De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HET VERBOND GODS MET DEN MENSCH

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET VERBOND GODS MET DEN MENSCH

Het verbond en de grondslag des geloofs.

11 minuten leestijd

Het gaat waarlijk niet om ondergeschikte punten in den strijd, dien wij thans strijden. Het gaat hier om de verhouding van verbond en geloof en om de vraag, of het geloof de grondslag is, waarop het verbond wordt opgericht, dan wel of het verbond der genade de grondslag is, waarop het geloof rust.
De laatste verhouding is de schriftuurlijke, de eenige, die onze belijdenisschriften kennen, maar deze verhouding is door het subjectivisme omgekeerd, althans scheef getrokken.
Wie met ds. Kersten de aanbieding van het evangelie wil handhaven, ook de aanbieding van de weldaden des verbonds, maar deze buiten het verbond plaatst, moet de prediking van het evangelie, voor zoover daar nog plaats voor is, maken tot een uitnoodiging van God aan de menschen om in een verbond met Hem te treden. Natuurlijk zal ds. Kersten het zoo niet zeggen ; dat weet ik ook wel; dan zou zijn remonstrantsche zuurdeesem al te zeer aan het licht treden, maar het ligt er toch in besloten. Als men aan iemand, die buiten het verbond staat, krachtens de toediening van het verbond de weldaden des verbonds aanbiedt, is dat toch een uitnoodiging, een oproep, een vraag om in een verbond met God te treden.
Deze remonstrantsche zuurdeesem, waarbij de sluiting van het verbond afhankelijk wordt gemaakt van den mensch, wordt volstrekt niet te niet gedaan door thans te zeggen, dat de mensch van zich zelf onwillig is om deze aanbieding te aanvaarden, zoodat de aanbieding enkel ten doel heeft den onwil van den mensch aan het licht te brengen en hem in dien weg schuldig te verklaren. Want ook bij de erkenning van den onwil des menschen huldigt men toch de voorstelling, dat God tot den mensch gekomen is om den mensch te vragen, of hij bereid is een verbond met Hem. aan te gaan.
Trouwens ten opzichte van de uitverkorenen treedt deze zelfde gedachte weer aan den dag. Zij zijn van zich zelf ook onwillig, maar God geeft hen in Zijn genade een ander en nieuw hart; zij worden wederom geboren en tot geloof gebracht en eerst als z ij door goddelijke genade gewillig zijn gemaakt, wordt het verbond met hen opgericht. Ook hier treedt weer de gedachte te voorschijn, dat het verbond der genade rust op de gewilligheid van den mensch, d.i. op het geloof, waarmede hij gelooft. Zeker, men erkent, dat deze gewilligheid, dit geloof een genadegave is, maar niettemin wordt het geloof hier de grondslag, waarop het verbond rust.
Hieruit moet verklaard worden het gebrek aan vrijmoedigheid des geloof s, waarmede ook de ware godvruchtigen te worstelen hebben in de streken, waar het subjectivisme overheerschend is. Men durft zich niets toe te eigenen, want altijd weer komt de vraag op, of men wel waarlijk wedergeboren en bekeerd is, of men het ware geloof wel deelachtig is'. Immers, zoolang als men niet daartoe gekomen is, staat men buiten het verbond, is dat verbond nooit door God met ons opgericht en zou het maar diefstal wezen om zich iets toe te eigenen.
Wij hebben hier nog altijd te doen met de oude Cartesius, de groote vijand van de waarheid naar de Schrift, maar omdat hij oud is en men hem in een vroom gewaad heeft gestoken, herkent men hem niet. De wijsgeer Cartesius bouwde namelijk de zekerheid der kennis, waarnaar hij en alle wijsgeeren zoeken, op de subjectieve zekerheid en gewisheid, die de mensch aangaande zich zelf in zich bevindt. Cogito, ergo sum, zoo sprak hij ; ik lees en daarom ben ik. Zeker was hij van zijn eigen denken en daardoor zeker van zijn bestaan en vanuit deze zekerheid trachtte hij te komen tot een zekerheid aangaande de wereld buiten hem.
Volkomen op dezelfde wijze gaat men te werk ten opzichte van de zekerheid aangaande de goddelijke dingen in de kringen van het subjectivisme. Men moet eerst zeker wezen van zich zelf ; eerst dan kan men zekerheid krijgen omtrent God. Men moet eerst van zich zelf weten, dat men wedergeboren is en bekeerd en tot het ware geloof gekomen ; eerst dan kan men zekerheid krijgen van Gods genade en van het trouwverbond door Hem opgericht met Zijn volk. Neen, men heeft aan zijn bekeering en geloof niet genoeg, maar zij vormen nochtans het uitgangspunt, den vasten grond, waarop het gansche gebouw rust. Daarom keert men ook altijd tot dat uitgangspunt terug en zal men in de kringen van het subjectivisme Gods kinderen niet zien leven uit Gods beloften, maar zij teeren immer op hun bekeering en zoeken het altijd weer in zich zelf.
Van deze Cartesiaansche, remonstrantsche, humanistische motieven of hoe men ze verder noemen wil, hebben wij onze verbondsbeschouwing te zuiveren door terug te keeren tot het monopleurische karakter van het verbond, zooals dat sprekend naar voren komt in de verbondsoprichting met Abraham en zijn zaad en op de meest treffende wijze wordt uitgedrukt in den kinderdoop. Hier zien wij God Zijn verbond met den mensch oprichten onafhankelijk van den mensch, onafhankelijk van zijn wil of onwil, enkel vrucht van Gods vrijmachtig welbehagen.
In dit verbond roept God den mensch tot geloof en gehoorzaamheid. In het verbond of op den grondslag van het verbond. Het is dus niet zoo, dat wij buiten het verbond staan, buiten het verbond tot geloof worden geroepen en eerst, als wij tot geloof zijn gekomen, wordt het verbond met ons opgericht. Neen, na eerst Zijn verbond met ons opgericht te hebben, roept God ons op dezen grondslag tot geloof. Het verbond en Zijn beloften wordt de grondslag, waarop het geloof rust en bouwt.
God is de eerste. Dat is het waar het hier om gaat. Wij geven Hem niet, opdat ons daarna weder vergolden worde, maar Hij geeft uit vrije genade en het geloof, waarmede wij gelooven, kan nooit iets anders beteekenen dan dat wij aannemen, wat God uit vrije genade geeft.
Is de belofte des verbonds of wat hetzelfde is, de belofte des evangelies waarachtig en gewis ? Schenkt God ons waarlijk Zijn genade hier ? Heeft Hij ons in de belofte des verbonds waarlijk al het heil in Christus gegeven ? Wij moeten dienaangaande eerst zekerheid hebben voordat wij gelooven kunnen. Cartesius moet op het schavot. Wij moeten niet eerst zeker zijn van ons zelf en van ons geloof; neen, eerst dienen wij zekerheid te hebben aangaande Gods beloften ons geschonken; eerst dan kunnen wij gelooven en geloovig het ons geschonken heil aanvaarden.
Juist daarom gaat de oprichting des verbonds aan het geloof vooraf. Eerst als God Zijn verbond met ons heeft opgericht en op dezen grondslag ons de beloften des verbonds gegeven worden, kunnen wij deze beloften geloovig omhelzen.
Op den grondslag des verbonds is de oproep tot geloof een verplichting, een dure verplichting, waaraan niemand zich onttrekken kan zonder de wrake des verbonds zich op den hals te halen. Daarom zei Christus tot Zijn discipelen : dat zij zouden prediken : bekeert u en gelooft het evangelie. Wij worden bevolen te gelooven, gelijk ook de Dordtsche leerregels met bizondere nadruk naar voren brengen, dat het evangelie gepredikt moet worden met bevel van bekeering en geloof. Met bevel ook van geloof. Laat men hier toch wel acht op nemen, want dit is van de grootste beteekenis.
Gebrek aan vrijmoedigheid tot geloof komt namelijk meestal voort uit de vraag : Mag ik wel gelooven ? Is die genade wel voor mij ? Mag ik die beloften wei omhelzen ?
En nu wil ik allerminst deze vraag afsnijden en veroordeelen, maar ik wil deze vraag beantwoorden en in positieven zin. Een beschuldigende consciƫntie zal altijd weer deze vraag doen opkomen. Maar de evangeliedienaar heeft de vraag altijd weer te beantwoorden met het evangelie zelf. Als God ons oproept tot geloof, ons .beveelt te gelooven, dan, ja dan is het toch wel zeer duidelijk, dat wij mogen gelooven en dat de angstige vraag, of het mag, niet verwekt wordt door de onduidelijkheid des evangelies in dit opzicht, maar enkel door de beschuldiging van een kwaad geweten, dat wel afweet van den vloek op de zonde gedreigd, maar niet weet van Gods genade.
Men kome hier niet met de verdachtmaking, alsof op deze wijze het geloof in de hand des menschen wordt gelegd, alsof in zake het geloof en de vrijmoedigheid des geloofs de Heilige Geest wordt uitgeschakeld. Wanneer wij op den mensch zien, belijden wij ten volle zijn algeheele bedorvenheid en alzoo ook zijn onbekwaamheid om te gelooven. Het ware geloof is niet een product van den vrijen wil des menschen, maar een gewrocht van den Heiligen Geest. Wie werkt dat geloof in u ? Het antwoord van den christen kan nooit anders zijn dan : de Heilige Geest door het gehoor van het gepredikte Woord. Maar wij willen alle nadruk daarop leggen, dat de Heilige Geest immer door het Woord werkt, zoodat, al is de vrijmoedigheid des geloofs een gave Gods, nochtans deze vrijmoedigheid een mensch maar niet op den een of anderen dag aanwaait, maar de Heilige Geest hem het Woord des evangelies opklaart, waardoor hij de vrijmoedigheid om te gelooven in het Woord vindt.
Al is de Heilige Geest dus de werkmeester, die het ongeloof te niet doet en het geloof werkt, de grond des geloofs ligt in het Woord van God en wie de grond van zijn geloof niet in het onveranderlijke Woord van God heeft gevonden, die is als een baar der zee, die onophoudelijk op en neer wordt geworpen, die gelooft vandaag en morgen twijfelt hij weer; ja misschien gelooft hij des morgens en zegt des avonds dat hij een verworpene is.
Wij kunnen Gods beloften niet geloovig omhelzen, als wij niet gelooven mogen, dat zij ons van Gods wege gegeven zijn. Wij kunnen ze niettegenstaande de beschuldiging van ons geweten, dat wij zeer misdreven hebben, niet met vrijmoedigheid omhelzen, als God, zelf ons niet opwekt ze aan te nemen, ja ons beveelt zulks te doen op straffe van buiten geworpen te worden. Zelfs wil ik verder gaan en durf ik met eerbied gezegd verklaren, dat ook de Heilige Geest ons niet kan doen gelooven, dat zij voor ons zijn, als de beschikking, door welke ons zoo groote en dierbare beloften geschonken zijn, niet in het Woord gegrond en uitgedrukt is.
Maar dit Woord is het Woord des verbonds en deze beloften zijn de beloften des verbonds, want buiten het verbond is geen zaligheid. En wijl het een verbond der genade is, zijn de beloften des verbonds onvoorwaardelijk en ligt de vrijmoedigheid om ze te omhelzen niet in iets, dat in ons gevonden wordt, ook niet in ons geloof, maar enkel in de genadige beschikking Gods, waardoor Hij dit alles om niet wil schenken.
Het is deze genadige beschikking Gods, die in de oprichting van het verbond tot uiting komt en ons bizonder nabij wordt gebracht in het teeken en zegel des verbonds. Vandaar dat het doopformulier kan zeggen, dat, als wij gedoopt worden in den naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes, Vader, Zoon en Heilige Geest ons betuigen en verzegelen, dat zij ieder met bizondere beloften van genade tot ons komen. Deze beloften worden ons niet gegeven als uitverkorenen of als geloovigen, maar als zondaren. Niet omdat wij uitverkoren zijn of geloovig zijn, mogen wij deze beloften omhelzen, maar omdat zij ons door de genadige beschikking Gods om niet zijn gegeven, want het is een verbond van genade, dat Hij met ons heeft opgericht.
Zoo gaat dus, het vertoond der genade met zijn beloften aan het geloof vooraf; dit verbond met zijn beloften is de grond, waarop het geloof bouwt, waarin het wortelt, waaruit het opschiet.
Wie echter met ds. Kersten eerst het verbond met een mensch ziet opgericht, als hij tot wedergeboorte en geloof komt, moet noodzakelijk de verhouding omkeeren en het verbond op de wedergeboorte en het geloof van een mensch laten rusten. Des menschen bekeering en geloof dragen dan het verbond. Uit deze subjectivistische beschouwing volgt, dat de toekeerde mensch, het kind van God, een allerbelangrijkst wezen wordt, een mensch, die men naar de oogen moet zien en naar den mond moet spreken, die men moet vereeren als God zelf.
Zoo is ook waarlijk de toestand in de streken van het subjectivisme en ook de stichtelijke overdenkingen van ds. Kersten zijn van dit in de hoogte steken van het volk, van dit vleiend aanspreken van Gods kinderen niet geheel vrij.
0.a.d.IJ.
Woelderink.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 mei 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

HET VERBOND GODS MET DEN MENSCH

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 mei 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's