De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MANKE MURK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MANKE MURK

EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN

6 minuten leestijd

Met toestemmingf uitgever J. H. Kok te Kampen
Toen hadden die heilsoldaten een kring om Murk gevormd en waren allen te zamen met hem neergeknield en hadden God voor hem gesmeekt om ook door zijn schuld de bloedstreep van Golgotha te halen en in zijn ziel den vrede te doen neerdalen, die alle verstand te boven gaat. Wonderlijk was het, maar vanaf die ure wist Murk zich een ander man. Hij was van zijn knieën opgestaan met de volle overtuiging in zijn ziel, dat hij het eigendom des Heeren was geworden, zoodat hij over de eeuwige, onvergankelijke dingen spreken kon met een zekerheid, waarover vrouw Zantema, en zij waarlijk niet alleen, zich altijd verwonderde, misschien wel ergerde. Hij kon zingen :
»Keer mijne ziel tot uwe ruste weder. Gij zijt verlost, God heeft u welgedaan*.
Die Zondag was voor Murk geworden de geboortedag van zijn nieuwe leven, en dien vergat hij nooit meer. Neen, hij liep daarmede niet te koop, maar èlk voelde wel, dat hij iets beters had, dan vele andere menschen en dat hij voor al de schatten der wereld ook niet missen wilde.
Vanaf dien dag was hij voor Gabe en Dirk van de „Bargepels", en hoe die andere kornuiten mochten heeten, voor goed verloren. Niet, dat hij zelf den omgang met hen verbrak, maar zij voelden zich bij Murk niet meer op hun gemak. Hij was zoo geheel anders geworden.
Murk was zoo vroom, en dat nog niet alléén, maar daarbij zoo verschillend van velen, die ook wel godsdienstig waren en heel wat dingen niet deden, waar anderen geen kwaad in zagen, doch van wie men verder niet merken kon dat zij zich in iets gingen onderscheiden.
Nog eenmaal had Murk getracht de kameraden tot andere gedachten te brengen. Had hij den zegen van het kindschap Gods en de verzegeling des Geestes ook niet ontvangen om deze dóór te geven onder de menschen ? En toen had hij hun voor eens en voor altijd gezegd wat er met hem was gebeurd, vrij en onbewimpeld. Van de droefheid over de zonden van zijn leven had hij hen gesproken, ook over zijn vrees voor het Godsgericht, en hen gewezen op het schrikkelijke feit van te liggen onder het oordeel der verdoemenis. Maar tevens had hij hun toen voorgehouden de blijde verlossingsboodschap, welke vanaf 't kruis van Golgotha der wereld verkondigd wordt, en hoe hij daarin vrede voor zijn hart gevonden had met de begeerte, om nu voortaan voor Hém te leven, die hem had vrijgekocht en verlost.
Doch daar hadden de vrienden niet bij gekund, 't Was te hoog of te diep, maar in elk geval paste het niet voor hen. 't Leven in de wereld hadden zij liever dan dat andere, 't welk hun niets dan dweperij scheen. En men was immers maar eenmaal jong ! Wat bleef er van hun fleurig leven over, als zij nu al van de wereld afscheid namen ? Dat zou over tien of twintig jaren, wanneer zij eerst van alles volop genoten hadden of getrouwde menschen waren, zin hebben, maar nu nog niet. 't Leven was soms al zoo zwaar en vreugdeloos, een weinig genot, altijd binnen de perken van het fatsoen, mocht er wel bij. Daar was geen zondekennis, dus ook geen zondesmart, en daarom óók geen behoefte aan de verzekering, dat God om Christus' wil vergeving van zonden en een eeuwig, zalig leven had bereid voor allen, die gelooven. De scheidslijn tusschen de vrienden was getrokken, de verwijdering kon niet uitblijven.

TWEEDE HOOFDSTUK.
Kort daarop kwam er verandering in de levensrichting van Murk. Bij het ouder worden bleek hem het landwerk, waarbij hij was opgegroeid, te zwaar. Hij kon, tengevolge van dat eene been, niet opkomen met anderen en was gewoonlijk een der eersten die ,, gedaan werk" kreeg. Alleen in den drukken tijd, en dan nog voor lichten arbeid, kon men hem gebruiken.
„Zal ik je eens iets zeggen. Murk ? " sprak boer Siderius bij gelegenheid, dat hij hem op een Zaterdagavond uitbetaalde, maar meteen een aanloopje zocht, teneinde van hem af te komen: „Je bent een beste kerel, en ik houd van je, maar voor landwerk deug je niet. Zoolang het hier beneden geen philantropische inrichting is, zal jij aan het kortste eind trekken. Eer we tien jaar verder zijn, ben je versleten, en dan is 't te laat. Daarom raad ik je : zoek wat anders. Je mondje is goed, en de menschen mogen je wel, daarom, ga in den handel, 'k Wil je vijftig gulden leenen, om te beginnen, die je kunt afbetalen naar verkiezing. Kom, geen waterlanders, vent", bemoedigde de boer, toen hij zag, dat Murk zoo bedenkelijk met de oogen begon te knipperen en heimelijk iets zocht weg te vegen, „daar ben je nu weer veel te flink voor. We zijn geen jonge meisjes en je weet, dat ik het niet zoo kwaad meen. Denk er maar eens over na en kom mij Maandag zeggen, hoe je besloten bent".
Dat woord had hem evenwel aangegrepen en niet weer losgelaten. Slapeloos wentelde hij zich dien ganschen nacht op zijn legerstee en moest al maar denken over hetgeen de boer gezegd had. „De wereld geen philantropische inrichting". Neen, dat wist Murk ook wel en had hij al lang ondervonden. Van de jeugd afaan reeds, en nóg meer dan dat. Reeds vroeg had hij zijn ouders verloren. Moeder nooit gekend ; vader ternauwernood, en zijn oudsten broer, maar die later naar Amerika ging. Nog waren er wel eenige neven en nichten, die her en der verspreid woonden, maar die lieten zich ook al niets aan den wees gelegen liggen. Och, d'r was immers niets van den armen knaap te halen en elke inmenging in zijn toekomst zou maar ten gevolge hebben, dat men geroepen werd geldelijken steun te verleenen. Daarom liet men zijn opvoeding aan vreemden over. Hoogstens, dat eens een sinaasappel of een stukje chocolade of een kleurboek aan den jongen gegeven werd, toen hij wekenlang in een krib moest liggen, met het zieke been in een rekverband, om verdere inkrimping te voorkomen. te voorkomen. (Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 mei 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MANKE MURK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 mei 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's