KERKELIJKE RONDSCHOUW
JUBILEUM-Bondsdag
De Bond van Hervormde Jongelingsvereenigingen op Geref. grondslag zal D.V. op Hemelvaartsdag a.s. in jaarvergadering bijeenkomen, om dan te gedenken, dat de Bond vóór 25 jaren is opgericht.
Men zal het kunnen verstaan, dat, waar wij zelf bij de oprichting van dezen Bond der jongeren zoo nauw betrokken zijn geweest, waar wij vele jaren voorzitter zijn geweest en nu nog eerevoorzitter mogen zijn, er groote blijdschap en dankbaarheid in ons hart is, nu deze Bond z'n zilveren jubileum in de Bisschopsstad — waar hij ook opgericht is — mag vieren.
De Heere heeft dit werk rijkelijk willen zegenen en wij hopen van ganscher harte dat, in goede samenwerking en in oprechte liefde, onze Gereformeerde Bond — de vader van den Jongellngsbond — en de Bond, die nu jubileert, mogen arbeiden tot zegen voor velen, ouderen en jongeren, in het midden van onze Hervormde (Gereformeerde) Kerk.
Het programma voor de jubileum-vergadering werd ons toegezonden, met verzoek het in „De Waarheidsvriend" te doen afdrukken, wat wij dan ook bij deze doen.
Het bericht van de Jubileum-commissie luidt als volgt:
»Op Hemelvaartsdag hoopt de Bond van Ned. Hervormde Jongelingsvereenigingen op Gereformeerden grondslag zijn 25-jarig bestaan te herdenken in een groote jubileum-Bondsvergadering in „Tivoli" te Utrecht.
Ook oud-leden en belangstellenden worden hiertoe uitgenoodigd. De vergadering zal onder leiding staan van den voorzitter der Jubileumcommissie, prof. dr. J. Severijn.
Sprekers zullen zijn : ds. H. A. de Geus, van De Bilt, die de herdenkingsrede zal houden, en ds. J. H. F. Remme, van Amsterdam, die de feestrede uitspreekt.
Toegangskaarten voor leden, oud-leden én belangstellenden kunnen worden aangevraagd bij den secretaris der Regelingscommissie, den heer C. A. Bakker, Keulschekade 32, Utrecht, alwaar ook de aanvragen voor logies moeten worden gedaan vóór 14 Mei a.s.
Secretaris der Jubileum-commissie is de heer S. Hammer, Burgemeester van Goudswaard en Piershil.
De toegangskaarten voor den Bondsdag geven recht op reductie van 45 % op den prijs der spoorbiljetten.
De huishoudelijke vergadering wordt de avond te voren gehouden in het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen te Utrecht.
Voor verdere mededeelingen wordt verwezen naar de „Vaandrager", Orgaan van den Bond«. Wij spreken gaarne de wensch uit, dat zeer velen naar Utrecht zullen gaan om deze belangrijke vergadering bij te wonen. En onze bede is, dat de Heere in Zijn rijke gunst alles mag wél maken, boven bidden en denken, om de verdienste van onzen Heere Jezus Christus, Die zit aan de rechterhand des Vaders
Het Koningschap van Christus. Over de Kerk als instituut.
We hebben de Kerk als organisme, als geestelijk geheel van al de uitverkorenen, die door den Vader gegeven zijn aan Jezus Christus tot verlossing en zaligheid — en we hebben de Kerk in haar institutairen vorm, zooals zij op aarde als instituut uitkomt, ingericht naar haar belijdenis, met haar wijze van Kerkregeering; dus in haar wijze van kerkelijk samenleven hier op aarde, met haar ambten en kerkelijke vergaderingen.
In de dagen van de Kerkhervorming is door onze Gereformeerde Vaderen over dien institutairen vorm der Kerk, over de wijze van kerkelijk samenleven, over de !ambten en de kerkelijke vergaderingen, weer principieel gesproken tegenover Rome eenerzijds en de Anabaptisten of Wederdoopers anderzijds. Want onze Vaderen moesten toen strijden tegen twee fronten, en ze hebben zich principieel verzet èn tegenover Rome's priesterheerschappij of Paapsche hiërarchie, maar óók tegen de overgeestelijke beschouwingen van de Anabaptisten, die zóó geestelijk waren, dat zij leefden hij het lumen internum of inwendig licht, bij de rechtstreeksche en innerlijke sprake van den Heiligen Geest, waarbij de onderzoeking van Gods Woord, de prediking, de Kerk, het ambt (ook de studie en dus het doctoren-ambt en de Academische opleiding) geenszins noodig werd geacht. Men was daarvoor veel te „geestelijk" en met bravour werd telkens gezegd : de Heilige Geest heeft ons dit geopenbaard, en de Heilige Geest heeft ons dat geopenbaard, waartegenover ieder dan maar zwijgen moest! Want men had immers de (geestelijke) wijsheid in pacht! Daarom werden zulke menschen ook wel genoemd : Spiritualisten of Enthousiasten).
Onze Gereformeerde Vaderen waren en bleven tegenover die „Geestdrijvers" heel nuchter en hielden zich aan Gods Woord. Dat z.g.n. geestelijk subjectivisme, waarbij de „vrome" mensch (heel gewichtig en geestelijk natuurlijk) gaat uitmaken hoe het wel en hoe het niet moet, kon onze Gereformeerde Vaderen allerminst bekoren en zij hebben, met Gods Woord in de hand, altijd ernstig tegen de subjectivisten gewaarschuwd. Terwijl zij ander zijde tegen Rome met haar priesterheerschappij (hiërarchie) gestreden hebben.
In de Nederlandsche Geloofsbelijdenis hebben onze Gereformeerde Vaderen de Schriftuurlijke beginselen klaar uiteengezet.
„Wij gelooven", zoo zegt art. 30, „dat deze ware Kerk geregeerd moet worden op geestelijke wijze" („naar de geestelijke politie", staat er, en dan beteekent hier politie „bestuurswijze"), zooals onze Heere ons geleerd heeft in Zijn Woord”.
„De staf des Woords" moest heerschen over de gemeente.
En welke waren dan de Schriftuurlijke beginselen ?
„Namelijk, dat er Dienaars of Herders moeten zijn, om Gods Woord te prediken en de Sacramenten te bedienen; dat er ook Opzieners en Diakenen zijn, om met de Herders te zijn als de Raad der Kerk".
Daar hebben we dus de Schriftuurlijke ambten in de Kerk !
„Om door dit middel de ware religie te onderhouden en te maken, dat de ware leer haar loop hebbe; dat ook de overtreders op geestelijke wijze gestraft worden en in den toom gehouden ; opdat ook de armen en bedrukten geholpen en getroost worden, naardat zij van noode hebben”.
Daar is dus : de prediking des Woords en de oefening der tucht; met de ambten van bedieaar des Woords en ouderling of opziener, samen vormend „de Raad; der Kerk".
En daar zijn ook de diakenen, opdat de armen en hulpbehoevenden geholpen en de bedrukten getroost worden !
„Door dit middel zullen alle dingen in de kerk wèl en ordelijk toegaan, wanneer zulke personen verkoren worden, die getrouw zijn, en naar den regel, dien de heilige Paulus daarvan heeft in den Brief aan Timotheüs". (Onze Vaderen spraken van Sint-Paulus of de heilige Paulus — wat wij gewoonlijk niet zoo doen).
Van de Overheid, van den Staat, moesten onze Gereformeerde Vaderen in dit verband niets hebben. Het ging hun in de Kerk om het Koningschap van Christus, om de kerkelijke ambten en de kerkelijke vergaderingen. Hier ging het om „de geestelijke politie", die ons onze Heere heeft geleerd in Zijn Woord !
Helaas ! heeft de Overheid, de Staat, de Regent telkens de handen naar deze dingen uitgestrekt. De Regenten wilden de macht hebben bij de beroeping van predikanten, bij de verkiezing van ambtsdragers, bij de bediening des Woords, bij de oefening van de tucht, bij de bediening der Sacramenten, vooral van het Heilig Avondmaal, bij de kerkelijke vergaderingen, bij de beslissing in leergeschillen, enz. enz. !
Altijd weer de Staat, de Overheid, die zich wilde indringen.
En op dit punt hebben onze Gereformeerde Vaderen practisch veel te veel toegegeven aan de politieke heeren ! Men wist wel hoe het moest toegaan in de Kerk — maar anders was dikwijls de practijk Dat men het wel wist, kan blijken uit Art. 31 van de Ned. Geloofsbelijdenis. Daar lezen we : „Wij gelooven, dat de Dienaars des Woords Gods, Ouderlingen en Diakenen" (dat zijn dus de drie ambten in Christus' Kerk !) „tot hunne ambten behooren verkoren te worden door wettige verkiezing der Kerk, met aanroeping van den Naam Gods en goede orde, gelijk het Woord Gods leert".
En om goede orde en discipline of tucht te hebben en te bewaren in de Kerk, was dan noodig dat „de Regeerders der Kerk" onder elkander een zekere orde voor het Kerkelijk leven samenstelden, een bepaalde Kerkorde of wijze van Kerkregeering, ook weer overeenkomstig de beginselen van Gods Woord.
Art. 32 Ned. Geloofsbelijdenis zegt daaromtrent het volgende :
„Intusschen gelooven wij, hoewel het nuttig en goed is, dat die Regeerders der Kerk zijn, onder elkander een zekere ordinantie instellen en bevestigen, tot onderhouding van het lichaam der Kerk — dat zij nochtans zich wel moeten wachten af te wijken van hetgene ons Christus, onze eenige Meester, geordineerd heeft". Eén is onze Meester ! Jezus Christus is onze Koning !
„En daarom verwerpen wij alle menschelijke vonden, en alle wetten die men zou willen invoeren om God te dienen en door deze de conscientiën te binden en te dwingen, in wat manier het zoude moge zijn".
Onze Gereformeerde Vaderen wilden dus alleen rekening houden met Christus en Zijn Woord en begeerden niet anders dan een „geestelijke politie" over de Kerk, een Schriftuurlijke wijze van Kerkregeering, door de Ambten en de Kerkelijke Vergaderingen. Jezus Christus is het eenig Hoofd van Zijn Kerk (het is Zijn Kerk; Hij zegt: Ik zal Mijn Gemeente bouwen ; de poorten der hel zullen Mijn Gemeente niet overweldigen, enz. enz. 't Is altijd „Mijn" Kerk — en van niemand anders !). Hij is — zooals onze Vaderen het noemden — „de eenige algemeene Bisschop, de eenige Meester, Die in Zijn Woord, ook voor het leven en de inrichting van Zijn Kerk bevelen gegeven heeft, waarvan nimmer mag worden afgeweken".
Van de ambten, met name van de Dienaars des Woords, wilden onze Vaderen nooit hooren, dat de ééne dominé boven de andere zou staan ! „En aangaande de Dienaren des Woords, in wat plaats dat zij zijn" (in welke gemeente zij staan) „zoo hebben zij eene zelfde macht en autoriteit, zijnde altegader Dienaars van Jezus Christus, den eenigen algemeenen Bisschop en het eenige Hoofd der Kerk". (Art. 31 Ned. Geloofsbelijdenis).
Van bisschoppen, superintendenten. Kerkvorsten enz. enz., wilden onze Vaderen niet weten, Ze hadden van die oppermachtige heerschers te veel ellende beleefd dan dat ze er één goed woord voor over zouden hebben. Zij wenschten een goede orde en tucht naar Schriftuurlijke beginselen ; met een goede Kerkorde „om eendrachtigheid en eenigheid te voeden en te bewaren, en alles te onderhouden in de gehoorzaamheid Gods" — „waartoe geëischt wordt de excommunicatie of de ban, die daar geschiedt naar den 233 Woorde Gods, met hetgene daaraan, verbonden is" (Art. 32 Ned. Geloofsbelijdenis).
Wij behoeven niet te zeggen, dat aan deze dingen, door onze Gereformeerde Vaderen 200 kloek beleden en zoo duidelijk uiteengezet en zoo krachtig verdedigd, in onze dagen veel, ja zéér veel ontbreekt. We hebben maar aan onze Synodale toesturen organisatie te denken, waaronder onze Hervormde (Gereformeerde) Kerk sinds 1816 zucht en we weten genoeg ! Waar zijn de ambten door Christus ingesteld, waar is de Kerkelijke orde door de Kerk zelve, naar het Woord des Heeren, vervaardigd ? Waar is het eendrachtig samen leven naar Gods Woord en de oefening der tucht over alles, dat met Gods Woord, en de belijdenis van den Christus in strijd is ?
Wij hebben Kerkelijke „bestuursleden", die met hoogheid bekleed zijn, in opklimmende reeks van Classicaal „bestuurder". Provinciaal „bestuurder" en de Synode is dan de hoogste wetgevende en rechtsprekenide „macht".
En is het om de eenigheid in de Kerk te bewaren en te bevorderen overeenkomstig Gods Woord, met de erkenning van Jezus Christus als Koning der Kerk ?
Was 't maar waar !
’t Gaat alles om de handhaving der reglementen, die juist ten opzichte van de belijdenis der Kerk zoo'n halfslachtig standpunt innemen. Met opzet zijn de mazen inzake de belijdenis zoo groot mogelijk gemaakt en ten opzichte van de bediening des Woords en der Sacramenten is met opzet alles op losse schroeven gezet, terwijl de gemeente, de Kerk zelve, machteloos staat. De reglementen zijn met opzet zóó ingericht, dat inzake de bediening des Woords, de prediking des Evangelies en de bediening der Sacramenten de meest tegenstrijdige dingen mogelijk zullen zijn en blijven in onze Hervormde Kerk. En de Kerk zelve heeft geen mond, om te kunnen en te mogen spreken !
We moeten weer terug naar de leer, naar de belijdenis, die naar Gods Woord is. We moeten weer terug naar de diensten en de ambten, die door Christus zijn ingesteld en verordend. Wij moeten in de Nederlandsche Hervormde Kerk weer terug naar de beginselen van de Nederlandsche Geloofsbelijdenis. Dat is historisch recht en dat is naar 't beginsel van Gods Woord. In onze eigen Kerk mag onze belijdenis, mag onze Borg en Middelaar, mag onze Koning en Hoogepriester, mag hetgeen ons 't meest heilig en dierbaar is, niet geloochend, niet gesmaad, niet bestreden worden ; al draagt men er zorg voor, dat in de oogen van „de hooge bestuursleden" aan de bepalingen van de Reglementen voldaan wordt.
Onder bescherming van de onkerkelijke kerkelijke besturen woekert het ongeloof rustig en vrij voort en worden de kenmerkende en fundamenteele stukken van de Gereformeerde belydenis, ja, de grondwaarheden der christelijke religie, geloochend.
Die Synodale besturenorganisatie moet weg — niet omdat we anarchisten zijn en alle wettig bestuur en alle geordende machten wèg willen hebben. We zijn niet tegen organisatie, tegen ordinantiën, tegen Kerkorde en Kerkregeering. Integendeel! De Gereformeerde Kerk heeft nooit voor een wetteloos kerkelijk leven geijverd. Steeds heeft zij als eisch gesteld, dat er „een zekere ordinantie moet worden ingesteld en bevestigd tot onderhouding van het lichaam der Kerk" ; maar zij heeft er dan altijd dadelijk bij gezegd, „dat zij nochtans zich wel moet wachten af te wijken van hetgeen ons Christus, onze eenige Meester, geordineerd heeft". (Art. 32 Ned. Geloofsbelijdenis).
Revolutionaire bewegingen, ook waar het de Reglementen en de Besturen der Kerk betreft, heeft de Gereformeerde Gezindheid in de Hervormde Kerk nooit willen steunen. Maar wèl hebben zij tegenover de Reglementen, met de Synode als hoogste wetgevende, rechtsprekende en besturende macht, gesteld het woord van den profeet: „De Heere is onze Rechter, de Heere is onze Wetgever, de Heere is onze Koning; Hij zal ons behouden".
Geenszins wil dat zeggen, dat er geen Synode moet zijn, geen ordinantiën, geen regels en wetten en voorschriften en bepalingen. Maar de Synode, die er is, moet het recht van de Kerk, de rechten van het Hoofd der Kerk, Jezus Christus, eerbiedigen. De verordeningen en de bepalingen, die er in de Kerk zijn, moeten zijn naar Gods Woord. En de Waarheid naar Gods Woord en naar de belijdenis mag door de reglementen niet bestreden of bemoeilijkt worden en nog veel minder moet de toeleg zijn, om de leugenleer toe te laten, te dulden, te beschermen en te bevorderen !
Er is een ban in het leger, bij ons ! De rechten van den Koning der Kerk worden verkort — juist, door het ja en neen zeggen tegelijk. Waarbij de sympathie telkens veel meer voor de neen-zeggers is bij de meeste besturen (althans geweest), dan voor de ja-zeggers ; en aan de vrienden der Waarheid niet zelden allerlei moeilijkheid in den weg wordt gelegd.
Daarom vragen wij, met onze belijdenis, „een kerkelijke regeervorm tot onderhouding van het lichaam van Christus, waarbij wij ons hebben te wachten af te wijken van hetgeen ons Christus, onze eenige Meester, geordineerd heeft". (Art. 32 Ned. Geloofsbelijdenis). En allen die tot het regeeren onzer Kerk geroepen worden, moeten „Dienaren van Jezus Christus zijn, den eenigen, algemeenen Bisschop en het eenig Hoofd der Kerk". (Art. 31 Ned. Geloofsbelijdenis).
De Vrijzinnigen en de Christusbelijdenis.
»De Vrijzinnigen houden aan Christus vast«, schrijft prof. Lindeboom, van Groningen, voorzitter van de Vereeniging van Vrijz. Hervormden. Dat zeggen de Vrijzinnigen altijd. Maar als nu gevraagd wordt: „wat dunkt u van den Christus ? ", dan gebruiken ze allerlei uitvluchten. Wanneer dan de rechtzinnigen spreken van „den Christus der Schriften" naar 't voorbeeld van den Heiland, Die Zelf „den Christus der Schriften" (van de Schriften des Ouden Testaments) aan de Emmaüsgangers predikte, toen dezen een anderen Christus zich gemaakt hadden, — dan maken de Vrijzinnigen allerlei noodsprongen, zooals menschen, die in de benauwdheid zitten, gewoonlijk doen. Want dan is hun antwoord : „weet men niet, dat de teekening door de H. Schriften gegeven, voor heel wat verschillenden uitleg vatbaar is? Gelukkig hebben wij, Protestanten, nog geen Paus, die ons op onfeilbare wijze verklaart, welke uitleg alleen geldigheid mag hebben. Wij laten ons door een mensch niet voorschrijven, welke de Christus is, die ons in de Schrift geteekend wordt«.
Men voelt: dat zijn uitvluchten ! Want geven de H. Schriften ons geen teekening van den Christus Gods ? Hebben de vier Evangeliën (we nemen ze met opzet alle vier by elkaar) niet één en dezelfde Christusbeschouwing, ook al hebben alle vier de Evangelisten een anderen opzet voor hun beschrijving van de dingen aangaande Jezus ? Durft men dat te ontkennen ? En heeft de Christelijke Kerk, in haar breede vertakking over de geheele wereld, niet één geloof en één belijdenis : Deze is de Christus, de 'Zone Gods, die de woorden des eeuwigen levens heeft ? Hij is de Verzoener van onze zonden, in Wien onze gerechtigheid', onze heiligheid, onze volkomene verlossing is ? En in elk geval, heeft de Ned.. Hervormde Kerk in haar belijdenis niet een beschouwing van den Christus der Schriften, welke belijdenis moet uitkomen in prediking, gebed, gezang, Sacramentsbediening, catechisatie, huisbezoek, ziekenbezoek, enz. enz. ?
Dat heeft niets met een Paus te maken. Dat is het leven, de kracht, de beteekenis der Kerk. Anders is de Kerk geen Kerk meer. De Kerk moet niet, mag niet opzij gaan voor een redeneering : wij laten ons de wet niet voorschrijven. Zij mag niet zwichten voor een z.g.n. wetenschappelijke ontkenning en verachting van haar eigen belijdenis, 't Gaat niet om bijzaken, maar om hoofdzaken, om de hoofdzaak : het fundament en het Hoofd der Kerk, de eenige en algenoegzame Zaligmaker, Dien de Heiland ons Zelf geteekend heeft, zeggende: „moest de Christus niet al deze dingen lijden en alzóó in Zijne heerlijkheid ingaan" ?
En het is volstrekt niet in strijd met het wezen der Kerk, dat zij acht geeft op de belijdenis aangaande den Christus en zich d, an stelt op den grondslag van de Heilige Schrift en van de belijdenis zelve.
Laten de Vrijzinnigen liever eerlyk zeggen : wij hebben een zóó verschillende belijdenis aangaande den Christus, dat wij zelf voelen, dat we niet kunnen samenwonen in één Kerk; en aangezien de Hervormde Kerk de rechtzinnige belijdenis heeft in al haar formulieren en belijdenisgeschriften, zullen wij met anderen gemeenschap zoeken en de Hervormde Kerk den scheidsbrief geven.
Het eerste wat gebeuren moet is, dat er komt een eerlijke en duidelijke vaststelling van de positie der Kerk. Van de Kerk van Christus. Van de Kerk des Woords.
CALVIJN EN DE SACRAMENTEN
Het Sacrament van de priester wijding.
Het zoogenaamde Sacrament van de priester wijding of kerkelijke ordening is in de oogen van de Roomsche Kerk zóó beteekenisvol, dat er eigenlijk wel zeven sacramentjes inzitten — en zóó zou Rome tenslotte van dertien Sacramenten kunnen spreken ! Het zijn zeven verschillende orden, die hier dan onder begrepen worden, elke orde weer met verschillende ceremonies, met verschillende gaven en krachten !
De zeven kerkelijke orden of graden zijn : deurwachters — lezers — bezweerders — acoluten of kaarsdragers, — onderdiakenen — diakenen — en tenslotte als zevende : de priesters. Zeven van die rangen of orden moeten er zijn, volgens sommigen, met een beroep op Jesaja 11 vers 2, waar sprake is van een zevenvoudige werking des Geestes, de Geest der wijsheid en des verstands enz., welke op Christus zou zijn. Maar anderen onderscheiden niet zeven, maar negen orden ; doch onder deze laatsten is weer verschil. Men spreekt dan van de gaven der triumfeerende Kerk. Sommigen willen dan weer, dat de tonsuur het eerste is en het bisschoppelijk ambt het laatste. Anderen, die de tonsuur niet willen meerekenen, noemen als het laatste het ambt van den aartsbisschop. Anderen spreken ook van de psalmisten of zangers. Zoo zijn de menschen het onderling oneens, wanneer zij over de goddelijke zaken zonder Gods Woord gaan strijden.
Nu is wel het meest dwaze, dat men gaat zeggen, dat Christus ook al die orden doorloopen heeft, waarbij de geordenden dan spreken over Christus als ware Hij hun ambtgenoot! Ze redeneeren dan : Christus is de tempelreiniger en zegt: Ik ben de deur". Dat zou dan zitten in de orde van de deurwachters ! Jezus heeft gelezen in de Synagoge, daarom komt Rome met het ambt van lezer ! Jezus heeft duivelen uitgeworpen en bezetenen verlost, daarom hebben de Papisten de orde van „bezweerder". En de kaarsdrager herinnert aan de woorden van den Heiland : „die Mij volgt, wandelt niet in de duisternis". Aan de voetwassching der discipelen ontleent Rome de orde van onderdiaken. Christus heeft in het Avondmaal Zijn lichaam en bloed rondgedeeld en daarvandaan hebben de Papisten het ambt van diaken ! En waar de Heiland Zich zelf geofferd heeft aan het kruis., ontleent de priester in de Roomsche Kerk daaraan zijn ambt!
Dat alles is — zegt Calvijn — geen ernstige bestrijding waardig ! Hij wil slechts enkele opmerkingen maken voor „de zwakke vrouwtjes". Waarom gebruikt Rome eenvoudige leeken en kinderen voor de diensten van „deurwachters", „lezers", „psalmisten", acoluthen of kaarsdragers ? Wordt men soms door lediggang die Sacramenten en den Heiligen Geest deelachtig ? En waarom geven hun „bezweerders" geen proeven van hunne bekwaamheid jegens waanzinnigen, ongeloovigen, bezetenen, enz. ?
Wat de ceremonies betreft: 't algemeene teeken van inlijving in den priesterstand is' de tonsuur of de geschoren kruin. Zij scheren hem het hoofd, opdat daardoor de koninklijke waardigheid aangeduid wordt, daar zij geroepen worden om zichzelve en anderen te regeeren. De kruin van het hoofd wordt ontbloot, opdat daardoor aangetoond worde, dat de geest vrij opstijgt tot God en zij met ongedekten aangezichte de heerlijkheid Gods aanschouwen ; of dat zij de begeerlijkheid der ooren en der oogen gedood hebben ; of dat ze den overvloed der tijdelijke goederen hebben weggeworpen. Het haar rondom de kruin beteekent dan, dat men slechts van de tijdelijke goederen overhoudt wat strikt noodig is. En toch — zegt Calvijn — zijn er geen schraapzuchtiger, dommer, wellustiger soort van menschen !
Wat de koninklijke waardigheid van den priester betreft (waarvan z'n kroon of tonsuur het teeken zou wezen) beroepen zij zich op 1 Petrus 2 vers 9, waar sprake is van een „koninklijk priesterdom". Maar dat ziet niet op de Roomsche priesters, maar op al de geloovigen ! En die behoeven waarlijk daarvoor geen kroon of tonsuur !
Voor dien clericalen kruin als zoodanig beroept men zich op de Nazareërs of op Paulus, die een gelofte gedaan en zich het hoofd te Kenchreën geschoren had. Hand. 18 vs. 18. Deze deed dat echter om zich te voegen naar de zwakheid der broederen, niet tot heiligmaking ; het was een gelofte, niet der godzaligheid, maar der liefde. Ook deed hij bet slechts éénmaal, en voor korten tijd. Met even weinig recht is het toeroep op 1 Cor. 11 vers 4, waar van de mannen in 't algemeen gezegd wordt, dat de mannen zich scheren en het haar knippen (in onderscheiding van de vrouwen), en verder: „Eten iegelijk man, die bidt of profeteert, hebbende iets op het hoofd, die onteert zijn eigen hoofd". Maar Paulus bedoelt met dat „iets" niet het hoofdhaar van den man zelf, doch een hoofddeksel. Niets anders dan van Joodsche gewoonten, gemengd met dwaze redeneeringen, weet Rome te spreken ten opzichte van deze plechtigheid der tonsuur.
De oorsprong van „de geschoren kruin" moet men hierin zoeken, dat weelderige pronkers — aldus Calvijn — vroeger lang haar droegen en den geestelijken geboden werd het hoofd, te scheren. Later is deze instelling in bijgeloovigheid ontaard.
Andere ceremoniën zijn deze : de deurwachters ontvangen bij hun wijding de sleutel der Kerk; de lezers de Heilige Schriften ; de exorcisten of de bezweerders de formules die daarvoor bestaan ; de acoluthen de waskaarsen en de kan of oliefleschjes dampullen). Ziedaar de ceremoniën, waarin dan, volgens Rome, de oorzaken van onzichtbare genade zouden liggen ! Ook volgens henzelven, waren deze mindere orden in de eerste Kerk onbekend. Maar hoe zullen ze dan Sacramenten zijn ? Ze zijn zonder gebod en zonder belofte en algeheel ijdelheid.
De drie andere orden noemen zij de meerdere of de heilige.
1. Priesters (offerpriesters). Hun ambt is: de offeranden des lichaams en bloeds van Christus op het altaar op te offeren, de gebeden te doen, de gaven Gods te zegenen. Dit is een vervalsching van de goddelijke instelling van het ouderlingschap, dat met offeren tot verzoening niets te maken heeft, maar dat toestaat in het bedienen van het Evangelie en het weiden der kudde. Dit ware onderlingschap zou veel meer een Sacrament kunnen heeten ! Want hier is althans sprake van eene door God ingestelde ceremonie, n.l. de oplegging der handen (1 Tim. 4 vers 14), die dan ook, op zich zelf genomen, niet te veroordeelen is, al kan het tot een bijgeloovigheid worden.
Maar de Roomsche Kerk aapt bij de priesterwijding na (en maakt er dan een kerkelijk Sacrament van !) wat Christus eenmaal deed en sprak. (Joh. 20 vers 22). Daar staat: , Hij blies op hen en zeide : ontvangt den Heiligen Geest". Zoo doen en spreken de Papisten ook, als er een priester gewijd wordt en zij meenen, dat de Heilige Geest daardoor gegeven wordt!
Calvijn zégt, dat ze op die manier alles wel kunnen gaan nabootsen, wat er van Christus in de Schrift staat; ze zouden ook wel kunnen overnemen het woord van den Heiland : „Lazarus, kom uit", of : „Sta op en wandel", enz. De zalving ontleenen zij aan Aaron , van wie zij, zeggen ze, ook de opvolgers zijn! Maar zoo blijven ze bij de Joodsche ceremoniën staan en verloochenen het priesterschap van Christus, , waardoor het priesterschap van Aaron vervuld en afgeschaft is, volgens den zendbrief aan de Hebreen. En waarom offeren dan de priesters b.v. geen kalveren en runderen ? Waarom niet alle ceremonies weer ingevoerd, ook Efod en Hoed, enz. enz. — en alles wat bij de priesterwijding, volgens Exodus 30, moest plaats hebben ? Waarom niet liever met bloed besprengd dan met olie ? ! Dat zou toch méér met Gods Woord overeenkomen.
De oplegging der handen, die in zekeren zin een Sacrament zou kunnen genoemd worden, is in zichzelve wel goed en naar Gods Woord, maar wordt door hen tot een gansch verkeerd doel gebruikt.
2. Diakenen. Deze worden geordend om den priester bij te staan in zijne werkzaamheden, In alles wat bij de Sacramenten verricht wordt, namelijk in den Doop, in de zalving, in den schotel, in de kelk; de offeranden aan te dragen en op het altaar te schikken ; de tafel des Heeren toe te bereiden en te dekken ; het kruis te dragen; het evangelie en de epistelen of brieven voor het volk te lezen en te zingen.
Is hier ook maar één woord toij over den waren dienst der diakenen ? Lees Handelingen 6. De bisschop legt zijn handen op den diaken. Hij legt hem het orarium of de stool (doek, kleed) op den linker schouder, als een teeken van het juk des Heeren. Hij geeft hem een tekst uit het Evangelie, als een teeken, dat hij de verkondiger van het Woord is. Maar wat gaan deze dingen de diakenen aan ?
3. Onderdiakenen. Wat zullen wij nog zeggen van de onder-diakenen ? Vroeger hadden zij voor de armen te zorgen, maar heden ten dage hebben zij niets dan beuzelachtige dingen te doen: kelk en schotel en waterflesch en handdoek naar het altaar brengen, water uitgieten om de handen te wasschen, enz.
Wat nu de ceremonies bij de wijding van deze personen betreft: de priesters ontvangen bij hunne inwijding een schaal met gewijde ouwels (hostiën), de handen worden hun ingesmeerd, ten teeken dat hun macht gegeven wordt om te offeren en te zegenen enz. — den diakenen legt de bisschop het orarium of de stool op den linker schouder en geeft hun een tekst uit het Evangelie; — de onder-diakenen ontvangen een schotel, een beker, een kruik met water, een handdoek, enz.
Zou de Heilige Geest in deze beuzelarijen vervat zijn en in dergelijke dwaasheden werkzaam wezen ?
Er is geen woord en geen belofte voor deze ijdele dingen en dus kan er van een Sacrament geen sprake zijn.
(Wordt voortgezet).
KOHLBRUGGE,
zijn levensgeschiedenis
De sprake Kanaans.
Een andere leerrede van Kohlbrugge, waar over nog al heel wat nagepraat is, willen we ook hier ter sprake brengen. Zij is gehouden op den 2den Pinksterdag, 5 Juni 1854. 't Opschrift heet: (De Sprake Kanaans, en wel naar aanleiding van Jesaja 19 vs. 18 : „Sprekende de sprake Kanaans en zwerende den HEERE der heirscharen".
Deze leerrede luidt aldus :
Mijne Geliefden ! Dewijl wij, voor zoover wij den Heere toebehooren, als ééne familie bijeen zijn, zullen wij het genot hebben, ons in deze ure te onderhouden in eene taal, die de wereld niet verstaat, die zij in hare hoogheid veracht, en die toch zoo vertrouwelijk en gemoedelijk, zoo welluidend en opwekkend is. De taal, die ik bedoel, heet bij den Profeet Jesaja „de sprake Kanaans" (Jesaja 19 vers 18).
Bij het vernemen hiervan beproeve zich een iegelijk, of zij hem klinkt als zijn eigene taal, of zij uit zijn hart gesproken is, dan wel of zij hem scherp, hard, ruw en bij gevolg vreemd voorkomt. Op de gansche aarde, zoover zij zich uitstrekt, zijn er menschen, die deze taal verstaan, die alleen dan gelukkig zijn, wanneer zij een landgenoot aantreffen, die met hen in deze hartetaai spreekt. Wat men overigens van haar moge zeggen. God noemt haar een reine spraak.
Het onderwijs in deze taal ontvangen en geven wij evenwel zóó, dat een ieder dadelijk daar aan weten kan, uit welk land hij is, en of hij Schibboleth of Sibboleth zegt. Richt. 12 vers 6. Het zij ons tot een kenmerk !
Wij nemen hiertoe aanleiding uit het feest, dat wij vieren, dat is uit het Pinksterfeest, opdat een iegelijk wete, of hij des Geestes van Christus deelachtig is, of niet.
Omdat de vorm van een Catechismus de beste leerwijze voor het onderwijs is, willen wij ons onderricht geven in vragen en antwoorden. (Gezongen : Psalm 89 vers 7 : „Hoe zalig is het volk, dat naar UW klanken hoort!") Mijne Geliefden ! Gij ziet mij aan en ik zie u aan, en dan vragen en antwoorden wij aan de hand van Gods Woord het navolgende : Vraag : Hoe heet gij ?
Antwoord : Ik heet een goddelooze, en toch een rechtvaardige ; een onreine uit de onreinen, en toch een heilige; ik heet een mensch, bij wien men niets, dat wat menschelijk is, vinden zal, en toch, ja juist zóó, heet ik iemand die „Godes" Is. Ik draag een naam, dien niemand kent, dan die hem ontvangt, en die naam is: zoon Gods, kind des Heeren. — Ik schrijf met mijne hand : „ik toen des Heeren" en ik word toegenaamd met den Naam van den God Jacobs (Jesaja 44 vers 5). Mijn naam is bekend in den hemel en daar staat hij goed opgeteekend met bloed in eene kroon; op aarde ben ik bekend en onbekend, en daar staat mijn naam slecht aangeschreven en toch gaan er ook wel goede geruchten van mij (2 Cor. 6 vers 8, 9). Dikwijls heb ik geen moed, om mijn naam te noemen, maar moet ik over boord (Jona 1) ; dan noem ik mij „een Christen", dat kan ik niet nalaten, vanwege de zalving, die op mij en in mij is.
Vraag : Welke is uw godsdienst ?
Antwoord: Naar mijn godsdienst toen ik een Hebreër, een Jood, doch de besnijdenis des harten ontvangen hebbende, en dat wel zonder handen (Rom. 2 vers 29). Verder is dit mijn godsdienst, dat ik mij houd aan den onzichtbaren God, Die den hemel en de aarde gemaakt heeft, alsof ik Hem zage ; dat ik Hem alleen vrees en Zijne geboden onderhoud. Mijn godsdienst bestaat hoofdzakelijk in het doen, en daarbij in getuigenis af te leggen daarvan, dat een Ander alles voor mij en door mij doet, en dat ik bij al mijn doen niets anders op het oog heb, dan de eere Zijns Naams en het waarachtig heil mijns naasten.
Vraag: Hoe oud zijt gij?
Antwoord : Ik ben een pasgeboren kindeken, begeerig naar de redelijke en onvervalschte melk, opdat ik door dezelve moge opwassen (1 Petrus 2 vers 2). Overigens heb ik óok wel vernomen — en dit geschiedde in geen hoek — dat God mij van eeuwigheid gekend heeft; daarom reken ik mijn leeftijd óok wel van dat oogenblik af; overigens ben ik altijd tevreden, als God tot mij zegt: , 36den heb Ik u gegenereerd".
Vraag: Waar zijt gij geboren?
Antwoord : Eerst ben ik geboren in een paradijs, — daar stierf ik; anders reken ik mijne geboorte van dat oogenblik af, dat de raad, des vredes ook voor mij werd gehouden. Ik zag evenwel het eerste levenslicht in de stad des verderfs, in het land der Amorieten en Hethieten. — Wederom werd ik geboren te Bethlehem en op Golgotha; — en eindelijk in de grondelooze diepte mijner verdorvenheid ; daar was het tevens een vlak veld, waar ik heengeworpen, lag in mijn bloed, en waar niemand naar mij omzag, dan God. Ezechiël 16 vers 5, 6.
Vraag: Wanneer zijt gij geboren ? Antwoord : Het was een donkere nacht — maar met eene snelheid, grooter dan die der hinde, brak over mij het morgenlicht aan.
Vraag: Wie is uw vader?
Antwoord : Mijn eerste vader was een bedorven Syriër ((Deut. 26 vers 5) ; hij is zeer rijk geweest, heeft groote schulden gemaakt en niets kunnen betalen. Deze schuld, ging op mij over, en al werkte ik nu ook mijn leven lang met vlijt, dan zou het toch een eeuwig blijven.
Vraag: Wie is uwe moeder?
Antwoord : Mijne moeder is „vleesch", en toen zij mij baarde, baarde zij" mij als een verdraaid kind; mijn geheele innerlijk wezen toestond uit ondeugd, uit haat tegen God en den naaste, en in de gansche ziel en het gansche lichaam was niets dan allerlei ziekte der zonde en de dood.
Vraag: Hebt gij nog een anderen vader?
Antwoord : Ik word in den nood gedrongen en geperst, om uit te roepen : „Abba, lieve Vader !" — en als ik dan nederzit als een weenend kind, dan drukt Hij mij aan Zijn hart en spreekt mij moed in. Hij is een Vader, Die mij in Zijn huis heeft opgenomen en op voorspraak van Zijn eenig ééngeboren Kind heeft aangenomen. Hij is de God en Vader van mijn Heere Jezus Christus. Ik schaam mij, dat ik zeggen moet, dat ik zoo dikwijls den moed niet heb, om te bekennen dat deze glorierijke Vader mijn Vader is, dewijl ik zulk een slecht, ongehoorzaam en ondankbaar kind ben; — maar toch : Vader is Hij, mijn God en mijn Vader, en Hij zal het blijven.
Vraag : Hebt gij ook nog een andere moeder?
Antwoord : Ja, mijne andere moeder, die mij uit God door het Woord, door overschaduwing des Heiligen Geestes ontvangen en gebaard heeft, is een vrije, eene edelvrouw; zij heet; het Jeruzalem, dat boven is. Gal. 4 vers 26. Door deze moeder weet ik het, van welken Vader ik een kind ben. Zij was zeer oud, toen zij mij baarde, en allen zeiden, dat zij nooit een kind zou ter wereld brengen, want zij was onvruchtbaar en te zwak.
Vraag : Hebt gij ook broeders en zusters?
Antwoord: Somtijds denk ik, dat ik geheel alleen sta en eenzaam en verlaten op de wereld ben ; dit zal echter wel ten deele aan mijne eigenzinnigheid, eigenliefde en aan mijn hoogmoed liggen. Soms vind ik een broeder of een zuster, die mij verstaat. Maar naar het Woord mijns Vaders heb ik er 144.000, en daarenboven nog zoo velen, dat niemand hen tellen kan. Openb. 7 vers 4 en 9.
(Wordt voortgezet.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 mei 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 mei 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's