De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VAN DEN WOORDE GODS

UIT HET ONGESCHREVEN WOORD

10 minuten leestijd

Genesis 8 : 22. Voortaan al de dagen der aarde zullen zaaiïng en oogst, en koude en hitte, en zomer en winter en dag en nacht niet ophouden.

XXVI (Slot).
5e Serie.
Wij menschen leven maar al te dikwijls, alsof ons leven, onze levensgaven, de wereld, waarin wij verkeeren, de natuur, die ons omringt, ja, alle dingen er nu eenmaal zijn als vanzelf sprekend, als bewogen op de wijze der klok, als gedragen door van de natuur en de dingen inwonende kracht. Wij verwonderen ons dan ook, over de grootsche krachten der natuur, wanneer zij zich voor onze oogen op eene bijzondere wijze openbaren. De natuur, de wereld, de hemelen boven ons met het wonderschoone firmament, dat ons de millioenen hemelbollen laat verschijnen in den helderen winternacht, deze alle zien wij soms aan als een machtig uurwerk, gedragen door de inwonende krachten, die het al bewegen. Toch is het niet alzoo al schijnt het ons toe. De schepselen zijn niet gebouwd als een uurwerk, welks kracht werd neergelegd in de veer. De Heere heeft ze niet uitgestooten in de eindelooze ruimte, opdat zij nu voortaan aan eigen ontwikkelingskrachten overgelaten zouden zijn. Integendeel, Hij draagt, ook als de dingen geschapen zijn, ze alle door het Woord Zijner kracht. Hij schept ze niet alleen, roept ze niet slechts in het aanzijn, maar Hij onderhoudt ze ook. Hij blijft ze dragen, doet ze niet alleen ontstaan, maar ook voortbestaan, zoo lang als Hij wil. Zoo is er dus eene levensbetrekking tusschen God en Zijne wereld, zoodat zij nimmer is in onafhankelijkheid van Hem, nooit is overgelaten aan zichzelve, nooit is prijsgegeven zonder meer aan eigene, zelfstandig in haar inwonende wetten, die hare levensontwikkeling beheerschen. Of de schepselen daarvan wetenschap hebben of niet, doet niet af aan het levenscontact, dat de Heere bindt aan Zijn creatuur en het creatuur legt als in de hand zijns Gods. De Heere is de Schepper en de Onderhouder tevens van al wat Hij aanzijn heeft geschonken. Er is dus geen schepsel denkbaar, dat niet van God zou afhangen. Zelfs de Satan en zijn heirleger, ook de gruwelijkste mensch, wiens vervloeking opgaat tot den Almachtige, Wiens streefkracht dingt naar de ontwrichting der souvereine majesteit Gods, zij danken toch alle hun bestaan aan den eeuwigen Schepper van de einden der aarde. Dat is juist het ontroerende ook voor den mensch in zijne zonde, dat hij met zijn verzondigd bestaan toch in Gods hand is, dat toch blijft gelden : „in Wiens hand onze adem is en bij Wien al onze paden zijn". Daarom kan dan ook onze Catechismus zeggen, dat alle schepselen alzoo in Zijne hand zijn, dat zij tegen Zijn wil zich noch roeren, noch bewegen kunnen.
Zoo staat en bestaat een wezen, hoe groot ook of hoe klein op zichzelf en rust het alles in Gods daad alleen. Dat geldt van de enkele dingen, dat geldt ook het gansch heelal, de hemelen boven ons, de aarde onzer onzen voet, de geweldige hemellichamen, me zich wentelen langs de wegen, hun door den Heere bepaald, het geldt ook de nietigste stofjes der aarde, de myriaden der voor het oog onzienlijke grondelementen, die als de bouwsteenen zijn, waaruit de Heere het al heeft geformeerd. In Hem leven wij en bewegen wij ons en zijn wij. En Hij is de eeuwig Zijnde, de eeuwig Levende, die het leven heeft in Zichzelven, doch daarom of naar het woord van Jezus de immer werkende is. Mijn Vader werkt tot nu toe. En daarom zijn wij en zijn alle dingen zoolang, totdat zij Zijn Raad hebben uitgediend.
Als wij, menschen, dus spreken van de wetten der natuur, dan beteekent dit niet, dat die natuur zich zoó maar, in eigen zelfstandigheid en door eigen kracht bewogen, tot ontwikkeling brengt, doch dat zij in heel dit wondere, op ondoorgrondelijke wijze zich ontvouwend proces, wordt gedragen door Gods kracht. Door het geloof verstaan wij, dat de wereld door het Woord Gods is toebereid, alzoo dat de dingen, die men ziet, niet geworden zijn uit dingen, die gezien worden. Zij zijn geworden door die verborgene, onzienlijke kracht van Hem, aan Wien Gods kinderen als een Mozes zich vasthouden, ziende den Onzienlijke. En zoo leert Gods kind het ook kennen, wanneer het zich bij het licht van Woord en Geest bezint op den diepen ondergrond van eigen leven, als het de ruisching beluistert van zijn bloed, de klopping des harten, den polsslag des levens. Dan ontmoet het de verborgen krachten des levens, die de Heere zelve, als de eeuwige Schepper en Onderhouder ook van zijn leven, uitstort van oogenblik tot oogenblik.
Zoo is er dus tusschen God en schepsel een levenscontact, dat de Heere onderhoudt, dat de Psalmdichter aldus bezongen heeft: „Gij onderhoudt mijn lot". Of zooals in Ps. 139 geschreven staat: „Gij bezet mij van achteren en van voren en Gij zet Uwe hand op mij. Indien ik zeide : de duisternis zal mij immers bedekken, dan is de nacht een licht om mij. Mijn gebeente was voor U niet verborgen, als ik in het verborgene gemaakt ben en als een borduursel gewrocht in de nederste deelen der aarde. Uwe oogen hebben mijnen ongevormden klomp gezien. En al deze dingen waren in Uw boek geschreven, de dagen, als zij geformeerd zouden worden, toen nog geen van die was". Zoo is dus God de eeuwig werkende, die zyne eeuwige Godsgedachten volbrengt. En zoo bestaat er dus eene blijvende levensbetrekking tusschen God en Zijne schepselen. En die levensbetrekking noemt nu Gods Heilige Geest in de Schrift met het woord „ver­bond", wanneer de Heere namelijk aan Zijn volk die levensbetrekking ontdekt, wanneer Hij de oogen Zijner kinderen er voor opent en wanneer Hij hun de vastheid en de onwrikbaarheid van die uit Zijn scheppend en onderhoudend werken volgende orde openbaart, om hen daardoor ook in den weg der zaligheid te onderwijzen. Zoo heeft Hij gedaan door Jeremia's profetie, als Hij om het volk te sterken in het geloof, wanneer het naar Babel zal worden weggevoerd. Hij de belofte geeft, dat Hij de Spruite der gerechtigheid zal doen uitspruiten. Dan hernieuwt Hij de aan David gegeven belofte met deze woorden : „Alzoo zegt de Heere : Indien gijlieden mijn verbond van den dag en mijn verbond van den nacht kondet vernietigen, zoodat dag en nacht niet zijn op hunnen tijd, zoo zal ook vernietigd kunnen worden mijn verbond met mijnen knecht David, dat hij geenen zoon hebbe, die op zijnen troon regeere met de Levieten, de priesteren, mijne dienaren". En als diezelfde profeet in dat zelfde hoofdstuk spreekt over de versmading van het volk, zoadat het geen volk meer is voor hun aangezicht en dus in de wereld met dat volk niet meer gerekend wordt, omdat het niet meer te zien is, omdat het geene beteekenis meer schijnt te hebben, precies zooals dat in onze dagen het geval is, dan komt de profeet wederom met eene bijzondere verzekering van de belofte Gods en spreekt aldus tot het bedrukte volk: „Zoo zegt de Heere : Indien mijn verbond niet is van dag en nacht, indien Ik de ordeningen des hemels en der aarde niet gesteld heb, zoo zal Ik ook het zaad van Jacob en van mijnen knecht David verwerpeni". Daar wordt het ons dus duidelijk geleerd, dat Gods Woord de orde der natuur, de geregelde opvolging van dag en nacht, de ordeningen des hemels, zooals zij bij schepping gesteld werden, met den naam van „verbond" noemt. En de Heere waarborgt door dat woord die orde. Hij neemt de onwrikbare vastheid der natuur als het voorbeeld, waarop Hij zijne kinderen wijst, opdat zij vertroosting zullen deelachtig worden te midden van zooveel, dat hen twijfelmoedig maken kan. Zoo onveranderlijk als dagen en nachten elkander opvolgen, zoo zeker als de hemellichamen boven ons, de zon des daags en de maan des nachts, als het Zevengesternte en de Orion en de doodschaduw in den morgenstond verandert, zoo gewis zal ook zijn de vervulling der beloftenissen Gods.
Het is dus duidelijk, dat de orde der natuur aan Gods onderhoudende daden hare onveranderlijkheid en vastheid ontleent. En de Heilige Geest noemt deze door God gewaarborgde orde een „verbond". Dit verbond is dus in den grond niet anders dan de omschrijving, waarmede de Heilige Geest ons het levensverband beschrijft tusschen God en de schepping. En het is tevens een eenzijdig verbond, waarin de Heere zelve alleen alles vervult. De zon en de maan en de sterren, de afwisseling van dagen en nachten en jaargetijden, zij kunnen niet een deel in het verbond zijn, omdat zij geene redelijke wezens zijn, maar natuurwezens, die geen wetenschap hebben kunnen van hetgeen er met hen geschiedt. Zij gaan niet op, noch onder, omdat zij dit willen, want zij kunnen niet willen. Zij zijn als een stok
en een blok in de hand des Heeren en zij doen al wat Hem behaagt. Toch spreekt de Heere ook bij dezen nog van een verbond, welks onveranderlijke gewisheid een waarborg kan zijn voor Gods volk, als een sacramenteel teeken kan zijn, dat de beloften van de trouw des Heeren verzegelt.
En zoo geeft nu ook hier de Heere aan Noach eene belofte, die aan Noach en allen die na hem komen, aan de gansche toekomstige menschheid de zekere waarborg bieden moet, dat de climatologische toestanden op aarde van nu voortaan zoo zullen zijn, dat daaronder de bestaansmogelijkheid des menschen verzekerd kan zijn.
Immers allereerst wordt gesproken van zaaiïng en oogst, want ons menschelijk leven hangt ten nauwste saaan met de voedingsvoorwaarden, die de aarde biedt. En deze zaaiïng en oogst staan niet op zichzelf, maar hangen op hunne beurt weder samen met koude en warmte en hunne verdeeling over het jaar en dus ook met de jaargetijden. Zoo laat 'Gods Woord ons tevens zien, hoe ten laatste ons levensbehoud afhangt van hetgeen onze moeder-aarde voortbrengt. De moderne menschheid schijnt dit zoo langzamerhand te vergeten. De landbouwwetenschap heeft den schijn gewekt, alsof de mensch zelve in onafhankelijkheid beschikken kan over hetgeen de aarde zal voortbrengen. Wie met name luistert soms naar de berichten, die de Russische machthebbers rondzenden in de wereld, voor dien is het duidelijk, dat men daar zich als goden waant, die niet slechts planten en natmaken kunnen, maar ook den wasdom geven. Toch blijft bij alle wetenschap de warmte en koude in hare afwisseling den mensch toegemeten uit de hand des Heeren en vermag alle grootspraak van den ijdelen dwaas, hoe machtig hij zich waant, toch niet het minste toe of af te doen aan hetgeen de Heere beschikt. Maar Hij heeft het ons toegezegd, dat die wisseling in het climaat, die voor de vruchtbaarheid der aarde een onafwijsbare eisch is, een blijvend goed is, zooals ook dagen en nachten elkander zullen opvolgen. Deze orde heeft God aan Noach en aan de toekomende geslachten en dus ook aan ons gewaarborgd door Zijn eigen Woord. De Heilige Geest heeft het geloof in die orde gegrondvest in het hart van Gods Kerk, zoodat deze toezegging het eigendom is geworden der toekomende geslachten. „Al de dagen" der aarde zal het zoo zijn. Maar daarin ligt ook opgesloten, dat aan die dagen der aarde een einde zal komen, dat de dagen der aarde besloten worden met den Dag des Heeren, zooals de Schrift ook spreekt van „het laatste der dagen" om het ons te leeren, dat hoe vast deze orde ook moge zijn al de dagen der aarde, ook die dagen der aarde geteld zijn, zoowel als de haren op ons hoofd. Zoo verschijnt dus deze orde in het licht van een einde, dat even zeker komt, als de instandhouding dezer orde gewis is, verzegeld door de belofte onzes Gods. De Heere Jezus heeft het ons aldus geprofeteerd: En dit evangelie des Koninkrijks zal in de geheele wereld gepredikt worden tot een getuigenis allen volken en dan zal het einde komen. Tot dat einde blijft deze orde, die alzoo staat in het licht van den eeuwigen Raad der genade, waarin de eindbestemming vast ligt van deze aarde, waarin Gods heerlijk Wezen zal gerechtvaardigd worden uit alle werken Zijner handen.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 mei 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

VAN DEN WOORDE GODS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 mei 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's