De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

16 minuten leestijd

CALVIJN EN DE SACRAMENTEN
HET LAATSTE OLIESEL of HET SACRAMENT VAN DE STERVENDEN.

Tot de Sacramenten, die door de Roomsche Kerk verzonnen worden en door ons op grond van Gods Woord worden verworpen, behoort ook: Het laatste oliesel. Dit kan en mag alleen in het uiterste des levens, aan een stervende, door een priester bediend worden. (De Roomschen zeggen dan ook, dat iemand „bediend" is enz.). Het geschiedt met olie, die door een bisschop gewijd is (een lagere geestelijke heeft daartoe niet de bevoegdheid) en met dit formulier : „Door deze heilige zalving vergevè God door Zijne zeer goedertieren barmhartigheid, u al wat gij gezondigd hebt door uw gezicht, gehoor, reuk, gevoel en smaak".
De Papisten zeggen, dat dit zoogenaamde Sacrament twee krachten heeft en dat de dubbele uitwerking is : 1. de vergeving der zonden, 2. soms tot verzachting van lichamelijke krankheid, of anders tot heil der ziel.
Deze instelling wordt toegeschreven aan Jacobus en men verwijst dan naar Jac. 5 : 14 : „Is iemand krank onder u, dat hij tot zich roepe de ouderlingen der gemeente, en dat die voor hem bidden, hem zalvende met olie in den naam des Heeren ; en het gebed des geloofs zal den zieke behouden, en de Heere zal hem oprichten, en zoo hij zonden zal gedaan hebben, die zullen hem vergeven worden".
Jacobus heeft hier, in den eersten tijd van het christendom, het oog op wat we ook in Marcus 6 : 13 lezen, waar de Apostelen de buitengewone gave hadden ontvangen, om vele kranken met olie te zalven tot genezing. Van de vergeving der zonden door zalving is hier geen sprake, alleen van de buitengewone gave van den apostolischen tijd om zieken te genezen. In zoodanige handeling der Apostelen ligt geen diepere verborgenheid, waarmee Rome juist in de eerste plaats komt. De Heiland en de Apostelen handelden dan ook heel anders en waren zeer vrij in hun doen wat de zalving van zieken betreft; nu eens deden zij het met woorden, dan zonder woorden ; nu eens met een zekere stof (olie, slijk enz.), dan zonder iets. Bovendien was die olie niet een middel, maar een teeken der gezondmaking, wijzende op den Heiligen Geest, door Wiens kracht eigenlijk de genezing geschiedde. De Heiland deed het met Zijn eigen goddelijke kracht, de Apostelen door de kracht welke zij daartoe van den Heiland mochten ontvangen, tot Zijne verheerlijking en tot des Vaders eere.
Deze gave der gezondmaking heeft nu opgehouden, zooals zoovele buitengewone dingen tot den Apostolischen tijd beperkt zijn gebleven.
En wel wordt er door Jacobus over gesproken, maar naar de gelegenheid van den tijd, toen die wondergave nog in de Kerk was. Deze zalving is dus niet een ceremonie door God voor óns ingesteld, met een belofte ook voor ons van kracht. En al gold Jacobus' bevel ook voor onzen tijd — wat echter niet het geval is — dan is toch de zalving van de Papisten niet de ware. Want volgens Jacobus moet zij toegediend worden aan alle kranken tot hun herstel en tot hun genezing. Maar volgens de Papisten moet het geschieden aan halfdoode lichamen, aan stervenden, aan menschen die op hun uiterste liggen en dan vooral met het oog op de vergeving der zonden om straks zalig te worden door het sacrament.
Jacobus beveelt slechts te zalven met gewone olie. Ook Marcus spreekt van geen andere olie. Maar de Roomsche Kerk komt natuurlijk weer met allerlei wonderlijke en gezochte plichtplegingen. Zij komt met olie door een bisschop toebereid, met den adem verwarmd, met mompeling van woorden betooverd en negenmaal gegroet. Driemaal: wees gegroet heilige olie ; driemaal : wees gegroet heilige zalving ; en driemaal : wees gegroet heilige balsem. Wat alles voor ons zonder zin en zonder beteekenis is en door Rome gemaakt wordt tot een grond voor de zaligheid.

KOHLBRUGGE, zijn levensgeschiedenis.
Door de preek over Rom. 7 : 14, waarin de waarheid der Schrift verhandeld werd : „de Wet is geestelijk, maar ik ben vleeschelijk, verkocht onder de zonde", werd veel opschudding verwekt en" Kohlbrugge ondervond, in deze veel bestrijding. Men schold hem voor : „Antinomlaan" of Wetbestrijder.
Wat is nu echter de waarheid in deze ?
Kohlbrugge leefde bij deze dingen, dat een mensch zondaar voor God is en zondaar voor God blijft, tot z'n laatste snik, terwijl er uit hem geen goed is, en dat hij steeds tot alle boosheid geneigd is (Cat. Zondag 23). Er ligt een klove tusschen den mensch en God; en aan 's menschen zijde ligt de onmogelijkheid om in den weg van het doen en van de werken tot God te naderen. Het is alles onrein en voor God verwerpelijk wat de mensch doet en nu is het bedrog en heiligschennis wanneer de mensch toch iets wil aanbieden aan God van 't geen des menschen is, ook van den vromen mensch. Zijn niet alle onze gerechtigheden als een wègwerpelijk kleed voor God ? Het is een misdaad en opstand en bedrog als de mensch in dien weg God wil winnen en bedriegen. Want hoe kan ik, die vleeschelijk ben, er ook maar in de verte aan willen denken, het met de Wet te probeeren, die toch van geheel tegenovengestelde hoedanigheid, die geestelijk is ! Hoe kan ik, die onder zonde verkocht ben, banden losmaken, waarmee het rechtvaardige gericht Gods mij heeft laten binden ais een die alles schuldig ben en geen penning bezit tot lossing mijner ziel in der eeuwigheid !
In deze woorden ligt opgesloten, dat het met den mensch uit en voorbij is; dat een mensch met al z'n doen, willen en werken in de dingen Gods tot gerechtigheid, die voor God toestaan kan, in 't geheel niet meer in aarmerking komt; en dat de Wet alles tezamen moet verdoemen, wat uit den mensch komt. Want vervloekt is de mensch, die vleesch tot z'n arm stelt. Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al 't geen geschreven staat in het boek der Wet om dat te doen.
En of dat nu niet verandert, als de mensch een nieuw schepsel is geworden in de wedergeboorte? Och, wat wordt, wat is en wat blijft de mensch, die vernieuwd en die wedergeboren is ? Als die mensch zich zelf ziet in de spiegel van Gods gerechtigheid en heiligheid ? Wat ziet hij dan: den nieuwen mensch, die aan Gods gerechtigheid beantwoordt en voor Gods heiligheid bestaan kan ? Ziet hij dan een mensch, die danken kan ? Of ziet hij den ouden mensch, die voor God verdoemelijk is en die alleen klagen kan over zich zelf ; om dan uit louter genade, zonder de werken der Wet, in het aangezicht van Jezus Christus te mogen roemen en te mogen danken ; maar ook in Christus alléén!
Met den vromen mensch is het niets, maar dan ook niets gedaan !
Over de klacht van Paulus is veel getwist, gepraat, geschreven. Is dat de mensch vóór z*n bekeering die klaagt: „ik ellendig mensch ? " Of 'S het de nieuwe mensch na de bekeering ? Velen zeggen en blijven zeggen : dat is natuurlijk de onbekeerde Paulus ; die is een ellendig mensch voor God geweest; maar de toekeerde Paulus mocht danken.
Wij zouden willen antwoorden op de vraag : geldt het hier den onwedergeboren of den wedergeboren Paulus - dat alléén de wedergeborene zulk een belijdenis aflegt en afleggen kan. Want alléén door de wedergeboorte krijgt de mensch kennis in zich zelf als zondaar voor God. En alleen in de kracht en door het licht des Heiligen Geestes en door de wedergeboorte van Boven geschiedt het, dat een mensch Gods Wet gelijk geeft en die Wet Gods heilig leert kermen, waarbij hij met al zijn doen en laten voor God verdoemelijk wordt, ook in al z'n braafheid en vroomheid zelfs ; ja, daarin niet 't minst. Want geen vleesch, geen goddeloos vleesch, maar óók geen vroom vleesch, zal roemen voor God.
En dat heet nu bij den Apostel juist „naar den Geest wandelen", dat we zonder huichelarij voor God erkennen wie en wat wij zijn, om als verlorene, vloekwaardige zondaren aan het heerlijk Evangelie van Gods genade en de blijde boodschap van het Kruis van Christus geloof te schenken en op de genade, die ons daarin wordt aangeboden, ons eenige vertrouwen te zetten. „Uit louter genade, enkel en alleen om de wille van de verdienste van Christus", zooals onze Heidelb. Catechismus zegt (Cat. Zondag 23).
Geen wonder dat de preek van Kohlbrugge over Rom. 7 : 14 groote opschudding verwekte, wat alleen bewijst, dat het Evangelie des kruises veelszins vleeschelijk betracht wordt en het vrome vleesch zich ergert als het aangehaald; wordt. O, wat schreeuwt men dan hard. Wat gaat men dan geweldig te keer. Terwijl toch bet heilgeheim des Heeren wordt onthuld aan Zijn vrienden, in den verborgen omgang met Hem, waar een verdoemelijk zondaar deelgenoot mag worden van die zalige waarheid : hoe een goddelooze (hoort gij het: en goddelooze) om niet gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der Wet, enkel en alleen door 't geloof in Jezus Christus, Die onze gerechtigheid is en onze heiligmaking en onze volkomene verlossing : Hij .alléén en Hij volkomen.
Dat is de waarheid, tot welker erkenning een mensch nooit uit zichzelf zal komen, een waarheid van onberekenbare beteekenis en werking, wanneer zij wordt geloofd en vastgehouden. In die woorden van Paulus ligt de geheele klove, die er tusschen God en mensch ligt, met de onmogelijkheid van de zijde des menschen om in den weg van het doen en van de werken tot God te naderen.
In deze woorden ligt, dat het misdaad en rebellie is, als de mensch aan de Wet ook maar eenigszins iets wü aanbieden of door de Wet ook maar iets ml toereiken. Want hoe kan ik, die vleeschelijk ben, er ook maar in de verte aan willen denken, het met de Wet te probeeren, die toch van geheel tegenovergestelde hoedanigheid, die geestelijk is ! Hoe kan ik, die onder de zonde verkocht ben, door erf-en dadelijke zonde, door erfschuld en erfsmet, ook als ik door genade gewasschen en gereinigd ben door het bloed en den Geest van Christus, hoe kan ik, als ook mijn beste werken met zonde bevlekt zijn en al mijne gerechtigheden (niet mijn ongerechtigheden, maar mijn gerechtigheden, staat er) als een wègwerpelijk kleed zijn — hoe zal ik mij losmaken uit de banden en mij bevrijden van den vloek der Wet, waarmee zij komt tot alle vleesch ?
Immers is het zóó onmogelijk, dat de mensch zalig wordt!
Moet dan de Wet maar op zij gezet worden door den mensch, om er verder niet mee te rekenen (antinomianisme) ? En moet de mensch dan maar rustig voortgaan in z'n zonde ? Zal zóó de genade dan juist op 't hoogst verheerlijkt worden ?
Dat is een valsche beschuldiging tegen iemand, die kermde en weende bij alle zondeleed en zondeschuld, grijpend in den geloove naar het vloekhout van Golgotha, waar een moordenaar hoort, dat hij een Paradijskind mag genaamd worden !
Het is een valsche beschuldiging tegen iemand, die door Gods genade met de Wet Gods zoo ernstig rekening hield en den éénig Rechtvaardige, den éénig Heilige, Jezus Christus, den Borg en Middelaar van een gansch zondig en onheilig volk, zoo innig liefhad en zoo hoogelijk prees !
Neen, het was Kohlbrugge er niet om te doen, om de Wet op zij te zetten ! Hoe zou een ontdekte ziel dat kunnen doen ? Die ziet en hoort de Wet Gods overal, en het is altijd : „alle vleesch ligt verdoemelijk voor God !" Waarbij de ziel, door Gods genade, niet gaat pleisteren en lijmen en krammen, maar uit de diepte van ellende roept tot God, , om door Gods Geest te leeren roemen — als een goddelooze — in Hem, Die alle gerechtigheid der Wet vervuld heeft, voor ai de Zijnen ; die heilig en volmaakt is, voor al de Zijnen. Die ziel leert uitroepen : „De Heere onze Gerechtigheid". Halleluja!
(Wordt voortgezet.)

Het bezwaar tegen 1905 of de leer van de veronderstelde wedergeboorte.
Door „de kwestie Nunspeet" is men weer herinnerd aan de beslissing van de Synode der Geref. Kerken gehouden te Utrecht in het jaar 1905, inzake de doopsbeschouwing of de leer der veronderstelde wedergeboorte.
Eerst iets over die Kwestie-Nunspeet. Daar te N. is een dominé van de Geref. Kerk met het grootste deel van zijn Kerkeraad en een groot deel van de Gemeente — voornamelijk oud-Nunspetenaren, die daar geboren en groot geworden zijn — overgegaan naar de Chr. Geref. Kerk, omdat men zich niet vereenigen kan met de doopsbeschouwing die in de Geref. Kerken nog altijd officieel geleerd en verdedigd wordt, n.l. dat alle kinderen van alle Geref. ouders (tot de Geref. Kerk behoorend) moeten verondersteld worden uitverkoren en wedergeboren te zijn. Misschien toestaan er, achteraf toezien, wel enkele uitzonderingen; maar die uitzonderingen bevestigen den regel der Geref. Kerken: alle kinderen worden gehouden voor uitverkoren en wedergeboren.
Dat noemt men dan wel „de beslissing van 1905".
Ds. Tymes van Nunspeet heeft bezwaren tegen deze Kerkelijke leer en heeft 12 Maart '36 met zijn Kerkeraad en Gemeente (voor een zeer groot gedeelte althans) zich van de Geref. Kerken losgemaakt en is overgegaan naar de Chr. Geref. Kerk, waar men — evenmin als in Hervormde kringen — van zoo'n doopsbeschouwing niets weten wil.
Het is een oude kwestie. En dan willen we hierbij wijzen op 't geen Dr. A. Kuyper vroeger geschreven heeft in „E Voto Dordraceno" (een aller belangrijkste uitlegging en verklaring van den Heidelb. Catechismus) Deel HE, blz. 54, 3e dr. Daar lezen we : „Maar volhardt iemand desniettemin in de opinie, dat een kind zou gedoopt worden zonder dat daarbij zijn uitverkiezing verondersteld werd.. dien zeggen wij aan, dat hij met geen eerlijk geweten in de Geref. Kerk blijven kan, want onze Geref. Kerken beleden en leerden van ouds het tegendeel".
Als wij ons niet vergissen is met name op de Synode van 1905 te Utrecht over die veronderstelde verkiezing en wedergeboorte (spreekt onze Cat. in dit verband, niet van het Vertoond, Zond. 27, inplaats van de verkiezing? ) gehandeld; en toen is (opgesteld door prof. dr. H. H. Kuyper? ) deze conclusie aangenomen en vastgesteld (waarbij Dr. A. Kuyper Sr. te voren reeds gezegd had : „maar ik zeg u, dat gij in de Geref. Kerken niet met een eerlijke conscientie blijven kunt, als ge dat niet gelooft!) :
„Wat de veronderstelde wedergeboorte aangaat, verklaart de Synode, dat, volgens de Belijdenis onzer Kerken het zaad des verbonds krachtens de belofte Gods te houden is voor wedergeboren en in Christus geheiligd, totdat bij het opwassen uit hun wandel of leer het tegendeel blijkt;
dat het echter minder juist is te zeggen, dat de doop aan de kinderen der geloovigen bediend wordt op grond van hunne onderstelde wedergeboorte, omdat de grond van de doop is : het bevel en de belofte Gods ; dat voorts het oordeel der liefde, waarmede de Kerk het zaad des verbonds voor
wedergeboren houdt, geenszins zeggen wil, dat daarom elk kind waarlijk wedergeboren zou zijn, omdat Gods Woord ons leert, dat niet allen Israël zijn, die uit Israël zijn, en van Izak gezegd wordt: in hem zal u het zaad worden genoemd (Rom. 9 : 6, 7) zoodat in de prediking steeds op ernstig zelfonderzoek moet worden aangedrongen, aangezien alleen wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden. Enz."
„Intusschen meent de Synode, dat de stelling, dat een uitverkoren kind daarom reeds vóór den Doop metterdaad wedergeboren zou zijn, noch op grond van de Schrift, noch op grond van de Belijdenis te 'bewijzen is, dewijl God Zijne belofte vervult naar Zijn vrijmacht op Zijn tijd, hetzij vóór of onder of na den Doop, zoodat het eisch is zich hierover met voorzichtigheid uit te laten en niet wijs te willen zijn boven hetgeen God ons heeft geopenbaard".
Het komt ons voor, dat in deze Synodale uitspraak van 1905 heel wat redeneeringen met allerlei uithaal en omhaal gehouden worden (wat meer gebeurt als men met een heet hangijzer bezig is te opereeren) en dat tot groote voorzichtigheid en bescheidenheid enz. wordt aangemaand, maar dat men toch (waarom toch ? ) de leer van de veronderstelde wedergeboorte met alle geweld wil poneeren en vasthouden en verdedigen.
Als men wat minder omhaal van woorden wilde gebruiken zou dat duidelijker uitkomen. En nu weet men, dat men hier te doen heeft met een teere kwestie, waarover eigenlijk al zoo lang gesproken en geschreven is als de Gereformeerde Kerk hier te lande bestaat. Hoe dikwijls zijn die woorden „in Christus geheiligd" b.v. al onder de aandacht gebracht en van alle kanten belicht, terwijl de kwestie zelve telkens weer opnieuw naar voren komt.
Waarom gaat men nu die leer van de veronderstelde wedergeboorte zoo extra Synodaal behandelen, omschrijven en vaststellen ; wetende, dat deze dingen alleen maar met de grootste voorzichtigheid kunnen behandeld worden, zal men niet mis gaan in de Kerk !
Dat weet men.
En men weet ook, dat bij zulke extra dingen vele menschen nu juist niet voorzichtig zijn, omdat ze niet teer de dingen aanvoelen en geen groote schroom kennen, maar drijvers zijn en niet rusten voor dat allen gedreven worden In één en dezelfde hoek, omdat het volgens zulke menschen alléén maar goed is, al deze en dergelijke dingen eens extra luide worden uitgeroepen en nagezegd.
Wij vinden altijd de woorden van den Catechismus zoo mooi, waar van al die bijzondere dingen, die men dan graag zoo extra naar voren wil brengen en zoo breed met allerlei ja — en — neen tegelijk gaat beredeneeren, niets gezegd wordt; maar waar we belangende de dingen waarop het wel aankomt een uiteenzetting krijgen, die even mooi als helder is. Want in zake den Kinderdoop zegt onze Catechismus: Ja — onze jonge kinderen moeten gedoopt worden, mitsdien zij zoowel als de volwassenen in het verbond van God en in Zijne gemeente begrepen zijn, en dat hun door Christus' bloed de verlossing van de zonden, en de Heilige Geest, die het geloof werkt, niet minder dan aan de volwassenen toegezegd wordt — zoo moeten zij ook, door den Doop, als door het teeken des Vertoonds, in de Christelijke Kerk ingelijfd, en van de kinderen der ongeloovigen onderscheiden worden, gelijk in het Oude Verbond of Testament door de besnijdenis geschied is, voor welke in het (Nieuwe Verbond de Doop ingezet is" (Cat. Zondag 27).
Ons dunkt men moest heel die lange, omslachtige heen-en-weer redeneering van de Synode van 1905 (waarvan wij boven maar een gedeelde hebben afgeschreven) terugnemen en men moest zich als goede Gereformeerden houden aan onzen Catechismus, die zoo mooi en zoo duidelijk (niets te veel en niets te weinig) de dingen, waarop het aankomt en die ons geopenbaard zijn, zegt; en de dingen, die voor ons verborgen zijn, niet zegt.
En men moet vooral niet bij zulke gewaagde redeneeringen en forsche uitspraken komen met de forsche sommatie: een iegelijk die het zóó niet denkt en voelt en gelooft en zegt kan met een eerlijke consciëntie niet tot de Gereformeerde Kerken blijven behoor en.
Het eind van de misère is dan nog niet te zien; vooral nu niet, nu we 50 jaar na 1886 zijn gekomen !

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 mei 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 mei 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's