De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

NOODZAKELIJK VERWEER

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

NOODZAKELIJK VERWEER

15 minuten leestijd

Met droefheid in mijn hart zet ik mij tot het schrijven van dit artikel.
In het Geref. Weekblad heeft prof. Visscher gedurig in zijn artikelen afgegeven op „De Waarheidsvriend". Thans — dat wil heel waarschijnlijk zeggen, nadat mijn naam mede onder het bekende manifest van de heeren Duymaer van Twist, Van Grieken en Severijn bleek voor te komen — moeten mijn artikelen in „(De Waarheids vriend", in het bizonder die over het Verbond Gods met den mensch, het ontgelden en word ik den volke voorgesteld als een beunhaas, die van de dingen, waarover hij schrijft, niets afweet, zelfs ontbreekt de insinuatie niet, dat mogelijk vijandschap tegen de Waarheid mij deed schrijven, gelijk ik heb geschreven.
Dat ik dit artikel met droefheid in mijn hart neerschrijf, is echter niet om dezen aanval op mijn persoon. Mijn eer en goede naam. is tenslotte niet afhankelijk van het oordeel van prof. Visscher, en ik ben overtuigd, dat prof. Visscher door dit onwaardig geschrijf zijn eigen goeden naam meer schade doet dan de mijne.
Droefheid echter vervult mijn hart vanwege 't Gereformeerde volk in onze Hervormde Kerk, dat zulke diepe teleurstellingen door moet maken. Groote behoefte is er geweest aan leidslieden, die zouden samenbinden, die aan de belijdenis der Vaderen verknocht waren. Met hoopvolle verwachtingen heeft men indertijd de benoeming van prof. Visscher als theologisch Hoogleeraar vernomen. Hij was de van God aangewezen leidsman, zoo meende men. En in velerlei opzicht heeft hij de verwachtingen beschaamd. Het vertrouwen van ons volk heeft hij steeds meer verloren en thans is hij bezig in arren moede de laatste resten van een goede reputatie, die hem nog verbleven waren, weg te werpen, door artikelen te schrijven van zulk een minderwaardig karakter, dat zij alleen beteekenis hebben voor een op sensatie belust publiek.
Gezien de aard der artikelen, was het misschien beter er heel niet op in te gaan. Men doet in den regel het raadzaamste voor een auto, die de modder naar alle kanten doet uitspatten, uit den weg te gaan. Echter was er een reden, die mij nochtans drong om iets te antwoorden. De lezers van „De Waarheidsvriend", van wie velen, gelijk ik uit hun schrijven mocht opmaken, mijn artikelen met waardeering hebben gelezen, mag ik niet in de waan laten, alsof ik op de bezwaren van prof. Visscher niets heb te zeggen. En vooral waar hij meent mij te moeten beschuldigen, dat ik de oude theologen iets anders heb laten zeggen, dan zij zeggen, wil ik mij toch van deze blaam zuiveren, opdat niemand meene, dat mijn beroep op deze schrijvers onbetrouwbaar is.
Allerminst is het mijn bedoeling geweest om door het schrijven van de artikelen in „De Waarheidsvriend" mij zelf te presenteeren als iemand, die het alleen weet, en het nu eens zeggen zal, hoe de zaken staan. Ik ben geen professor en ook geen doctor in de theologie. Slechts een eenvoudig dorpspredikant ben ik, maar God de Heere heeft in mijn studentendagen mijn hart geopend voor de heerlijkheid en de kracht van Zijn Woord. Dorstende naar geestelijk voedsel, heb ik mij toen in menige oude schrijver verdiept en al bezie ik thans hun werken meer crltlsch dan toen, altijd heb ik met waardeering herdacht, wat ik uit die geschriften heb mogen leeren.
Het is dus niet sinds vandaag of gisteren, dat ik de werken der Vaderen heb gelezen. En het getuigt evenmin van gebrek aan eerbied voor hen, ais ik het gewaagd heb op enkele foutieve stellingen bij hen te wijzen, vrucht mede van hun soholastieke opleiding. Ten slotte gaat de Waarheid boven al en Gods Kerk is er meer mede gediend, als men een verkeerde ontwikkeling van sommige stukken aanwijst en verlaat, dan dat men bij de Vaderen zweert als waren zij onfeilbaar.
Trouwens niet zonder schroom heb ik mij gezet om deze artikelen in „De Waarheidsvriend" te schrijven. Ik had deze taak gaarne willen overlaten aan meer bevoegde krachten en ik ben nog bereid om leder oogenblik terug te treden en deze arbeid aan anderen over te geven. Het was echter noodzakelijk, dat het Gereformeerde volksdeel in de Hervormde Kerk, dat van alle kanten belaagd wordt, eenige dogmatische voorlichting ontving, vooral ten opzichte van die stukken, die geregeld in de practijk van het kerkelijk leven aan de orde komen. Als ik met mijn zwakke krachten mij aan die taak heb gegeven, dan is dat voornamelijk omdat prof. Visscher met zijn vele gaven hier nalatig is geweest om te doen, wat er gedaan moest worden.
In het Geref. Weekblad schrijft prof. Visscher: Wij zijn nu bezig met artikel 36 en hopen later gelegenheid te hebben ook andere leerstukken te behandelen, overtuigd als wij zijn, dat de Hervormde Gereformeerden daaraan behoefte hebben«. Dat heeft onze professor wel wat laat ontdekt en als hij het van den beginne af geweten heeft, heeft hij zijn talent als in een zweetdoek verborgen gehouden, zich niet daarover bekommerende, dat een volk zonder kennis verloren gaat. Want het kan niemand onbekend zijn, dat prof. Visscher niettegenstaande de uitnemende gaven, die hem waren geschonken, geen enkel theologisch werk heeft geschreven, dat ons, predikanten, voorlichtlng geeft en onze voeten vast kan maken in de belijdenis dar Kerk; wij zijn tenslotte op Kuijper en Bavinck aangewezen, als wij in de dogmatische vragen wat nader wenschen te worden ingeleid. En evenmin heeft prof. Visscher er zich druk mede gemaakt om ons volk door meer populaire dogmatische verhandelingen te leiden en een steun in den rug te geven, zoodat het soms de schijn had alsof hij zich om dat volk heel niet meer bekommerde.
En nu zal men misschien zeggen, dat prof. Visscher de aanstaande predikanten onderwijst en zoo toch zijn werk onze Kerk ten goede komt. Maar naar zijn eigen getuigenis acht hij een inzicht in de Gereformeerde levens-en wereldbeschouwing van meer beteekenis dan een behandeling der dogmatische vragen. Daarom zijn er onder de predikanten, die zijn lessen hebben gevolgd, maar heel weinige, die, als zij straks den Catechismus moeten behandelen, kunnen zeggen, dat vele vragen hun klaar zijn geworden door de behandeling op de colleges. Trouwens prof. Visscher heeft zelf ook heel weinig verwachting van zijn eigen werk, gelijk wel 't beste daaruit blijkt, dat zijn verwachting niet is van de jonge mannen, die hij onderwezen heeft, maar zooals hij in het Geref. Weekblad keer op keer getuigt, van de Mannenvereenigingen, die thans worden opgericht. Hij is zoo naïef te meenen, dat, als de predikanten tekort schieten, de Mannenvereenigingen te hulp zullen komen. Jonge predikanten moeten gedrongen worden tot het onderzoeken van de leer om in te halen, wat zij aan de Universiteit zijn tekort gekomen. Maar juist daarvoor is de bizondere leerstoel van den Gereformeerden Bond in gesteld, om in dit tekort te voorzien. Als deze blijkt te falen en die Mannenvereenigingen 't wel kunnen doen, kan de Bond beter den leerstoel opheffen.
Wij herinneren ons trouwens allen nog wel, hoe een paar jaar geleden de hoogleeraar klaagde over het slechte collegebezoek van tal van studenten. En natuurlijk, de eenige oorzaak was aan den kant dier jonge menschen, die hun roeping niet verstonden, en aan den kant van den Bond, die minderwaardige indiividuën had aangenomen om opgeleid te worden voor het predikambt, maar — en het getuigt wel van een ontstellend gebrek aan menschenkennis en zelfkennis bij den hoogleeraar — hij schijnt zich geen oogenblik te hebben afgevraagd, of de oorzaak ook in den aard zijner colleges kon liggen. Het Bondsbestuur heeft toen nog weer een haast bovenmenschelijike lankmoedigheid getoond door de pupillen van den Bond te verplichten de colleges van prof. Visscher bij te wonen, ofschoon het toch heel goed te begrijpen is, dat het jonge menschen, die van den Bond worden gesteund, meer dan pijnlijk moet aandoen, ais zij hun hoogleeraar, die van dien zelfden Bond is aangesteld, telkens in woord en geschrift op dien arbeid van den Bond hooren afgeven. Dit ondermijnt alle eerbied voor den persoon van den hoogleeraar en daarmede tevens voor zijn werk, uitgezonderd dan misschien bij enkele figuren, die altijd willen kankeren en des te meer daaraan behoefte hebben, naarmate zij in plaats van dank voor den ontvangen steun, wrok koesteren in hun hart, dat zij gedwongen waren steun aan te nemen.
Is het wonder, dat te midden van zulk een chaos en zedelijke verwildering, die onkunde eer toeneemt dan afneemt? Meent men, dat zoó Gods Kerk kan worden gebouwd?
Uit deze meer dan droeve toestanden verklare men alleen, dat ik mij tot schrijven gezet heb. Eenerzijds heb ik onze menschen willen wapenen tegen het sulbjectivisme, waardoor zij jaarlijks bij tien-en honderdtallen afvloeien naar alle buitenkerkelijke stroomingen en terecht komen bij oefenaars of bij de Gereformeerde Gemeenten, vervuld van een geest, die hen bij alle onkunde, verstandelijk en bevindelijk beide, nochtans uit de hoogte op alle anderen doet neerzien als op de schare, die de wet niet kent. Anderzijds heb ik bedoeid zooveel mogelijk nog een band van samenbinding te leggen tusschen hen, die, hoe ook in tal van opzichten van elkander verschillend, nochtans één zijn in de begeerte om de belijdenis onzer Kerk te maken tot grondslag van vereeniging.
En nu het zakelijke in de opmerkingen van den hoogleeraar. Had hij zich daartoe beperkt, ik zou met dankbaarheid zijn opmerkingen aangenomen hebben, ook al kan ik de juistheid er van niet in ailen deele erkennen. De kwestie gaat over het verbond der verlossing, en wel over hetgeen ik schreef aangaande een minder juiste verklaring van dit Verbond bij de theologen der 18de eeuw, die dit verbond nemen als een verbond van Vader en Zoon en niet als een verbond van de drie personen in het goddelijk Wezen onderling.
Dat prof. Visscher mij beschuldigt, dat ik zulks zelfs aan prof. Bavinck verweet, is volkomen onjuist. Bij de behandeling van het stuk der verlossing — zie Waarheidsvriend van 5 Maart '36 — heb ik een gedeelte van Bavinck's dogmatiek geciteerd, waarin deze uitdrukkelijk het verbond der verlossing opvat als een verbond tusschen de drie personen van het goddelijk Wezen. Slechts heb ik later even mijn verwondering te kennen gegeven, dat Bavinck er geen oog voor gehad heeft, dat onze theologen het maar zelden zoo verklaard hebben.
Wat Cloppenburg betreft, de eerste, die een eenigszins nauwkeurige omschrijving geeft van het veilbond der verlossing, heb ik met nadruk vermeld in de Waarheidsvriend van 12 Maart '36, dat ik het citaat ontleend heb aan De Verbondsleer in de Geref. Theologie van G. Vos. Ik had de werken van Cloppenburg niet tot mijn beschikking, maar ik meen voor het beroep op Vos en zijn onderzoekingen mij niet te moeten schamen, wijl zelfs Bavinck naar hem verwijst en zooals uit een vergelijking blijken kan, zijn uiteenzettingen over dit stuk der leer in hoofdzaak aan hem ontleend heeft. Prof. Visscher, die de werken van Cloppenburg wel voor zich gehad heeft, geeft echter niet één citaat, waaruit blijkt, dat mijn opmerking onjuist was. Want wel haalt hij een woord van dezen schrijver aan, waaruit blijkt, dat volgens deze het leven Gods, dat aan de drie personen gemeen is, één ongedeelde rede en één ongedeelde wil is, maar ik heb nimmer beweerd, dat onze Gereformeerde theologen de werken Gods, hetzij inblijvende of uitgaande, niet aan alle drie personen toekenden. Met nadruk heb ik zelfs erkend, dat dit een der grondstukken der Gereformeerde leer is geweest, dat ook bij alle onderscheid tusschen de drie personen het goddelijk Wezen één en ongedeeld is. Slechts heb ik gezegd, dat zij vergeten hebben deze waarheid, die zij allen beleden hebben, ook toe te passen op het verband der verlossing. Wanneer dus mijn conclusie over Cloppenburg's citaat, waarin hij het verbond, der verlossing een verbond tusschen Vader en Zoon noemt, onjuist is, dan moet prof. Visscher een citaat uit Cloppenburg gewen, waarin hij duidelijk dit verbond als een verbond tusschen de drie personen in het goddelijk Wezen ziet.
Prof. Visscher tracht dit wel te doen ten opzichte van Petrus van Mastricht, wat mij doet vermoeden, dat hij zulk een woord bij Cloppenburg niet heeft kunnen vinden. Hij beroept zich op 't hoofdwerk van dezen theoloog Theoretico-Practioa Theologia, waarvan hij de laatste druk uit 1699 gebruikt heeft. Tot mijn beschikking heb ik de uitgaaf van 1724, maar wat de Inhoud betreft, zal dat wel geen verschil geven. In De Waarheidsvriend heb ik immer de aanhalingen gegeven uit de Hollandsche vertaling van 1749. Allereerst herinnert prof. Visscher er aan, dat Van Mastricht het eeuwige Van het tijdelijke verbond onderscheidt als een prototypisch en egypisch verbond. Wij zullen nu maar niet vragen, of deze uitdrukking juist is en of zij geen verwarring sticht, waar ons doopsformulier van wat Van Mastricht een tijdelijk verbond noemt, zegt, dat het een eeuwig verbond, is, want prof. Visscher zou zich dan maar opnieuw ergeren aan mijn critiek op de Vaderen.
Na de eerste opmerking komt de hoogleeraar met de tweede, die mij diep vernederen moet, n.l. dat Van Mastricht duidelijk de drie verdragsluitenden noemt als Vader, Zoon en H. Geest. Hoe zit dat nu ? Heb ik er werkelijk niets van begrepen ? Maar mijn aanhalingen in De Waarheidsvriend zijn toch niet gefingeerd geweest ?
In het boek over het Verbond, der genade zegt Van Mastricht duidelijk, cap. I. pars VI, nadat hij onderscheid heeft gemaakt tusschen het eeuwig en tijdelijk verbond, dat dit eeuwig verbond is ingegaan tusschen Vader en Zoon. Van den H. Geest wondt Mer niet gerept. In het zelfde caput pars VII, zegt hij weer met nadruk, dat dit eeuwige verbond der genade niet anders is dan een persoonlijk en huishoudelijk verdrag tusschen Vader en Zoon, waarbij de Vader aan den Zoon eischen gesteld en beloften gedaan heeft en de Zoon van zijn zijne beloften heeft gedaan en de vervulling van des Vaders beloften aan Hem geëischt heeft. Het woord verdrag is hier de vertaling van transactie. In de Hollandssche vertaling wordt het weergegeven door onderhandeling en verdragmaking. In de volgende afdeeling wordt tevens het woord pactum gebruikt ; vandaar pactum, salutis.
Ook in pars VIII wordt weer gesproken van een verdrag tusschen Vader en Zoon. In pars IX wordt dan gezegd, dat een verbood onderscheidene partijen kent en dat die onderscheidene partijen in het pactum salutis Vader en Zoon zijn, waarna van den Vader en den Zoon verschillende onderscheidene eigenschappen genoemd wonden, terwijl aan het slot ook de H. Geest wordt genoemd, als diegene, die hetgeen in het pactium, is vastgesteld (pacta wordt dit genoemd), toestemt en uitvoert. Maar als nu Van Mastricht in pars X voortgaat over dit Verbond en zijn inhoud te spreken, beschouwt hij het weer geheel als een verbond tusschen Vader en Zoon en spreekt over de beloften en de eischen van den Vader aan den Zoon en over de wederkeerige acta van den Zoon tegenover den Vader, terwijl in pars XI gehandeld wordt over de overeenstemming (consensius) ten opzichte van het overeengekomene tusschen de partijen van het verbond, en weer wordt alleen van den Vader en den Zoon gesproken.
Doe ik dan Van Mastricht onrecht als ik zeg, dat, al vermeldt hij even het werk van den H. Geest, hij bij de uiteenzetting van het verbond der verlossing de H. Geest feitelijk uitschakelt ?
Bovendien moeten wij deze wijze van uiteenzetting zien in het licht van de latere ontwikkeling van dit leerstuk, want deze opmerking over den H. Geest, die bij de uiteenzetting van het leerstuk nergens verwerkt wordt, valt dan geheel weg. En juist dit heeft geleid tot vereenzelviging van het verbond der verlossing en het vertoond der genade, waarbij de mensch ophoudt handeling te zijn en slechts een voorwerp wordt in het verbond, over wien God handelt, maar met wien God niet handelt.
Dat het werk van Van Mastricht reeds in de richting van deze vereenzelviging wijst, blijkt uit een opmerking in pars TV van hetzelfde caput, waar hij de partijen van het verbond der genade noemt eenerzijds de drieëenige God en anderzijds Christus mysticus, d.i. Christus met de Zijnen. Niet alleen dat het vreemd aandoet, dat Vader, Zoon en H. Geest met den Zoon onderhandelen — hier blijkt reeds duidelijk de verwarring der begrippen, waarin men geraakt was, dat de Zoon met den Zoon onderhandelt en een verbond sluit — maar zoo gezien, is de mensch enkel voorwerp in het verbond der genade; God drieëenig handelt over hem met den tweeden Adam. Tegen deze beschouwing, die in de Geref. Gemeenten en ook bij ons tot een ontzaglijke lijdelijkheid heeft geleid en tot het staan naar bizondere openbaringen, ging in hoofdzaak mijn verzet. De historische oorsprong van deze afwijking heb ik willen naspeuren en aanwijzen en niettegenstaande de felle critiek van den hoogleeraar ben ik nog niet overtuigd van ongelijk.
Laat ik prof. Vissdcer nog mogen mededeelen, dat mijn critiek op de leer van de Geref. Gemeenten volstrekt niet uit politieke aversie van de S.G.P. is voortgekomen, zooals hij vermoedt, maar veeleer uit de moeilijkheden, waarmede ik in mijn ambtelijk werk te worstelen heb tengevolge van het subjectivisme in onze gemeenten, waardoor ten slotte alle religieus besef wordt gedood en de menschen in een verstokt rationalisme hel en hemel doorschrijden zonder eenige bewogenheid der consciëntie.
Ik spreek de hoop uit, dat de critlek van den hoogleeraar even vrij , is geweest van politieke aspiraties of teleurstellingen als mijn stukken daarvan vrij waren.

O. a/d IJ, 14—5—’36.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 mei 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

NOODZAKELIJK VERWEER

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 mei 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's