De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

FINANCIEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

FINANCIEN

11 minuten leestijd

Wanneer deze regels u worden voorgelegd, ligt de Hemelvaartsdag al weer achter ons. In den geest zijn wij reeds afgedaald van den Olijfberg.
De laatste woorden, hier tot de jongeren gesproken, klinken nog na in onze ooren.
Het bevel om het Woord uit te dragen: „Predikt het Evangelie aan alle creaturen", rust hier op twee vleugelen. De eene heeft tot opschrift: „Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde", de andere : „Zie, Ik ben met ulieden alle de dagen tot de voleinding der wereld. Amen". Is het eerste als woord van bemoediging voor machteloozen hoogst aantrekkelijk, het laatste stemt het bloode hart rustig, wijl daaruit de toezegging wordt afgelezen van: „nimmer alleen te zijn". Van de nabijheid des Heeren kunnen zij zich verzekerd houden.
Wat dit laatste beteekend heeft voor de jongeren, kunnen wij in woordklank moeilijk weergeven. Hiervan evenwel kunnen wij ons verzekerd houden, dat het in de bangste oogenblikken van hun leven tot de rijkste vertroosting zal zijn geweest. Nooit alleen, altijd in de schuts des Allerhoogsten, nimmer drijvend op eigen krachten. Zoudt gij mij één ding kunnen aanwijzen, dat hier bovenuit klimt in waarde ?
„Alle de dagen", zoo heeft het Woord van Christus geklonken. Niet zoo nu en dan, niet als de nood het hoogst klimt, neen, altijd door, tot dat de wereld haar voleinding heeft gekregen. De perspectieven, welke hier worden geopend, wijzen ons naar niets minder dan naar een afgerond wereldplan.
't Moge vaker dan eens gebeuren, voornamelijk in bange tijden, dat de gedachte opklimt: „Zou het met de wereld mis loopen ? Zou het straks een chaos worden ? Welke geesten woelen en werken er toch van alle kanten ? Zij schijnen de baas te zullen worden ! Waar gaan wij heen ? "
Deze vragen komen telkens naar voren.
Wat met de eene hand gebouwd wordt, moeizaam gebouwd wordt, wordt straks weer met beide handen afgebroken. Ja, geen grooter verwarring laat zich schier denken dan zich momentelijk vertoont. Heel de wereld, al het schepsel — zegt de Apostel — is als in barensnood tot nu toe. En wat het uitricht zoo donker maakt, is wel de geringe invloed, welke uitgaat van wat wij noemen „de Kerk des Heeren". Heeft 't voor ons niet den schijn, dat zij wordt meegesleurd ? Wanneer van onze zijde de balans wordt opgemaakt — en daar klinkt geen woord door van Christus — zoo schijnt het ons wanhopig. Zou er wel iets van God en Zijn dienst overblijven ? Zou er wel iets resten ?
Zie, dwars door deze duistere wereld van gedachten slaat dit woord van Christus heen : „Ik ben met ulieden alle de dagen tot de voleinding der wereld".
Ik ben en Ik blijf met u. Gij kunt op Mij rekenen.
Van twee kanten kan, wat wij opmerken, worden benaderd.
Tot voor heel kort was er maar één leuze, welke men elkander dagelijks verkondigde, n.l. „wij gaan met alles zienderoog vooruit". Ontwikkeling was het tooverwoord, dat men aflas van alle wanden. Evenwel dwars daar door heen is een ander letterschrift aangebracht, en dat is „vernieling, vernietiging". Het heeft vaak den schijn of een verderfengel met zijn roode toorts al het schoons, dat door menschenhand werd gebouwd, aanraakt ten verderve.
Wat is nu waar ? Wat is nu de werkelijkheid ? Wat gebeurt er nu eigenlijk ? Beide: het groeit èn het verteert. Het neemt in schoonheid toe èn het wordt ten verderve gewijd. Met dezen verstande, als 't einde van heel deze zichtbare wereld nadert — want daarheen wijst meer dan één ding — is hetgeen God er mee voorheeft, vol.
Voleinding is het woord, waarin de Godsgedachte het zuiverst doorklinkt.
Zie, te midden van dit alles staat de Christus. Al ziet menig oog niets van Hem, al weigert veler knie zich te buigen, toch is het waar. Zie, dat is nu de oproep, welke uitgaat tot den kring der jongeren, tot hen, die in den Heere Christus hebben gevonden al hun heil. Zij hebben, trots al het onverklaarbare, trots al het tegenstrijdige, waarop ook hun oog zich telkens blind staart, zich vast te klemmen aan dit woord : „Ik ben met ulieden alle de dagen tot de voleinding der wereld".
Hierachter laat ik het „Amen" hooren. Dat wil zeggen : „het is zeker waar". Wat ook in twijfel mag worden getrokken, wat ook wankelen mag, dit nimmer : Christus is de Zijnen nabij tot het einde.
Als de wereld staat in het teeken van snelverkeer, zoo behoeft dit op zichzelf nog geen zorg te baren voor degenen, die het met Christus wagen, zich op Zijn Woord nederleggen, hierop het „Amen" nastamelend. Hij maakt Zijn Woord waar. Zoo komt het ook dat de dichter zingt:
Ik weet hoe 't vast gebouw van Uwe gunstbewijzen,
Naar Uw gemaakt bestek, in eeuwigheid zal rijzen.
Zoo min de hemel ooit uit zijnen stand zal wijken.
Zoo min zal Uwe trouw ooit wank'len of bezwijken.
Of wilt ge het woord van den Profeet u zien voorgelegd: „Bergen zullen wijken en heuvelen wankelen, maar Mijne goedertierenheid zal van u niet wijken en het verbond Mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere, uw Ontfermer". Laat hiermee ons inleidend woord worden beeindigd, met het eerste, waarmee de Heere dit troostwoord Zelf heeft ingeleid, n.l. „Zie".
Op Hem te zien, op dien levenden Christus het oog des geloofs te richten, blijft de oproep aller eeuwen.
Zie op Mij en leef.
Bouw al uw hoop op Hem. Wacht het enkel van Zijn genade en ge zijt veilig en geborgen voor tijd en eeuwigheid.
Op dit fundament rust ook ons werk. Wij zouden 't niet aangedurfd hebben en nog niet aandurven, als niet de wetenschap ons bijstond : wij hebben een machtigen Borg in den hemel en een nabijen Middelaar tevens op aarde. Hij zorgt wonderlijk voor ons. Ook deze dagen getuigden daarvan.
Geeft mij maar uw aandacht.
1. De eerste post, welke ons werd toegezonden, kwam uit het stille Garderen. Onze vriend ds. Terlouw, tot voor kort in 't vele malen grootere Alkmaar werkzaam, heeft hier geen ongezegend arbeidsveld gekregen, hetgeen duidelijk blijkt uit de niet onbelangrijke Paaschcollecte, welke hem werd afgedragen, n.l ƒ 31.27
Wij zeggen hem en de Garderensche gemeente hartelijk dank.
2. Vanuit Rijssen kregen wij ook eene kleine aanwijzing, dat hier aan ons wordt gedacht. Ds. Van Willigen zond ons Van N.N. voor het Studiefonds van den Gereformeerden Bond - 4.—
Wij zien uit naar wat ons verder mag geworden. In dezen heeft de gemeente van Rijssen ons nooit teleurgesteld.
3. De vrienden in Eindhoven, die het daar verre van gemakkelijk hebben, lieten zich ook niet onbetuigd. Bij mij aan huis werd afgedragen acht gulden - 8.— Heb dezen vriend, die zich deze moeite getroostte, te vergeefs gewacht. Wellicht komt hij nog eens even bij mij aan. Wij: zullen hem gaarne nog eens ontmoeten. Intusschen onzen vriendelijken dank.
4. Van Middelharnis kreeg ik van iemand die onbekend wenscht te blijven een rijksdaalder, met een bijschrift, waaruit groote waardeering blijkt voor onzen arbeid - 2.50 'k Hoop met hem, dat spoedig deze Waarheidlievende gemeente weer een eigen Bedienaar des Woords wordt geschonken, die het rijke Woord Gods weer met zegen mag uitdragen.
5. In de Residentie heeft men, evenals vorige jaren, onder de vrienden een inzameling gehouden. De Penningmeester van de Afdeeling aldaar zond mij de Paaschcollecte, ƒ 69.85, met de nagekomen contributie voor 1935 van ƒ 1.25. Tezamen - 71.10 Wij betuigen onze groote erkentelijkheid in dezen aan allen, die hieraan het hunne hebben bijgedragen.
6. In Nijverdal hebben wij ook altijd nog enkele vrienden, die warm met ons meeleven. Zoo ook thans zond N.N. ons als blijk daarvan - 1.50
Mogen wij ook hem hartelijk dankzeggen.
7. Ging Utrecht reeds voor en is Den Haag in dit spoor gevolgd, Rotterdam bleef niet achter. Hoewel de druk der tijden, inzonderheid in deze havenstad, zich danig laat gevoelen, bleef wat hier door de vrienden werd tezamen gebracht nog niet zoo veel achter bij andere jaren. Rotterdam— Centrum met Kralingen, werken in dezen gewoon tezamen. Kreeg ik reeds van Kralingen mij toegezonden — en alzoo reeds verantwoord ƒ 57.57 — nu volgde nog de inzameling bij de vrienden aldaar, een som, die het toegezondene nog iets te boven ging, n.l. ƒ 58.50.
Alzoo uit Kralingen kreeg ik ƒ 116.07 In Rotterdam-Centrum toedroeg de Paaschinzameling - 132.25 Uit het busje van den heer Z. H. de Groot - 3.01 Tezamen - 251.33
Wanneer ik. hier aftrek wat ik reeds eerder verantwoordde - 57.57
zoo blijft er thans over ter verantwoording de som van - 193.76 - 193.76
’k Ben de Rotterdamsche vrienden groote dank verschuldigd. Zij hebben mij met dit hartelijk blijk van medeleven ten zeerste verblijd.
8. Vanuit de gemeente van Monster mocht ik evenals vorige jaren ook weer de Paaschcollecte ontvangen.
Deze bedroeg niet minder dan - 60.—
Ook hierover ben ik verheugd. Het heeft mij zeer veel goeds gedaan, 'k Ben den Kerkeraad daarvoor hoogst dankbaar. Zij hebben mij niet alleen een goede steun
geboden voor mijn kas, maar tevens de gelegenheid geboden andere gemeenten, die tot nu toe achterbleven, even aan de mouw te trekken, vragende met een vriendelijken blik, of zij mij niet willen vergeten. Onze zaak behoeft aller steun in dezen.
9. Telkens komen er nog enkele kerkcollecten zich melden. Zoo ook van de gemeente van Spijk. Deze bedraagt uit den aard der zaak, omdat deze gemeente niet groot is, niet zooveel als andere. Zij bedroeg - 7.60
Evenwel toch mijn oprechten dank.
10. Zoo ook de gemeente van St. Annaland. Ook daar leeft men met ons altijd warm mee. De collecte bedroeg hier - 29.70 'kZeg onzen jongen vriend ds. Kraay met zijn Kerkeraad allerhartelijkst dank.
11. Thans komt weer een collecte zich aanmelden, die er zijn mag. Onze Kamper vrienden verstaan het geheim om allen te betrekken bij het werk voor Gods Koninkrijk. Beide, wat de G.Z.B. en onze Bond, hier voor steun wordt geboden, is geen kleinigheid.
Zoo ook thans weer. De Paaschcollecte bedroeg ƒ 144.35, terwijl het busje no. 125 opbracht ƒ 21.—.
Tezamen alzoo - 165.35
Is het niet om er jaloersch op te worden ? Wat ik er altijd weer uit aflees is dit, men weet de prediking van het volle Evangelie hier heerlijk te waardeeren. Gods zegen ruste er rijkelijk op.
12. Vanuit de gemeente van Jaarsveld kreeg ik ook de Paaschcollecte mij toegezonden. Deze bedroeg natuurlijk lang zooveel niet. Vooreerst is de kring hier veel kleiner en wat ook iets zegt: hier is de gemeente nog vacant „12.65
Moge ook deze vacature spoedig weer worden vervuld.
13. Vanuit de gemeente van Loenen aan de Vecht kreeg ik van een der vrienden aldaar voor ons werk een rijksdaalder , 2.50 Deze gift wordt, met het begeleidend woord, door ons hoogelijk gewaardeerd.
14. De Pastor van Vaassen, ds. van der Zee was verblijd, dat hij mij vanuit zijn gemeente de kerkcollecte kon overmaken voor onze fondsen. Ik ben het met hem. De collecte viel mij niet weinig mee. Deze toedroeg niet minder dan „ 54.45
Ik vind deze prachtig. Hij wil de vrienden mijn warmen dank wel overbrengen. 15. Uit de collectezak van Baarn werd mij toegezonden als gecollecteerd in „Calvijn" - 1.— Ik betuig ook hiervoor mijn oprechten dank en houd mij ten zeerste aanbevolen.
16. De Afdeeling van Alphen aan den Rijn heeft ook haar Paaschinzameling gehouden. Daarbij had men gevoegd de opbrengst van enkele busjes. Deze bedroeg ƒ 8.66. Wat met 't bovengenoemde een geheel vormde van ........„ 35.76
Onzen warmen dank aan allen.
17. In Ouderkerk aan den Amstel hebben wij een niet kleinen kring van hartelijk meelevende vrienden. Deze blijven niet achter. Oordeelt zelf. Zij droegen bij niet minder dan „ 62.50
Op zulk een inzameling had ik niet durven rekenen, 't Klimt mijn stoutste verwachtingen in dezen verre te boven. Geve de Heere Zijn onmisbaren zegen daarover.
18. Met de Paaschinzameling gehouden in de gemeente van Hillegersberg mag ik thans besluiten. De ijverige penningmeester, de heer Paul, schreef mij, dat deze inzameling iets minder was dan een vorige keer en voorbijgegane jaren.
Dat is toch geen wonder, gezien de moeitevolle tijden. Ook schreef hij over ontvangen steun en hulp, inzonderheid voor Terbregge, van mej. v. D. Ik dank haar en al de vrienden voor wat zij in dezen voor onzen arbeid hebben gedaan.
De inzameling bedroeg de voor mij belangrijke som van........ „ 70.—
Als ik alles tezamen tel kom ik tot een eindsom, waarop ik niet in het minste had gerekend, n.l.
f 813.64
’k Weet dat in onderscheidene plaatsen nog voor ons krachtig wordt gewerkt. Op spoed durf ik niet aan te dringen. Alleen zou ik dit willen zeggen, doe uw werk goed en kalm, en vergeet niet de bijstand en hulp in te roepen van Hem, Die gezegd heeft: „Ik ben met ulieden".
Utrecht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 mei 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

FINANCIEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 mei 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's