perzische hof geïntrigeerd werd, toen Jeruzalem herbouwd werd, toen de Heiland op aarde wandelde, toen Paulus te land en ter zee reisde, toen de keizers het bloed der christenen dronken als honden, toen in de Middeleeuwen gruwel zich aan gruwel rijgde, toen de Revolutie uitbrak als een rijpe zweer, toen — toen 1914 kwam, toen 1936 z'n intree deed.
Broeders en Zusters, vrienden van onzen Gereformeerden Bond, waartoe zijn we hier gekomen?
Als iemand denkt: het is hier een klaaghuis dat van klachten vol is, en anders niets — die heeft het mis.
Voor oppervlakkige optimisten, voor zonaanbidders, voor allen die vleesch tot hun arm willen stellen hebben wij geen enkel goed woord tot vertroosting, dat is waar. Hoort des Heeren Woord. De dag der wrake is aanstaande.
Maar voor degenen die der menschen wegen gadeslaan en van het schepsel hun harte mogen aftrekken om op den Heere hun hope te stellen hebben we woorden van goede boodschap en een blijde tijding.
We denken aan den profeet Jeremia. Is hij niet de man, die ellende gezien heeft ? Is hij niet de man van de Klaagliederen ?
En zooals we in jubileerende psalmen soms bange klachten aantreffen en een roep : o God ! wees ons genadig --zoo spreekt niet alleen Paulus tusschen vervolging en geeselslagen, tusschen haat en vijandschap tegen het kruis, tusschen ongehoorzaamheid en afval door, opvallend dikwijls van blijdschap, maar ook Jeremia, bij de puinhoopen van Jeruzalem zittend, zingt een lied, het bekende lied : Het zijn de goedertierenheden des Heeren, dat wij niet vernield zijn, dat Zijne barmhartigheden geen einde hebben. Zij zijn allen morgen nieuw. Uw trouw is groot. De Heere is mijn deel, zegt mijne ziel, daarom zal ik op Hem hopen. De Heere is goed dengenen, die Hem verwachten, der ziele, die Hem zoekt. Het is goed, dat men hope, en stille zij op het heil des Heeren". KI. 3 : 21-26.
Het volk zucht in ballingschap. Jeruzalem is verwoest. Israël is gevangen en ingesloten, terwijl de heidenen spottend vragen : waar is nu uw God ?
Dan gaat het oog van den profeet omhoog en zijn hart wordt met ootmoed vervuld. En hij roept het uit: Wij hadden nog veel ergers verdiend, o God. Gij straft ons wel, maar naar onze zonden niet". En hij zegt: dat zal ik ter harte nemen. Het zijn de goedertierenheden des Heeren, dat wij niet vernield zijn. De Heere is mijn deel, zegt mijne ziel, daarom zal ik op Hem ho­pen. „'k Zal nauwkeurig op Uw werken en derzelver uitkomst merken; en in plaats van bitt're Klacht, daarvan spreken dag en nacht".
Er is nog van iets anders te spreken, dan van allerlei zonde en gruwel, van afval en schande. „Vergeet niet één van Zijn weldadigheden, vergeet ze niet, 't is God die ze u bewees". Neen, laat ons niet met Israël in Babel zeggen : „de Heere heeft mij verlaten ; mijn weg is voor den Heere verborgen en mijn recht gaat van mijn God voorbij". Maar iaat ons het woord van den profeet ter harte nemen : „Het zijn de goedertierenheden des Heeren, dat wij niet vernield zijn, dat Zijne barmhartigheden geen einde hebben." „Het is goed, dat men hope en stille zij op het heil des Heeren".
Het heil des Heeren. Vanwaar zal dat komen ?
Bij Ezechiël lezen we een geweldig woord; en wel in het 14de hoofdstuk. Daar staat: „Menschenkind, als een land tegen Mij gezondigd zal hebben, zwaarlijk overtredende, zoo zal Ik mijne hand daartegen uitstrekken, en zal het zelve den staf des broods breken, en een honger daarin zenden, dat Ik daaruit menschen en beesten uitroeie." En dan volgt, wat wij bedoelen. „Al waren deze drie mannen, Noach, Daniël en Job In het midden deszelven lands, zij zouden om hunner gerechtigheid wille alleen hunne ziel bevrijden. Zoo waarachtig als Ik leef, spreekt de Heere HEERE zonen en dochteren des lands zouden zij niet kunnen bevrijden, zij zelven alléén zouden bevrijd worden, maar het land zou woest worden" (vers 16).
Wat is de beteekenis daarvan ?
Een oude en veel gebruikte spreekwijze is : dat de kinderen Gods als de kurken zijn, waarop land en volk drijven. En de Heilige Schrift toont, hoe menigmaal de Heere om der uitverkorenen wil Zijn oordeelen matigde of verkorte of uitstelde. Abraham, Mozes, Elia, Samuel zijn ten bewijs. Toch zij men voorzichtig. Want de Heere geeft Zijn eer nooit aan het schepsel. En als onze redeneeringen den kant uitgaan van het schepsel en "Wij zouden gaan roemen in het vleesch of zouden gaan roepen : „Des Heeren tempel zijn deze", dan slaat de Heere dit alles als valsch vertrouwen wèg en bij Ezechiël komt Hij zeggen, dat als Noach, Daniël en Job in het midden van het volk waren zij wel persoonlijk hunne ziel zouden bevrijden vanwege de gerechtigheid, welke zij van den Heere ontvangen hadden, maar dat zij niet bij machte zouden zijn om ook maar één ziel te behouden of het oordeel Gods af te wenden. Met een eedzwering bevestigt de Heere dat. Zóó ernstig, zoo zeer van belang is het. Zóó zeer zullen wij het ter harte moeten nemen !
Wat kan ons dan tot hulpe zijn ? Wat kan ons dan doen hopen ? Wij eindigen met 't geen waar mee we begonnen zijn.
Een ander profeet vraagt onze aandacht. Een andere Godsspraak streelt ons oor en ons hart.
Zacharia is de boodschapper van goede tijding nu.
Gods Kerk is in grooten nood. Roode, bruine, witte paarden trekken uit.
Overweldigende machten van heidensche volkeren bedreigen Israël.
Dan worden we heengeleid naar een mirtenboschje in de diepte.
De machtige wereldrijken liggen op de hoogten der aarde.
Maar de Kerk des Heeren is geplant in de laagte.
In het oog der wereld en der volkeren heeft Gods Kerk geene gedaante noch heerlijkheid. En de machten trekken uit om te vernielen en te verderven.
Maar de Heere maakt straks van het mirtenblad een onverwelkelijke krans voor bruid en Bruidegom. De vijanden zullen niet bij machte zijn om dit werk Gods te verijdelen.
Waarom niet ?
Ziet gij tusschen de mirten dien Ruiter ? Dat is de Heere. Dat is Jezus Christus. De Wachter Israels. De sterke Held. De Koning van Sion, die bewijst in het midden Zijns volks te willen wonen, ook in duren tijd, vol angst en zorgen.
Als Hij nu maar tot ons spreken mag : „Ik ben de Vorst van het heir des Heeren en Ik ben nu gekomen", dan kan ons dat troosten en sterken. Wij hebben Hem noodig, bij Wien de Heere hulpe besteld heeft. En deze Christus is ook óns gepredikt als Degene, die krachtiglijk bewezen is Gods Zoon te zijn, door de opstanding uit de dooden.
Zegge Hij ook in ónze dagen en in het midden van onzen Gereformeerden Bond : „Ik ben tot Jeruzalem wedergekeerd met ontfermingen" (Zacharia 1 vers 16), dan zal het goed zijn ! Ik heb gezegd.
Daarna gaf hij het woord aan ds. Woelderink, die zijn referaat hield

DE GEESTELIJKE NOOD VAN DEZEN TIJD.
De nood van onzen tijd is algemeen, doet zich gevoelen op alle levensterrein en onder alle volkeren. Deze algemeenheid van den nood, die niet alleen het economisch leven verstoort, maar ook het maatschappelijk en politiek, het zedelijk en godsdienstig levensterrein doet wankelen op zijn grondslagen, wijst op een in het geestelijk leven van den mensch wortelenden oorsprong.
Op twee symptomen van den algemeenen nood wil spreker in het bizonder wijzen. Ten eerste op het gebrek aan eenheid en samenbinding, op de versplintering en ontbinding, die op alle levensterrein gezien wordt, en ten tweede op de onzekerheid, die zich van de huidige menschheid heeft meester gemaakt in tegenstelling met de zekerheid, waarmede men in de vorige eeuw de ontwikkeling der dingen en de toekomst tegemoet zag.
De versplintering en ontbinding, die alle eenheid te niet doet, wordt aangewezen op het terrein van de wetenschap, in het bijzonder op het gebied der theologie; op maatschappelijk terrein; op het gebied der politiek, waar de verscheuring de laatste tijd wel bizonder tastbaar is, en tenslotte op kerkelijk terrein, waar de verscheuring doorgaat tot in het oneindige.
De onzekerheid verschijnt ons op economisch gebied, op het terrein der internationale vragen en bizonder zeer pijnlijk op het gebied der wetenschap, waar als onvast wordt aangewezen, wat enkele tientallen jaren geleden als gansch zeker was beschouwd en waarop men zelfs zijn wereldbeschouwing als iets onwankelbaars had gebouwd. Op theologisch en godsdienstig gebied is de onzekerheid niet minder heerschende.
De algemeenheid dezer symptomen wijst op een gemeenschappelijken wortel en deze ligt in de beginselen der heidensche wijsbegeerte, die door de Hervormers niet langer geduld als nederige dienstmaagd en ontslagen tot zelfstandige ontwikkeling kwam en naar invloed op het leven staande het leven trachtte te ontkerstenen. Doorsnijdende de band tusschen schepping en Schepper, kon zij de eenheid niet handhaven en tevergeefs heeft men beproefd in de veelheid de eenheid te organiseeren. En evenals de verscheuring, moet ook de onzekerheid op haar rekening gesteld worden, wijl men tot zekerheid wilde komen met verloochening van de zekerheid, die ligt in Gods geopenbaarde Woord.
In de verscheuring en onzekerheid, die het leven teisteren, kan niemand rusten. Daarom zien wij menige poging om deze te boven te komen met voorbijgang van den wortel der kwaal. Op politiek terrein is het nationaal-socialisme een grootsche poging om de verbroken volkseenheid met kracht en geweld te herstellen ; op kerkelijk terrein is de oecumenische beweging een poging om de kerken, die uiteengeslagen liggen, te verbinden, terwijl men aan de verscheuring der nationale Kerk voorbijloopt. Op theologisch gebied is de theologie van Barth een eigenaardige poging om de onzekerheid, die het subjectivisme der vorige eeuw gebracht heeft, te overwinnen, maar de zekerheid van Gods Woord, waarvoor zij opkomt, en de zekerheid des geloofs, daaruit voortkomende, is een andere dan die de Hervormers in kinderlijk geloof aan het geschreven Woord gesterkt heeft tot hun taak.
Wij moeten terug naar God en Zijn Woord, dien wij verlaten hebben. De zonde verscheurt en baart immer onzekerheid; Gods genade is de eenige saambindende kracht in deze wereld en wijl deze kracht in Zijn Kerk tot openbaring komt, behoort zij de leiding te hebben in het herstel. Maar dat de huidige nood ook de Kerk heeft aangetast, doet zien dat die nood voor een groot deel gelegen is in de krachteloosheid en ontrouw der Kerk.
Zoo verschijnt in den huldigen nood het kerkelijk vraagstuk als van de grootste beteekenis. Zonder bekeering en herstel der Christelijke Kerk is geen redding uit den nood te verwachten. Dit legt op ieder deel der verscheurde Kerk een bizonder verantwoordelijke taak, n.l. niet om de zonden van een ander deel aan te wijzen en zich zelf te rechtvaardigen, maar om van eigen zonden zich te reinigen en getrouw te zijn, waarbij de liefde tot Gods eer en tot het heil der gansche Christelijke Kerk elkaar in het evenwicht moet houden.
In verband daarmede zal het doel, dat de Gereformeerde Bond zich stelt, verbreiding en verdediging van de Waarheid in de Hervormde Kerk, niet als einddoel mogen worden genomen. Als de Waarheid werkelijk verbreid wordt en opnieuw tot heerschappij komt, zal als vanzelf een reformatorische actie daaruit geboren worden. Als deze uitblijft, is het werk van den Bond vruchteloos geweest.
De voorzitter bracht zijn hartelijken dank aan ds. Woelderink voor zijn keurige referaat, waarin in zoo een kort bestek zooveel schoone, aangrijpende dingen zijn gezegd.
Ds. Van Grieken gaf nu gelegenheid om den spreker over het referaat nog vragen te stellen. Ds. Lammerink, van Delft, zou willen, dat er meer gelegenheden werden geschapen om de vraagstukken van Kerk en Staat onder de oogen te zien.
Hierop antwoordde ds. Woelderink, dat de Kerkeraadsvergaderingen in de eerste plaats een geschikte gelegenheid daarvoor bieden.
De heer de Bruin, van Hazerswoude, zou willen, dat er meer gewaarschuwd was tegen „Kerkherstel" en „Kerkopbouw" waarop ds.Woelderink antwoordde, dat de Ethischen 20 jaar geleden bij het aan de orde stellen van het kerkelijk vraagstuk steeds hebben geroepen: Rust, rust. , Nu zijn ook de Ethischen verontrust. Dat ook de Ethischen de knellende banden van. de Organisatie beginnen te gevoelen, verblijdt den spreker. Meer heeft hij niet bedoeld.
Ds. Van Dorp, van Den Haag, heeft ook grooten lof voor het referaat, maar het heeft hem toch wel wat neergeslagen. Hij had liever nog meer gehoord van de blijdschap van de opstanding uit den dood, waarover Paschen ons pas gesproken heeft.
Ds. Woelderink wijst er op, dat ook de profeten vaak in sombere toonaard gesproken hebben. Velen zeggen wel, dat God Zijn Kerk niet verlaat, maar daarmede is niet gezegd, dat God niet de Ned. Hervormde Kerk zal verlaten. De Noord-Afrikaansche Kerk is ook wel overgegaan in handen der Mohammedanen. Ernstige verootmoediging is noodig.
Ben vraag van den heer Neuings, uit Dordrecht, over „Kerkopbouw", wordt beantwoord in denzelfden geest als boven de vraag van den heer de Bruin.
Nadat gezongen was Psalm 103 vers 9, ging ds. Woelderink voor in dankgebed. Plm. 1 uur werd de vergadering gesloten.

Middagvergadering.
De middagvergadering werd om 2 uur geopend. Psalm 121 vers 1 werd gezongen. Ds. Batelaan ging voor in gebed.
Daarna bracht ds. Timmer verslag uit van de werkzaamheden van het Hoofdbestuur over 1935.

Geachte Leden van onzen Bond!
Op mij als secretaris rust de aangename taak om u een verslag te geven over het werk van den Bond in het jaar 1935. Er is door het Hoofdbestuur zeven maal vergaderd. Als we in aanmerking nemen dat er op den laatsten dag van het vorige vereenigingsjaar ook nog vergaderd is, dan komen we weer aan hetzelfde getal vergaderingen als vroeger.
In het Hoofdbestuur kwam verandering door het bedanken van den heer Kruysbergen, te Barneveld, in wiens vacature heden moet worden voorzien. Op de vergaderingen van het Hoofdbestuur heerschte een aangename toon en was een hartelijke samenwerking te bespeuren.
Op het terrein van de practische kerkelijke politiek was dit jaar niets te bereiken. Ons getal is ook, helaas, zoo klein. En de eigenaardige manier van vertegenwoordiging in onze Kerk maakt, dat er maar zelden één lid van den Gereformeerden Bond in de Synode komt. Ook het aantal plaatsen in de Provinciale Kerkbesturen, waarover we hebben te beschikken, is verbazend gering. Eigenlijk zijn we op het o ogenblik met machteloosheid geslagen.
Toch zijn er nog menschen, die meenen, dat er geen vrouwenkiesrecht en geen Raad van Beheer meer zou wezen, als het Hoofdbestuur maar op zijn post stond. De nuchtere werkelijkheid is deze, dat er momenteel niets aan te verhelpen is. Als alle Bondspredikanten en al degenen, die er maar eenigszins bij zouden gerekend kunnen worden, vandaag hun stem zouden verheffen tegen de Synodale Organisatie, dan bleef alles nóg zooals het al meer dan een eeuw is.
Het Hoofdbestuur was van meening, dat we in ons isolement onze kracht moesten zoeken. Noch met „Kerkherstel" noch met „Kerkopbouw" was er eenig contact. Over deze houding heerschte de grootste eenstemmigheid.
Een verblijdend teeken was het, dat er weer vele roepende gemeenten met een jongen dominé werden verblijd. Alle candidaten van Gereformeerde beginselen werden beroepen. Jammer, dat er nog zoovele gemeenten herderloos bleven, die tevergeefs hebben beroepen.
Van een teveel is naar mijn bescheiden meening geen sprake. We ontvingen in den loop van het jaar nog een ontroerend schrijven van iemand uit Indië, die ons vroeg, waarom zich toch ook geen Gereformeerde predikanten voor Indië beschikbaar wilden stellen. Het antwoord moest helaas luiden, dat we ze niet eens voldoende voor het moederland hebben. Vandaar, dat ook de Studiecommissie zijn werk dit jaar heeft voortgezet. Misschien wel tengevolge van de malaise is het aantal van hen, die zich aanbieden om te worden opgeleid, verbazend groot. Schifting is allernoodzakelijkst.
De Studiecommissie gewaagt met dankbaarheid van de hulp van prof. Visscher en prof. Severijn. Telkens staat de commissie echter weer voor nieuwe moeilijkheden. Dit werk blijft vol moeilijkheden. Het zal wel nooit anders worden. Teleurstellingen zullen hier niet uitblijven.
Enkele predikant-leden hielden op tot onzen Bond te behooren. We noemen hier de namen van ds. L. G. Bruyn, die eenige jaren geleden ook al eens bedankte, daarna vol berouw wederkeerde, maar nu weer heeft bedankt, en ds. J. H. van Schuppen. Voorts ds. J. E. Uitman en ds. L. J. Lammerink. Hoewel zuivering van onze groep allernoodzakelijkst is, moet het ons toch spijten, als er weer een viertal afvallen.
Voorts ontviel ons door den dood ds. N. van der Snoek, die vele jaren lid van het Hoofdbestuur was, en ds. A. Prins en ds. den Oudsten, die meestal trouwe bezoekers van de jaarvergaderingen waren.
Daarentegen sloten verscheidene van de jongeren zich aan bij den Bond.
Wat is het verblijdend, dat er in tal van gemeenten in ons vaderland nog weer wordt geroepen om de oude Waarheid. En daarom moeten we voortgaan om de Waarheid overal te verbreiden. Zeker, ons getal is klein, maar met Gods hulp kan ook een kleine groep groote dingen doen. Maar daartoe is o, zoo noodig, dat we gezamenlijk optrekken. Eendracht maakt macht, maar tweedracht verbreekt kracht.
Prof. Visscher ging voort om zoowel in Utrecht als in Leiden college te houden. Met blijdschap mogen we mededeelen, dat deze colleges veel trouwer dan vroeger worden bezocht.
Door de medewerking van prof. Visscher en ds. Woelderink werd de arbeid van ds. Van Grieken aanzienlijk verlicht en het kwam De Waarheidsvriend zeker ten goede.
Met de oprichting van een landelijke Bond van Evangelisatie op Geref. (Herv.) grondslag, gaf het Hoofdbestuur dit werk over in anderer hand. Moge verdeeling van arbeid de zaak van het Evangelisatiewerk verder bevorderen.
Uit de verschillende Afdeelingen kwamen allerlei vragen in, die door den Secretaris of door het Hoofdbestuur werden beantwoord. Nieuwe Afdeelingen werden opgericht te Noordwijk aan Zee, Apeldoorn, Vaassen en Amstelveen.
Daar de daartoe gestelde termijn bijna verstreken was, heest het Hoofdbestuur opnieuw rechtspersoonlijkheid aangevraagd, welke dan ook opnieuw verkregen is.
Aangezien er haast geen exemplaar meer te verkrijgen was van Calvijn's Institutie, heeft het Hoofdbestuur een 25-tal exemplaren aangekocht bij een Duitschen uitgever, opdat onze studenten Calvijn weer zullen kunnen lezen in de Latijnsche taal.
Dat de Penningmeester op de vergaderingen nogal eens het woord heeft gevoerd, zal u niet behoeven te verwonderen, als we bedenken, dat hij het beheer heeft over zooveel kapitalen en aan de studenten zoovele uitkeeringen heeft te doen.
Nu nog enkele vermeldenswaardige gegevens. In den loop van dit vereenigingsjaar werd de voorzitter bevorderd tot Officier in de Orde van Oranje Nassau, de heer Duymaer van Twist vierde onder groote belangstelling zijn 70sten jaardag, en ds. Woelderink zijn 25-jarig jubileum als predikant.
Thans kom ik aan het eind van mijn verslag, 't Mag wel eindigen met de bede : Heere, doe verzoening over al het zondige en gebrekkige, wat het werk van den Bond heeft aangekleefd.
Trekke de Heere ook in de toekomst Zijn hand niet van ons af !
We leven in bange tijden ! De afval is groot! De Kerk Gods staat in het midden van de branding. Alleen in den terugkeer naar het Kruis is redding. Dat de rijen van hen, die onder de oordeelen zich verootmoedigen, en ook met de zonden onzer Kerk mogen komen voor God, steeds breeder worden.
Verhoore de Heere ook het gebed om de vrijmaking van de Kerk uit de knellende banden van het synodale juk, haar ten onrechte opgelegd. Ik heb gezegd.
TIMMER, Secretaris.
De voorzitter dankt ds. Timmer voor zijn verslag en al zijn arbeid.
Daarna geeft de Penningmeester, ds. Goslinga verslag over de financiën.

Verslag van den Penningmeester over het boekjaar 1934—1935.
De piëteit gebiedt, dat ook wij ditmaal aanvangen met elkander te bepalen bij het verscheiden van een drietal collega's, van wie wij, hoewel de jongste onder hen, het eerst noemen den naam van
ds. N. van der Snoek.
Hij toch was de onmiddellijke voorganger in dezelfde functie van wien hier thans voor u staat. Was de krankheid, die hem ten doode voerde, reeds toen mede de oorzaak, dat hij zijn arbeid voor onzen Bond als Penningmeester moest overgeven in andere handen, zijn heengaan trof ons ten zeerste, en met gevoelens van deernis is ons hart vervuld, inzonderheid omtrent haar, die zoo veel voor hem is geweest en die tegelijk van haar onvergetelijken echtgenoot zelve zooveel steun mocht ontvangen.
Met groote erkentelijkheid jegens God gedenken wij wat hij ook in zijn arbeid aan liefde tot de zaak des Heeren in ons midden heeft getoond. Zijn verscheiden trof ons. Evenzoo heeft het heengaan van de beide andere collega's, die wij ook hier aan deze plaats gedenken, ons niet onbewogen gelaten, n.l.
ds. A. M. den Oudsten, laatstelijk Bedienaar des Woords te Elburg, en ds. A. Prins, laatstelijk Bedienaar des Woords te Neerlangbroek.
Ds. Den Oudsten telde hetzelfde aantal levensjaren en ds. Prins bleef nog een jaar bij ons ten achter. Geen wonder, dat de gedachte ons onmogelijk losliet : „Wat onderscheidt ons ? Is dit aan iets anders toe te schrijven dan aan de sparende goedheid Gods ? Hij was het, Die u staande hield en u kracht verleende om den veelzijdigen arbeid, welken Hij u op de schouderen legde, te verrichten".
Immers zoo wordt inzonderheid dit laatste door ons aangevoeld. Onze arbeid heeft geen andere doelstelling dan in het midden van onze Kerk op te komen voor de eere van Zijnen Naam en tot heil van land en volk, door de Waarheid Gods te verdedigen tegen elke aanval tegen haar gedaan en deze te verbreiden, waar zij tot nu niet werd gevonden.
Als deel uitmakende van het Bestuur van onzen Bond, heeft de Penningmeester naast den arbeid van den Voorzitter en dien van den Secretaris zijn krachten te wijden aan de verre van gemakkelijke taak van verzorging der financiën. Natuurlijk neemt hij een meer bescheiden plaats in. Hij speelt een zeer ondergeschikte rol. Wat hem wordt afgedragen, moet hij bewaren, en wat van hem wordt gevraagd of gevorderd, daarvoor mag hij wegen zoeken om ze te kunnen uitreiken. Natuurlijk is het niet zoo heel gemakkelijk om de juiste omschrijving te vinden voor wat aan dezen arbeid is verbonden. Ik voor mij heb den indruk altijd gekregen, dat deze meer passief is dan actief. Wat kan een .Penningmeester beginnen, als er geen gelden inkomen ?
„Waar niet is, daar verliest de keizer zelfs zijn rechten" — zegt het spreekwoord.
Laat het mij dus zoo nuchter mogelijk zeggen, als God niet de harten beweegt en de koorden van de beurs niet losmaakt, doet de Penningmeester niets, heelemaal niets. Als de Heere niet met ons is, zoo helpt al ons loopen en draven niet met al. Hij moet het doen. Hij alleen.
Vandaar dat bij een jaarverslag als het onze, aller oog hierop zich richte : „Van U zijn onze verwachtingen geweest en wij bidden dat zij dit ook mogen blijven". Als God vóór ons is, wie zal tegen ons .zijn? En als Hij Zijn aangezichte voor ons verbergt, wie zal het dan doen lichten ? God is God, laat ons dit bij voortduring verstaan. Zijn wegen zijn anders dan de onze. Zijn gedachten hooger dan onze gedachten, zegt de profeet.
Maakt de Heere Zijn Woord niet waar alle eeuwen door, dat de wijsheid dezer wereld dwaasheid blijkt te zijn ?
„Het heeft Gode behaagd door de dwaasheid der prediking zalig te maken, die gelooven". Met deze dwaasheid der prediking zullen wij het moeten doen. Zalig, voor wie dit de hoogste wijsheid mag worden.
Ons werk is in wezen — en als dit een ander beeld mocht vertoonen, zoo dient toch op die kern het zoekend oog zich te richten —die wijsheid Gods uit te dragen naar alle kanten. Geen enkele grens wordt hier getrokken.
Onze Bond vorme dat geheel, dat leeft uit de kracht van den levenden Christus, Die over dood en graf heeft getriumpheerd en Die gehoorzaam leert buigen voor het Woord Zijner Majesteit: „predikt het Evangelie aan alle creaturen".
Door Zijn Geest maakt Hij Zijn Naam heerlijk ook in het kleinste en gebrekkigste werk van zondige lieden. Tot beschamens toe maakt Hi.j dat telkens waar, dat wie op Zijn Woord leunt, geen moment behoeft te vreezen. Hij is een verrassend God. Zoo werd het ook gedurende het jaar, dat achter ons ligt, op het duidelijkste ervaren door ons. Het heeft ons aan geen enkel ding ontbroken. Wij konden ons aan het eenmaal door ons gegeven woord houden. Dit zegt op zich zelf reeds meer dan weinig. Niemand beluistere daarin grootspraak of het zich tooien met een pronkend kleed. Neen, verre van dien. Als ik roemen zal, zoo zal ik roemen in den Heere. Hij heeft ons bijgestaan aan alle kanten.
Toch is het niet onmogelijk, dat reeds deze enkele woorden aanleiding zouden geven tot een verkeerde gevolgtrekking. Laat mij om dit feit te voorkomen, aanvangen met het negatieve, met wat wij noemen zullen de schaduwen.
De tijdsomstandigheden, die een vorig jaar al niet heel rooskleurig waren, zijn nog donkerder getint geworden. Hierbij lang stil te staan, biedt geen nut. Dit is van al te groote bekendheid.
Zooals ge lichtelijk begrijpen zult, hebben wij dit niet maar zoo lijdelijk aangezien, zonder enkele maatregelen te treffen, welke ons met het oog op deze dingen noodzakelijk voorkwamen. Zoo hebben wij ons genoodzaakt gezien, evenals bij een vorig jaaroverzicht reeds is meegedeeld, om op onze vaste goederen af te schrijven. Ik noem dit zoo, omdat hier vaste goederen achter staan, n.l. hypotheken. Al hebben die ons voorgingen voorzichtiglijk de gelden geplaatst, toch heeft achteruitgang der waarden ons voor de vraag geplaatst of afschrijving op deze ponden niet geboden was en hebben alzoo aflossingen bedongen. Over vrijwel heel de linie bestond hier tegen geen bezwaar.
Was dit het eerste wat wij deden, nog een maatregel van voorzichtigheid werd daaraan toegevoegd. Op de hypotheken zelf werd afgeschreven tot een bedrag van 7500 gulden.
Dit is, zooals een der zake kundige dadelijk zal begrijpen, een veiligheidsmaatregel, welke meer voor de boeking beteekent dan voor onze kas. Is dit wat wij hebben op te merken omtrent den staat van ons bezit, thans vraagt wat ook op deze lijn zich nog beweegt onze aandacht, n.l. De Waarheidsvriend. Deze behoort ook tot ons bezit. Welke waarde daarin schuilt, is niet met een paar woorden weer te geven, 'k Wou niet graag, dat ik dezen vriend een hand voor atscheid moest geven, 'k Zou niet weten, hoe dan verder te moeten. Wil ik iets aan u mededeelen, dan kan dit geschieden door een persoonlijk gesprek, door op eene vergadering als thans tot u het woord te richten, dit is één mogelijkheid ; maar hoe weinig deze beteekent in vergelijking met een mededeeling in de courant, voelt ieder, die nadenkt. Al zou deze vriend de helft van den prijs opleveren, zoo zou ik dezen niet kunnen missen. Ozze is een van de noodzakelijke dingen. Gelukkig, dat dit door onze menschen ook zoo wordt aangevoeld. Met een nieuwen lezer ben ik dan ook meer verblijd dan met het abonnementsgeld, dat daarvoor binnenkomt. Wanneer er dan ook zijn onder ons, die dit met mij eens zijn, en daaraan twijfel ik niet in het minste, zoo richt ik tot hen het zeer dringende verzoek : Ziet eens rond onder uwe kenissen of gij van één lezer niet twee kunt maken. Geeft uw courant door en zoekt nog eens verder om nog adressen op te kunnen geven. De Uitgever Fortuin, te Maassluis, zal gaarne nieuwe abonné's boeken.
Beteekent De Waarheidsvriend voor mij als Penningmeester, om mijn gedachten uit te spreken niet weinig, daarbij komt nóg iets. Hij laat voor mij ook nog een lichtend spoor achter. Evenals een vorig jaar, heb ik op mijn rekening een batig saldo van ruim 2000 gld. mogen boeken. Ieder lezer draagt alzoo iets bij voor onze kas. Het spreekwoord wordt alhier ook weer bevestigd : vele kleintjes maken één groote.
Om 2000 gulden bij elkaar te krijgen, moet heel wat worden gedaan. Wij zijn er hoogst erkentelijk voor.
Nu komen wij tot die posten, waarvoor ik een anderen naam moet zoeken dan „bezit". Wel schuilen daaronder, die met onze bezittingen nauw samenhangen, doch het geheel draagt een ander karakter. Daar zijn meerdere tusschen zooals collecten en giften, met de busjes, die van enkel weldadigheid getuigenis afleggen.
'k Geloof niet ver buiten de werkelijkheid mij te bewegen, wanneer ik zeg : ge zijt vol belangstelling hoe die verschillende posten er uitzien. Ik zal uw geduld niet op de proef stellen. Alleen wil ik déze opmerking maken, dat niet als vorige jaren de post voorkomt van legaten. Deze bleven thans achterwege. Hieromtrent valt natuurlijk niets te zeggen. Zelfs zou de gedachte kunnen worden geopperd: beter een levende, dan een doode vriend. Een legaat heeft altijd een rouwrand : de vriendenhand reikte uit de laatste gift. Alzoo iets weemoedigs. Doch niettemin, onze lijst van inkomende posten werd hierdoor iets kleiner.
Wat het eindcijfer betreft, is er alle reden tot dank. Welke corporatie geeft nog een batig saldo te zien in onze dagen ?
Natuurlijk dient niet te worden vergeten, dat voor safe-stellen een post voor afschrijving Is uitgetrokken, waardoor het batig saldo niet alleen wegvalt, maar in een nadeelig saldo van ruim 3000.— gulden wordt omgezet.
't Is niet onmogelijk, dat er meer dan éen in ons midden is die, zoo niet luide, toch bij zichzelf de opmerking maakt: dit laatste had ik maar liever niet gezegd, maar voor uzelf gehouden. Toch dimkt mij, zal ieder nuchter meelevend mensch zulk een voorzichtig beheer moeten goed vinden niet alleen, maar toejuichen. Het oud-Hollandsche spreekwoord heeft thans dubbele waarde : voorzichtigheid is de moeder van de porceleinkast.
Ik zal het slot voor een gelegenheid als deze iet of wat wijzigen met het oog op onze zaken. Voorzichtigheid is de moeder van een goed Gereformeerd gezinsleven. Zelfs de schijn van iets te wagen, van de zaken niet zakelijk te beheeren, moet worden ontgaan. Wij leven in een vreeselijk-moeilijke tijd. 'k Heb deze twee toevoegingen, vreeselijk en moeilijk, aan elkander verbonden. Ik zou ze ook ieder afzonderlijk hebben kunnen laten staan, 't Is een vreeselijke tijd en een moeilijke tijd. Over geen van beide behoef ik ook maar in het allerminst uit te wijden. Als wetenschap en z.g.n. verlichting zich in dienst stellen van het verderf, wat is dat vreeselijk. Alles wordt vernietigd. Geen ding blijft er staan. Wie er lachen, behoeft niet met name aangewezen : de daemonen uit de hel.
Vreeselijk, dat is het eenige woord.
Moeilijk kan met moeite worden uitgebracht. Welk construeerend werk kan zoo gedaan ? Noem mij één ding.
En dat in een tijd, waarin alles ontbloot ligt. Kennis o zoo weinig. Lust om kennis te verwerven, zoo mogelijk, nog minder. Alleen zucht naar verpoozing. Jacht naar vermaak, waar de prikkel steeds dieper moet worden ingedreven, kan overal worden opgemerkt. Zou er wel een tijdstip zijn te noemen, waarin de problemen zóó ingewikkeld, de vraagstukken zóó moeilijk op te lossen werden gesteld ? Zoo er ooit een demonstratie zou moeten worden gegeven van het Woord des Heeren, als in alle deelen de waarheid uitdragend, is het thans : de wijsheid dezer wereld is dwaasheid gemaakt door God.
En met welke bedoeling heeft de Hoogste Wijsheid in den hemel dit nu gedaan ? Opdat door de dwaasheid der prediking zalig zouden worden, die gelooven.
Neen, het laatste woord dat weerklinken zal is niet: mislukking, een chaos, doch een kosmos met den Gekruisten, docht thans levenden Christus in het midden, die door den Geest des Heeren Zich een volk heeft toebereid dat maar één woord-klank zal laten horen : zalig, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen.
Alleen door de dwaasheid der prediking.
En nu, al is het gevaar zelfs niet denkbeeldig dat wat ik thans wil opmerken, op eenige vraagteekens stuit, vraagteekens, welke ik gaarne van de krul bevrijd, om ze tot een oproepteeken te hervormen — toch mag deze sluitsteen niet ontbreken.
De staat van onze Gereformeerde gemeenten is absoluut niet rooskleuriger geworden. De leemte is ganschelijk niet weggenomen. Wellicht dat een enkele uwer mij zoekt te verbeteren met de bekende omzetting : „niet ganschelijk".
Neen, waarde vriend.
Wij hebben de werkelijke toestand nog eens expres onder de loupe genomen. En met welk een resultaat, zal ik u zeggen: van de 223 predikantsplaatsen, welke thans; als Gereformeerd bekend staan, zijn er 55 vacant, d.i. een fractie, iets minder dan 25%, m.a.w. een vierde gedeelte.
Deze getallen laten zich niet wegredeneeren, ook niet door algemeene waarheden als : „te veel schaadt". Dan zeg ik : te veel vacaturen is al tot heel weinig nut.
Wie zal van dien tijd iets goeds zeggen, dat de ééne helft van de gemeenten geen prediker had, terwijl van de andere helft moest gezegd : en wij hebben ook maar een halven, omdat van dien eene dubbele arbeid werd gevorderd.
Maar hoe komt het dan, dat door de vacante gemeenten zoo sporadisch de beroepen worden uitgebracht, dat sommige candidaten zelfs langer dan hen lief is, uit moeten zien of hun geen beroep zal geworden ?
Die oorzaken wijzen op den toestand, die noodzakelijkerwijs uit dat voortdurend vacant zijn voortvloeit. Voeg daarbij een verkankerde geest, die op alles en ieder iets zoekt en moet afdingen.
Daaraan ontkomt onze tijd niet. Waar men het Woord mist, daar is geen Geest meer, Die tezamen bindt, van Wien geldt dat hij het leert verstaan : den ander uitnemender te achten dan zich zelven.
Hebben de candidaten het niet gemakkelijk, de gemeenten nog veel minder. Allerlei geesten waren rond, doch van den Geest van Christus zijn velen vreemd geworden.
Dit wordt onzerzijds 'niet gezegd om een aanklacht saam te stellen tegen anderen. Neen, wij tezamen dragen daarvan de schuld. Eerder, véél eerder moest deze zaak van de opleiding door ons ter hand zijn genomen. De Gereformeerde Kerken, wij kunnen daarop afgeven, zooveel als wij willen gaan ons voor. Hun teveel candidaten brengen geen schade aan voor de zaak, neen,
Evangeliseerend trekken deze jonge mannen er op uit, overal kerken vormend. Waar mij moesten staan, staan zij. Wat vanuit het Ethische kamp niet onder stoelen of banken wordt gestoken, integendeel, door woord en daad ons wordt beteekend, is niet anders dan dezelfde terechtwijzing. Hebt ge niet gelezen, wat het Doetinchemsch overzicht ons bood dezer dagen ?
Het totaal studenten bedraagt thans 90, w.o. 14 niet-theologen.
Is dat niet voor ons bestraffend ? Terwijl candidaten van die zijde vaak lang, heel lariig moeten wachten.... en hier werkelijk van een overvloed moet worden gesproken, staakt men niet of wordt de actie niet belemmerd door waarschuwingen als bij ons te veel schaadt.
Het doel wijke voor het oog van de leiders niet: wij moeten vanaf de kansels het oor van ons volk bereiken.
Ons doel staat nog iets anders. God wil het. De Kerk onzer Vaderen vordert niet anders dan : predik het Woord. Houdt aan, tijdiglijk en ontijdiglyk, nalatende alles wat verscheurt.
Dat Gods rijke en rijk makende Geest ons stiere en lelde langs rechte paden, opdat Zijn Naam heerlijk zij in dezen lande.
Ik heb gezegd.
Ds. GOSLINGA.

Ook aan hem brengt de voorzitter hartelijk dank. De Bond mag dankbaar zijn voor de gaven, door God aan ds. Goslinga gegeven om het Penningmeesterschap zoo te kunnen waarnemen.
Van de gelegenheid om vragen te stellen wordt gebruik gemaakt door ds. Bartlema. Hij meent, dat het aantal vacatures, na aftrek van die gemeenten, die niet meegaan met den Raad van Beheer, niet zoo groot is.
Ds. Goslinga noemt hem de getallen van de gemeenten, die in de verschillende provincies vacant zijn. Dat is ongeveer 1/4 van al de Bondsgemeenten, die vacant zijn. De nood is wel groot.
Ds. Bartlema zou willen, dat de Bond stappen bij de Synode zou doen om te komen tot opheffing van den Raad van Beheer.
De voorzitter was het met de bedoeling van ds. Bartlema wel eens, maar hij was er tegen om het voorstel in behandeling te nemen, omdat het niet op de agenda was geplaatst. Hij vond het een groot gevaar om bij de rondvraag zoo maar ineens allerlei voorstellen in te dienen.
Ds. Timmer verwacht ook van protesten heel weinig. Hij adviseert ds. Bartlema om liever alle kerkeraden, die hiervoor iets gevoelen, bij elkaar te roepen, om dan tot gemeenschappelijke daden te komen.
Ds. Bartlema vond toet jammer, dat er een Bondspredikant te Zeist is opgetreden buiten voorkennis van den kerkeraad, voor een rlchtinglooze Vereeniging.
Ds. Goslinga meent, dat deze zaak niet op deze vergadering thuis hoort, maar dat ze tusschen dien ongenoemden predikant en den kerkeraad moet worden opgelost.
Een vriend uit Hoogeveen, vroeg aan den Penningmeester of er geen mogelijkheid is om De Waarheidsvriend meer te verspreiden.
De voorzitter antwoordt, dat er gaarne ± 25 exemplaren ter verspreiding zullen worden toegezonden, in de hoop, dat die adressen dan ook zullen worden bearbeid. Menig lezer kan in dien weg worden gewonnen.
Ds. Dekker, van Otterloo, vraagt of het tusschen De Waarheidsvriend en het Gereform. Weekblad nogal vriendschappelijk toegaat.
De voorzitter antwoordt, dat er, gelijk bekend is, van de zijde van De Waarheidsvriend niets gedaan wordt om te prikkelen. Wat er van de zijde van het Gereform. Weekblad gedaan is, daarmede hebben we hier niet te maken.
Ds. Dekker vraagt ook nog, wie advies geeft over de candidaten. De Penningmeester antwoordt, dat dit nu eens door de hoogleeraren, dan weer door de leden van het Hoofdbestuur geschiedt, hetwelk afhangt van het feit, bij wien men zich om inlichtingen vervoegde.
Tijdens de besprekingen werd de stemming gehouden, met het volgende resultaat: ds. J. Goslinga 414, ds. J. H. F. Remme 398, ds. B. Batelaan 416, mr. Verkerk 335, ds. Meijers 17, ds. Enkelaar 27, de heer Hoogeboom 20, ds. Bouthoorn 11, prof. Severijn 4, ds. Lans 4, enz. enz.
De herkozen predikanten nemen de benoeming aan. Aan mr. Verkerk zal mededeeling worden gedaan van de benoeming tot lid van het Hoofdbestuur.
De heer Drinkers, uit Utrecht, houdt daarna zijn verslag over den arbeid van de Propaganda-Commissie.

Geachte Vergadering,
Zeer gaarne wil de Commissie van Actie ook thans een kort woord doen hooren.
Evenals de twee voorafgaande jaren werd ook nu in de maand October aan al de Afdeelingen een vragenlijst ter beantwoording gezonden. Jammer dat een 7-tal Afdeeltngsbesturen nalatig bleef genoemde lijsten ingevuld terug te zenden. Voor onzen arbeid zijn de gegevens van groote waarde, ja tot verkrijging van een gezond vereenigingsleven beslist noodzakelijk.
Daarom spreken wij de wensch uit, dat voortaan alle Afdeelingen, ook de zeven, welke nalatig bleven, aan ons vriendelijk verzoek wel zullen willen voldoen.
Dat wij steeds aandringen op het lezen van De Waarheidsvriend, zal ieder begrijpen, die met ons overtuigd is van het voorrecht dat wij bezitten in ons Bondsorgaan, en de noodzaak dat ieder kennis neemt van deszelfs inhoud.
Dat verschiilende aanvragen binnen kwamen om busjes, was mede resultaat van de verzending van eenige honderden vloeiblaadjes met de afbeelding van het bekende busje.
Ook dit jaar wekten wij weder op een Nieuwjaarsgroet in De Waarheidsvriend te plaatsen. Het resultaat hiervan was nog mooier als vorig jaar. Toch moet dit nog méér algemeen worden.
't Is zeker onnoodig te zeggen dat wij op vele vragen, ons gedaan, volgaarne antwoord gegeven hebben, 't Verblijdt ons ten zeerste, dat nog meer als verleden jaar het verzoek tot ons kwam om op verschillende plaatsen voorlichting te geven. Ook is het ons een oorzaak van blijdschap te kunnen memoreeren dat te Apeldoorn op 14 Oct., te Vaassen op 15 Jan. en te Amstelveen op 18 Maart een Afdeeling is opgericht, resp. met 37, 18 en 62 leden. Op genoemde plaatsen heeft de voorzitter van de Commissie het doel van den Gereformeerden Bond uiteengezet met bovengenoemd resultaat.
Doch ook in de reeds bestaande Afdeelingen werd door ondergeteekende de belangen van onzen Bond bepleit. Zoo werden bezocht: Apeldoorn, Vlaardtngen, Eindhoven, Hillegersberg, Sluipwijk en Maassluis, terwijl de Jongel. Vereen, te De Bilt evenzoo wenschte te worden voorgelicht. Wij zien hierin een bewijs van meer belangstelling in ons Bondsleven niet alleen, doch ook een streven om gesteund door elkander, het goede voor onzen Bond te zoeken. Mocht er allerwege een opwaken komen. De Commissie zal het een aangename taak zijn, de behulpzame hand te bieden, overtuigd als ze is van de noodzaak dat men zich allerwege vereeuwige.
De Commissie, die het Hoofdbestuur wil helpen, is één in doel en streven om het belang van onzen Bond te dienen. Die eenheid bleek zeer zeker op de drie vergaderingen, die wij gehouden hebben. Wij willen voortgaan op den ingeslagen weg om steeds meer te komen tot eenheid onder onze menschen.
Dat wij steeds uiting geven in een kort stukje in De Waarheidsvriend, heeft tot doel om alle lezers te bereiken. Het is altijd maar weer de roep: Vereenigt u ! Dat wij dan ook niet als roepende in de woestijn zijn geweest, blijkt u uit dit ons derde verslag.
Dat onze arbeid nog meer vrucht afwerpen moge, is ons innig verlangen. Instemming met onzen arbeid blijkt ons uit de vele brieven, die wij hebben ontvangen.
Onder biddend opzien tot God, die ons lust en kracht gaf, willen wij dan ook voortgaan, en wij geven u de verzekering, dat wij er zijn om te werken en wekken ook u op dit te doen.
Utrecht, 23 April 1936.
P. BRINKERS.
De voorzitter brengt den heer Brinkers en de overige leden der Commissie den hartelijken dank van het Hoofdbestuur voor al hun arbeid.
Ds. J. Terlouw, van Garderen, houdt nu zijn verslag als secretaris van de Evangelisatie-Commissie en ds. Luteijn, van Onstwedde, als penningmeester dezer Vereeniging.

Verslag van den Secretaris van de Evangelisatie- Commissie vanwege den Gereformeerden Bond over het jaar 1935.
Geachte Vergadering,
Reeds het verslag over het vorige jaar was gesteld in de toon van een naderend: afscheid. Nog bestaat de Evangelisatie-Commissie, nog ontvangen de bekende posten geldelijke of zedelijke steun. Haar dagen zijn echter geteld. Zeer waarschijnlijk hoort u vandaag voor het laatst een verslag van de Evangelisatie-Commissie vanwege den Gereformeerden Bond. Waren vorige verslagen verre van opgewekt, wat dan te zeggen van het verslag van dit jaar, dat met een lijkrede te vergelijken zou zijn ?
In zekeren zin staan we bij het sterfbed van de Evangelisatie-Commissie. Ik hoop, dat dit beeld u niet oneerbiedig in de ooren klinkt. Het geeft echter de werkelijkheid het zuiverst weer. Immers, 27 Nov. 1935 is te Utrecht een nieuwe landelijke Bond voor Evangelisatie opgericht, die de naam draagt: Hervormde Bond voor Inwendige Zending op Gereform. grondslag in Nederland. Vorige week, 15 April 1936, is een definitief bestuur gekozen, aangezien de door het Hoofdbestuur van den Gereform. Bond aangewezen commissie van voorbereiding met haar werkzaamheden was klaar gekomen. In dit bestuur hebben ook drie leden van de Evangelisatie-Commissie zitting, n.l. de predikanten Lans, Luteijn en Terlouw.
Het zal waarschijnlijk nog slechts enkele dagen duren; dan zullen de statuten koninklijk zijn goedgekeurd. Dan is ook het definitieve einde van de Evangelisatie-Commissie daar. De redenen, die tot het oprichten van den nieuwen Bond noopten, zijn ieder onzer, die in de Evangelisatie-arbeid belang stelt, bekend. Althans, breedvoerig is op de vorige vergadering van den Gereformeerden Bond over deze aangelegenheid gesproken. We mogen hierover dus zwijgen. Alleen zou ik hierop nog eens volle nadruk willen leggen dat, al verdwijnt de Evangelisatie-Commissie, de arbeid doorgaat. Daarom is onze droefheid aan dit sterfbed niet al te groot. In het bijzonder zullen zij, die de geboorte van dit „kindje" van den Gereformeerden Bond hebben gadegeslagen en deze kleine met teedere zorg hebben gekoesterd, een gevoel van weemoed niet kunnen onderdrukken, nu de Evangelisatie^Commissie verdwijnen gaat. Hier zij nog eens met eerbied over de arbeid van die mannen gesproken, die met groote liefde de zaak der Evangelisatie hebben behartigd. Niemand zal zich gepasseerd gevoelen, indien ik hier een enkele naam noem, n.l. die van ds. Timmer.
Hoe goed bedoeld, hoe enthousiast begonnen, het is gebleken, dat geen commissie van een andere Bond, die reeds zooveel anbeid heeft te verrichten, het belangrijke evangelisatiewerk afdoend kon behartigen. De oprichting van een aparte Bond bleek noodig. De Evangelisatie-Commissie is niet vermoorid, maar sterft vrijwillig.
Onwillekeurig denken we hierbij aan de mythische vogel, de Foenix. De legende zegt, dat de Foenix, als hij zijn einde voelt naderen, zichzelf een wond in de borst maakt, en dat uit het wegvloeiende bloed een jonge Foenix ontstaat, of wel, dat uit de asch van de oude, die zichzelf verbrandt, een nieuwe vogel geboren wordt. Welnu, de Evangelisatie-Commissie hoopt van harte, dat deze jonge vogel sterk en gespierd zal worden en een hooge vlucht zal mogen maken.
De Evangelisatie-Commissie is dus niet met wrevel vervuld in dit oogenblik, wijt haar einde niet aan vijanden, die de verzenen grootelijks tegen haar verheven hebben, maar verheugt er zich in, dat de arbeid op grootscher schaal zal worden voortgezet, onder beding van genade. Ongetwijfeld deelt het Hoofdbestuur van den Gereformeerden Bond deze meening en ziet ook dit bestuur met belangstelling naar den arbeid van den nieuwen Bond en bidt het den Heere, dat rijke vrucht op het werk gezien moge worden.
De Evangelisatie-Commissie heeft dan nu haar taak volbracht en gaat afscheid van u nemen. Voor alle steun en medewerking, niet het minst voor uw gebed, wordt u hartelijk dank gezegd.. Al is het dan altijd niet gegaan, zooals verwacht en gehoopt was, deze arbeid, die in 's Heeren Naam en kracht begonnen werd, zal niet ijdel zijn in den Heere. We vertrouwen, dat de Evangelisatie-Commissie de fundamenten heeft gelegd, waarop de nieuwe Bond kan voortleven. In dit verband zij ook de wensch uitgesproken, dat de posten, die door de Evangelisatie-Commissie werden, en tot op dit oogenblik worden gesteund, door de nieuwe Bond overgenomen zullen kunnen worden. Een onderzoek naar den stand der posten zal worden ingesteld en dit onderzoek zal moeten uitmaken, of ze voor verdere steun in aanmerking zullen komen. Met de meeste zal dit, naar we vertrouwen, het geval zijn, aangezien de Evangelisten, voor zoover ze een verslag inzonden, van groei van het werk daarin gewagen mochten.
Ten slotte zij nog vermeld, dat verschillende vragen en advies om steun, evenals een enkel voorstel, aan den nieuwen Bond zijn doorgegeven.
Ter gelegenertijd ziülen vragers en voorstellers dus wel een antwoord ontvangen.
Groot is de afval, beklemmend vaak de toenemende verwildering, bedroevend de orikunde op geestelijk gebied. Moge de Heere, Die alleen harten openen kan en de nood van kerk en volk kan doen zien, ons allen doen beseffen, welke taak ons ook hl deze is opgelegd. Trekken we dan eendrachtelijk op, staan we schouder aan schouder, hand, in hand en ons begin en onze voortgang zij in den Naam des Heeren, Die hemel en aarde geschapen heeft.
Garderen.
J. C. TERLOUW.

Zooals uit het verslag van den secretaris blijkt, zijn de dagen van de Evangelisatie-Commissie geteld. Binnen weinig tijd zal ze tot de geschiedenis behooren. En nu we gereed staan om haar uit te luiden willen we haar korte leven vluchtig aan onzen geest laten voorbijgaan.
In 1928 in het leven geroepen, wijl het Evangelisatiewerk toch ook gezien moet worden als behoorend bij de verbreiding der waarheid in onze Hervormde Kerk en door sommigen ook wel met geestdrift begroet en geleid is ze nooit tot dien wasdom gekomen, dien men van dit derde kind van den Bonid had verwacht. Haar plaats in onzen kring is steeds een ietwat stiefmoederlijke geweest naast haar oudere zusters, het Leerstoelfonds en het Studiefonds. iDie verslagen van den penningmeester deden zelden een opgewekt geluid hooren. Aan uitbreiding kon nimmer gedacht worden. De oorzaak van den slependen gang zal ook wel te zoeken zijn in de omstandigheid, dat een jaar na de instelling van de Evangelisatie-Commissie een groote inzinking in het economische leven is ingetreden, zoodat de guldens schaarscher zijn geworden onder vele kringen in onze dagen.
Dit alles heeft er toe geleid om voor het Evangelisatiev\rerk een eigen onderdak te zoeken en zelfstandig zijn weg te gaan. Ons Evangelisatiewerk zal voortaan bij u aankloppen als Herv. Bond voor Inw. Zending op Gereformeerden Grondslag buiten de organisatie van den Gereformeerden Bond om.
Gedurende het 8-jarig bestaan van de Evangelisatie-Commissie hebben 3 penningmeesters gefungeerd. De eerste was ds. Lans, toentertijd te Suawoude en Tietjerk, wien de liefde voor het Zendingswerk in hart en nieren zit. Aanvankelijk heeft hij het secretariaat en het penningmeesterschap beide waargenomen, doch bij zijn vertrek naar Huizen het penningmeesterschap aan ds. Wolthers te Onstwedde overgedragen. Van dezen laatste is het in 1932 op mij overgegaan. Vier jaar heb ik dit werk mogen waarnemen, en in die periode ook mogen ondervinden, dat in onderscheiden plaatsen liefde voor ons werk gevonden wordt. Sommigen hebben van het weinige, dat ze bezaten geregeld hun giften mij toegezonden. Uit de korte bijschriften der geldzendingen sprak dikwijls hartelijke belangstelling en liefde tot dit werk in den wijngaard des Heeren. Menige gave werd mij toegezonden door hen, die genoopt waren tot dankbaarheid vanwege ontvangen zegeningen. Verschillende Kerkeraden hebben trouw een jaarlijksche collecte voor ons werk gehouden. Toch is het steeds een betrekkelijk kleine kring gebleven, die ons steunde, gezien de vele gemeenten, die met den arbeid van den Gereformeerden Bond medeleven. Ons werk had grooter omvang kunnen nemen. Desniettegenstaande heeft de Evangelisatie-Commissie er toe mogen bijdragen, dat op onderscheidene plaatsen het Woord der Waarheid is gepredikt geworden, waar men anders daarvan zou verstoken gebleven zijn. Wij mogen ook gelooven, dat dit werk niet ijdel is geweest, want het Woord des Heeren zal niet ledig wederkeeren. En wij brengen onzen hartelijken dank aan allen die ons in de afgeloopen jaren hebben gesteund en ons werk mogelijk hebben gemaakt. En wij zouden van deze plaats willen vragen : Draag in de toekomst uw liefde voor het Evangelisatiewerk nu over op den nieuwen Bond. Vooralsnog wil ik gaarne nog uw gaven in ontvangst nemen voor ons werk. Alle ontvangsten worden toch overgedragen aan den nieuwen Bond.
Thans rest mij nog de ontvangsten en uitgaven over 1935 voor te leggen.
Ontvangsten:
Collecten ƒ 1370.02 Giften , 652.64 Diversen „ 19.39 Samen ƒ 2042.05
Uitgaven: Uitkeeringen ƒ 2125.- Reis-en vergaderkosten, spreekbeurten „ 276.10 Diversen 15.25
Nadeelig saldo Samen ƒ 2416.35 ƒ 374.30
Nu er een landelijke Bond voor Evangelisatie op Gereform. grondslag is opgericht, houdt de Evangelisatie-Commissie weldra op te bestaan.
De voorzitter bedankt de heeren voor hunne verslagen en voor al den arbeid, die door hen en door hunne medeleden is verricht en spreekt de wensch uit, dat de nieuwe Bond rijkelijk door God in zijn arbeid moge worden gezegend.
Thans komt aan de orde het voorstel van de afdeeling Harderwijk, door een van de aanweezigen leden dier Afdeeling nader toegelicht. Het voorstel hield in, dat men aan de Synode verzoeke om predikanten als dr. Snethlage en ds. Broers uit hun ambt zou ontzetten, op grond an het feit, dat ze door hun propaganda voor et Communisme en Sovjet-Rusland blijk geven strijd te leven met de leer der Ned. Hervormde Kerk.
Een der aanwezigen zou het bij deze twee namen niet willen laten, maar er ook dien van s. Lammerink, van Delft, aan willen toevoegen.
Aangezien er op het oogenblik een kerkelijke procedure loopt over dr. Snethlage en ds. Broers, of de voorzitter het bij deze twee namen willen aten. Ds. Woelderink zou zich hiermede kunnen vereenigen, onder beding, dat deze twee namen is sprekende voorbeelden werden bedoeld. Er zijn toch tal van anderen, die evenmin op den kansel mochten worden toegelaten.
Er wordt nog over gehandeld of het verzoek al uitgaan van de jaarvergadering, of van de afdeelingen, of van de kerkeraden, hiertoe door de Afdeelingen opgewekt, of door de verschillend Classes.
Ds. Dekker geeft den raad, om de uitwering aan het Hoofdbestuur over te laten.
De vergadering gaat met algemeene stemmen accoord met het voorstel als zoodanig.
De heer Langkamp, van Vianen, verzoekt nogmaals dat het Hoofdbestuur de zaak van den raad van Beheer zal aanvatten.
De voorzitter deelt mede, dat hierover al heel wat op de vergaderingen is gehandeld. De Secretaris brengt het telkens weer ter sprake.
Nu werd de druk bezochte vergadering gesloten, nadat Psalm 89 vers 1 gezongen was en ds. Timmer was voorgegaan in gebed.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 april 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

VERSLAG

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 april 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's