De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HET VERBOND GODS MET DEN MENSCH

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET VERBOND GODS MET DEN MENSCH

SlotbeschOuwing.

11 minuten leestijd

Het was onze bedoeling op twee eigenaardige vormen van subjectivisme te wijzen, waardoor het verbond der genade zijn eigen karakter verliest.
Eenerzijds was dat het subjectivisme van ds. Diemer, die getracht heeft de lijn van dr. Kuyper getrouw door te trekken en die daarin zoó consequent is te werk gegaan, dat hij tal van factoren in de werken van Kuyper, die op een andere lijn wijzen, heeft uitgesneden. Het verbond der genade wordt dan geheel op de wedergeboorte bevestigd, ja wordt gezien, als in die wedergeboorte besloten te zijn. De belofte des verbonds wordt hier tot een uitwendige en bijkomstige zaak. Zonder de inwendige vernieuwing zou van een vertoond niet gesproken kunnen worden. Deze beschouwing verleidde ds. Diemer tot de gedachte, dat Adam en Eva reeds wedergeboren moeten zijn geweest, toen God het woord van genade tot hen sprak, waarin het verbond der genade hen werd geopenbaard.
Ook hier wordt dus feitelijk door het monopleurische karakter van Gods verbond een streep gehaald. Zoolang als de mensch niet wedergeboren is en daarmede van zijn kant weer aan God en Zijn dienst vertoonden, is er geen verbond. In de wedergeboorte hebben we dan de oprichting van het verbond te zien. Later wordt dan het verbond geopenbaard van Gods zijde in de belofte des verbonds en de mensch openbaart, dat hij in het verbond staat door te gelooven, maar dit alles is bijkomstig.
Het gevolg hiervan is, dat het verbond een onveranderlijke statische grootheid wordt. De mensch is een bondeling door de wedergeboorte ; zijn geloof is bewijs van de wedergeboorte en als zoodanig van zijn in-zijn in het verbond. Het subject wordt hier losgemaakt uit de subject­-object .betrekking. De mensch. is niet goed, als hij in de juiste verbondsverhouding tot zijn God staat; hij wordt hier goed op zich zelf. Door de wedergeboorte is hij inwendig veranderd, draagt hij een nieuwe levenskiem in zich om en van dat nieuwe leven, dat hij in zich omdraagt, geeft hij getuigenis door zijn geloof en wandel. Of hij in en uit een levende verbondsbetrekking met zijn God leeft, wordt hier bijzaak. Hoofdzaak is het bewijs van zijn bondelingschap, dat hij toont in zijn geloof en wandel.
Niet gaarne zou ik willen beweren, dat dit het algemeen gevoelen is van de Gereformeerde Kerkten, maar wel ben ik overtuigd, dat ds. Diemer in zijn voorstelling der dingen niet alleen staat, maar dat hij weergeeft, wat bij een groot deel in de Gereformeerde Kerken leeft. En juist daardoor is de verbondsleer bij onze menschen vaak verdacht geworden als niet in overeenstemming met onze belijdenisgeschriften, want zij zagen, hoe bij velen in de Gereformeerde Kerken het verbond tot een vormelijke grootheid werd. Wanneer men slechts rechtzinnig in belijdenis was en kerkelijk getrouw medeleefde, was het al goed. Dat was immers het beste bewijs, dat men wedergeboren was en dus in het verbond begrepen. Het verbond was geien levende bewogen geloofs-en liefdesbetrekking, maar een juridische verhouding, waarvan men de bewijzen overlegde, zooals men het bewijs van zijn Nederlanderschap overlegt of van zijn lidmaatschap van een of andere vereeniging. Zelfs gingen sommigen zoo ver, dat zij de verborgen omgang met God, gevonden door zielen, waarin Zijn vreeze woont, verwezen naar het rijk der valsche mystiek. Zelfgenoegzame christenen werden daaruit geboren, die alles bezaten, wedergeboorte, geloof, bekeering, gehoorzaamheid ; wat kon men meer van hen eischen ? Zoo behoudt men het verbond als een soort huurcontract, maar raakt den God des verbonds kwijt. De godsvrucht en het geloof worden van vormelijken aard, omdat men ze scheidt van de gemeenschap des geloofs met den levenden God.
Om der wille van deze vrucht, die, naar de praktijk leert, niet enkel denkbeeldig is, waarschuwde ik voor die gedachte, die het verbond doet rusten op en in de wedergeboorte. In de tweede plaats heb ik een waarschuwend woord willen doen hooren tegen het subjectivisme van ds. Kersten en de Gereformeerde Gemeenten, een subjectivisme, waarvoor onze gemeenten veel meer bloot liggen dan voor het eerste.
Ook hier laat men feitelijk het verbond rusten in de wedergeboorte, maar dan niet in een wedergeboorte, die men veronderstelt in de jonge kinderen reeds te liggen, maar in de wedergeboorte, waarin men zich bewust is tot verandering des levens gekomen te zijn, voorzoover men kan zeggen : God riep mij uit de duisternis tot zijn wonderbaar licht. Met hen, die van den ouden Adam werden afgesneden en in den nieuwen Adam ingelijfd, richt God Zijn verbond op. Tot bekeering en geloof moet men eerst gekomen zijn en anders staat men buiten 't verbond. Ook hier wordt de mensch dus weer naar zich zelf verwezen. Hij moet - eerst met zich zelf klaar komen, met zijn bekeering en geloof, dan komt er een goede grondslag voor het verbond. Laat ik nu maar zwijgen van degenen, die nooit met deze dingen Maar komen, die altijd in de duisternis blijven omtasten, omdat zij zulke geringe gedachten hebben van hun bekeering en geloof, zich zelf nooit anders kunnen zien dan als de slechtste christenen, die er misschien rondloopen. Aan het verbond komen deze menschen nooit toe, omdat de rechte grondslag, waarop het verbond volgens hen moet rusten, bij hen gemist wordt. Daarom gaan zij ongetroost hun weg.
Maar van deze menschen wil ik zwijgen, om te wijzen op hen, die dezen grondslag wel in zich zelf deelachtig worden. Het kan niet anders, of ook hier is zelfgenoegzaamheid de noodzakelijke vrucht. Van de beloften des verbonds keert men zich af naar den grondslag, waarop het verbond in hen rust, naar hun bekeering en inlijving in Christus. Men legt deze gedurig op tafel, om daarmede de bewijzen te toonen, dat men een bondeling is geworden. Men behoudt het bondgenootschap, maar raakt den levenden God des verbonds kwijt.
Het is niet noodig uit de practijk aan te wijzen hoe ook deze vrucht niet denkbeeldig is. Hoogmoedig en ongenaakbaar worden tal van deze christenen. Zonder ophouden zijn zij met elkander in strijd, wie van hen wel de meeste is in de genade. Men tracht elkander te overtroeven en wordt gedreven door een ziekelijke zucht om van anderen als ware christenen te worden erkend. En dat alles, wijl men ook hier de mensch losmaakte uit de verbondsbetrekking met God en hem op zich zelf nam als bekeerd, wedergeboren, veranderd, doorgeleid. De christen wordt hier iets met zijn bekeering en geloof, een belangrijk mensch in eigen oogen en in de oogen van anderen. De heiligenvereering — maar geen doode heiligen, als in de Roomsche Kerk, maar levende — is in deze kringen geen fantasie, maar werkelijkheid, en de heiligen laten zich maar al te gaarne deze vereering aanleunen. Zelfs is hieruit een Protestantsche orde van rondreizende bedelmonniken en nonnen voortgekomen.
’t Is meer dan noodig, willen wij de verbondsgedachte niet gansch verliezen, om tot een zuivere verbondsleer terug te keeren.
Allereerst hebben wij het verbond der genade dan te zien als zuivere vrucht van genade en daarom geheel van God uitgaande, zonder aanmerking van iets in den mensch, opgericht met den gevallen mensch, die geheel verloren ligt in zonde en schuld en daarom gegrond op het zoenoffer van den Borg en Middelaar.
Als daarom tot het zaad Abrahams gezegd kan worden : u komt de belofte toe en uw kinderen, dan is dat niet, wijl vleeschelijke betrekking tot Abraham recht doet hebben op het verbond, maar dan wordt dat gezegd krachtens de genadige beschikking, die God in Zijn vrij macht genomen heeft, richtende Zijn verbond op met hem en zijn zaad.
Het is dus enkel genade, als wij onze kinderen ook mogen zien als mede in het verbond Gods en Zijn gemeente begrepen te zijn en hen daarom dit verbond met het teeken des Doops doen verzegelen. Mochten zij zich later op vleeschelijke betrekking en voorrechten gaan beroepen en verheffen, zoo dwalen zij als het oude Jodenvolk en verloochenen den eenigen grondslag des verbonds.
In de tweede plaats hebben wij dit verbond, vrucht van vrije genade, alleen door God met ons opgericht en niet door ons met God, te zien als tot ons uitgaande en voor ons vastliggende in de beloften des verbonds. Het verbond en zijn beloften verplichten, roepen en. brengen tot geloof. In en door het geloof alleen wordt het verbond van 's menschen zijde aanvaard, kan uit het verbond worden geleefd.
Misschien is het echter te neutraal om zoo te spreken en is het beter te spreken niet van het verbond, maar van den God des verbonds, die in het verbond ons met Zi3ü„, beloften tegenkomt, die in en door de belofte Zichzelf wegschenkt aan ons. Daardoor wordt de belofte niet tot een op zich zelf staande grootheid, maar is de belofte een levend getuigenis van den Heiligen Geest, waardoor Hij ons de liefde en genade Gods komt te ontsluiten. Hij is het, die in en door de belofte tot geloof verplicht en roept, die ook het geloof werkt door te overtuigen van de waarachtigheid van Gods belofte.
Door het verbond en de verbondsbelofte in dit licht te plaatsen, wordt voorkomen, dat beide tot een vormelijke grootheid worden, die men afscheidt van den levenden God en Zijn openbaring. Terwijl mede het gevaar wordt afgesneden om naast de belofte des verbonds en daarboven uitgaande een andere openbaring te plaatsen, waardoor men in de gemeenschap met God wordt opgenomen.
De belofte des verbonds is de eenige weg, waarlangs God Zijn genade ons bewijst en wij in de gemeenschap met God worden opgenomen. Het is een nederige weg, waaraan menigeen zich stoot, wijl men geen heerlijkheid daarin kan zien, gelijk men geen heerlijkheid heeft gezien in den Zoon des menschen. Het is zoo eenvoudig, schijnbaar oppervlakkig; de meeste menschen willen den weg veel ingewikkelder hebben, maar zij zien niet, dat achter het kleed, der nederheid goddelijke heerlijkheid schuil gaat. Wie in de belofte des verbonds het getuigenis des Heiligen Geestes beluisterde, ergert zich niet aan Gods weg, maar verheerlijkt God, die met Zijn genade zoo diep wilde afdalen.
In die derde plaats wordt duidelijk, dat God, Zijn verbond met ons oprichtende, niets van ons vraagt dan geloof en dat geloof alleen tot de zaligheid brengt. Het getuigt van eenzijdigheid aan Luthersche zijde, dat men het sola fide, door het geloof alleen, .beperkt heeft tot het stuk van de rechtvaardigmaking. Door de leer des verbonds moest het 'Gereformeerd Protestantisme deze eisch doortrekken in alle stukken. Zooals het verbond heel onze verhouding tot God in zich besluit, de grondslag der ware religie is in al haar omvang, zoo geldt de eisch des geloofs ook voor heel het terrein der religie en is het geloof de eenige wortel der ware godsvrucht.
Juist door de verbondsleer komt het Gerefor­meerd Protestantisme niet in één stuk, maar in alle stukken vierkant tegenover Rome te staan, wijl het ten allen tijde en overal geloof vraagt; de eerste voorwaarde van goede werken, waardoor zij waarlijk goed genaamd kunnen worden, is volgens den Catechismus het geloof. Ons gebed is Gode alleen weibehaaglijk, als het uit het geloof is. Zoo wordt heel de religie teruggebracht tot het geloof, d.i. de rechte verbondsbetrekking van den mensch tot God.
Wie zich nu herinnert, wat wij van de belofte des verbonds zeiden, n.l. dat zij een getuigenis van den Heiligen Geest is, zal mede begrijpen, dat dit geloof geen dood geloof is, niet een verstandelijk werken met begrippen, maar de overwinning van den H. Geest over den mensch. In het geloof heeft de Heilige Geest de mensch teruggebracht tot de rechte verhouding tot God en heeft Hij weer bezit van dien mensch genomen. Daarom is dit geloof niet alleen tot rechtvaardigmaking, maar ook tot heiligmaking en kan de geloofsbelijdenis zeggen, dat wij door dit geloof worden wedergeboren tot een nieuw leven. In het ware geloof ligt de waarachtige bekeering besloten. Daarom kan Jezus de eisch der bekeering en des geloofs samenvoegen en laat de Schrift nxi eens de bekeering en dan het geloof voorgaan.
De juiste leer des verbonds maakt de mensch niet tot een stok en blok; zij maakt de eisch des geloofs krachtig en bindt die op het geweten ; zij geeft ook vrijmoedigheid tot het geloof en verwekt het geloof.
O. a/d IJ.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 mei 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

HET VERBOND GODS MET DEN MENSCH

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 mei 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's