VRAGEN BUS
Vraag: Als wij na de opstanding van den Heiland telkens lezen dat Hij verdween uit het gezicht van de Zijnen, hoe hebben wij dat dan te verstaan ? Was de opgestane Heiland een soort geest of spook of iets dergelijks geworden ?
Antwoord: Dat „wegkomen uit hun gezicht" moeten wij ons niet voorstellen als het plotseling verdwijnen van een geest of spook. Want de Heiland, na Zijn opstanding, is geen geest en is geen spook. Maar we hebben hier te doen met een voor ons wondere handeling van Zijn aanvankelijk verheerlijkte lichamelijkheid. Want het is een „lichamelijkheid" waarmee we te doen hebben. De Heiland draagt de litteekenen in Zijn handen, die zichtbaar zijn en Zijn echte handen. Hij wandelt, spreekt, eet. Maar het is een „lichamelijkheid" die reeds aanvankelijk verheerlijkt is en straks zal de Heiland met en in Zijn verheerlijkt lichaam ten hemel varen. Het is dus niet een plotseling verdwijnen als een geest of spook, maar een wonder heengaan van Hem, Die in onze menschelijke natuur is ingegaan en die heeft aangenomen, welke menschelijke natuur nu niet meer aan de wetten van het gewone aardsche leven onderworpen is. Terwijl Hij straks geheel verheerlijkt ten hemel zal gaan!
Dat wij er niet méér van zeggen kunnen verwondere niemand. De verborgenheid is en blijft groot; nochtans weten wij wat ons geopenbaard is in deze en daarmee moeten we niet fantaseeren, maar dat nemen zooals de Heilige Schrift het ons leert.
Vandaar dat we b.v. ook niet met alle geweld het wonderbaarlijke van Zijn verschijning „als de deur gesloten is", moeten gaan aankleeden met onze fantasieën, dat de Heiland plotseling dwars door de deur heen is binnen gekomen. Waar staat dat ? Nergens ! Hij Is op wondere wijze binnengekomen, de deur, die gesloten was, openend, zooals de steen vóór het graf op wondere wijze is afgewenteld en de deur van de gevangenis voor Petrus wonderlijk is geopend. De Heiland is niet dwars door den grafsteen heengekomen, ook niet dwars door de deur heen gegaan. Nog eens : er méér van te zeggen, is ons niet gegeven. En we behooren niet wijs te zijn boven 't geen ons betaamt.
Vraag: Hoe hebben wij 't te verstaan, dat de Emmaüsgangers Jezus niet kenden, toen Hij met hen kwam wandelen op den weg en met hen sprak ?
Antwoord: Niet wij hebben dat uit te leggen, maar de Schrift zegt het ons. De Evangelist Marcus zegt: „Hij is hun geopenbaard in eene andere gedaante". En daarnaast moeten we dan nemen hetgeen Lucas schrijft: „En hunne oogen werden gehouden, dat zij Hem niet kenden". Als we dat nu naast en bij elkaar nemen (we moeten altijd Schrift met Schrift vergelijken, om de eene Schriftuurplaats met de andere te belichten en te verklaren, dan zullen we 't minst gevaar loopen van te dwalen), dan hooren we dus uit de mond der waarheid, dat de opgestane Heiland dezelfde Jezus is als te voren ; Hij is niet iemand anders ; en verandert Zich ook niet b.v. in de gedaante van een tuinman, of visscher; of wel in de gedaante van Petrus, of van Nathanaël of van iemand anders. Neen, de Heiland is de Heiland ! De Opgestane Jezus is de Heere Jezus Zelf ! Niemand anders ! Maar Hij is de aanvankelijk verheerlijkte Jezus, èn God maakte, dat de Emmaüsgangers (en denk ook aan Maria Magdalena) Hem niet herkenden. Hij was als een ander voor hen. Doordat God met Zijn 'Geest dat zóó bewerkte hij hen. Omdat Hij er goddelijke bedoelingen mee had. Hij moet hun voorkomen als een vreemdeling, want de Heere wil hun het geneesmiddel toedienen, dat ze noodig hebben. Hij wil hen (gelijk Maria en anderen) genezen van hun blindheid door hen te komen onderwijzen met het Woord. Zij waren onverstandig en hun hart was traag in het gelooven wat te gelooven ? Hoort maar : O, wat zijt gij onverstandig en wat zijt gij traag, langzaam, vadsig om te gelooven al hetgeen de profeten gesproken hebben .Daar zit de kwaal. Daar ligt hun tekortkoming, hun fout, hun zonde. En daarom komt de Heiland, maar Hij openbaart Zich zóó maar niet. Neen, de Heiland komt in het volle licht voor hen te staan, zooals Hij werkelijk is — als wij gebracht worden bij „Mozes en de Profeten", bij het Woord van God, bij hetgeen Hij Zelf gesproken heeft, bij Zijn Openbaring en Waarheid, bij de Schriften — en als dat Woord van God dan in ons harte mag ingaan, opdat ons hart wordt vervuld met licht en waarheid. Wij bij de Schriften en de Schriften bij ons : daar is de plaats en dat is de weg, waar de Christus onze Heiland en Zaligmaker mag zijn en worden.
Toen begon hun hart te kloppen! Toen werd het warm van binnen. Toen werd de deur geopend. De weg geëffend. Toen ging het licht der waarheid op. En nog een oogenblik toen aanbaden zij Hem. Zij geloofden en waren verblijd. De Heere weet en kiest de beste wegen ! Laat ons acht geven ! En laat ons gedachtig zijn aan het "woord van den Heiland : „Onderzoekt de Schriften, want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben, en die zijn het, die van Mij getuigen". Schriftgeloof en Christuservaring !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 mei 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 mei 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's