De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

23 minuten leestijd

CALVIJN EN DE SACRAMENTEN
Het Huwelijk.

Het laatste Sacrament, waarover we het nu nog hebben willen in verband met de Sacramentsleer van de Roomsche Kerk, is het huwelijk, waarvan allen erkennen, dat het door God ingesteld is, maar waarin niemand tot op den tijd van Gregorius een Sacrament gezien heeft. Het is een goede en heilige verordening Gods (gelijk zoo vele andere dingen), maar daarom nog geen Sacrament, d.w.z. eene uiterlijk door God ingestelde ceremonie om Zijn verbond te bevestigen tot Zijn eer en tot onze zaligheid in Jezus Christus (zooals in den Heiligen Doop en in het Heilig Avondmaal).
Rome zegt: het huwelijk is een teeken, d.i. een beeld, een gelijkenis van de geestelijke gemeenschap van Christus, als het Hoofd, met Zijne Kerk, Zijn lichaam. Maar daarom is het huwelijk zelf nog geen Sacrament. De Papisten beroepen zich op Efeze 5 vers 29—^32, waar (in vers 32) staat: „Deze verborgenheid is groot; doch ik zeg dit, ziende op Christus en de gemeente". De Roomsche Kerk klampt zich hier vast aan die verborgenheid als Sacrament. Maar wanneer men naar Paulus wilde luisteren, zou men uit zijn mond kunnen hooren, dat hij aan het einde van zijn betoog, waarin h ij den gehuwden de betrekking van Christus en Zijne gemeente voor oogen stelt, uitroept : „deze verborgenheid is groot", doch, opdat niemand het verkeerd versta, verklaart hij uitdrukkelijk, dat hij dit niet zegt van de vleeschelijke verbintenis van man en vrouw, maar van het geestelijk huwelijk van Christus met Zijne Kerk. Niet het huwelijk is een mysterie of verborgenheid of Sacrament. Maar 't woord „verborgenheid" doelt hier duidelijk op iets anders. Het woord „Sacrament", waardoor het Grieksche woord „mustèrion" (mysterie, verborgenheid) vertaald is in Efeze 5 vers 32, heeft hen misleid. (De Roomsche leest hier — doch foutief — „het Sacrament Is groot" inplaats van „de verborgenheid is groot") Als men Efeze 5 vers 32 even vergelijken wil met 1 Tim. 3 vers 9, Efeze 1 vers 9, 3 vers 9, dan zal men zien, dat daar hetzelfde woord „mustèrion" voorkomt, en verborgenheid, en geenszins Sacrament beteekent. En zóó moet het ook in Efeze 5 vers 32 worden opgevat.
Bovendien, hoe kan het huwelijk bij Rome tegelijk een Sacrament heeten en onrein geacht worden en aan de clerus, priester, monnik, non, verboden ! Hoe ongerijmd, de bijslaap wèl een deel' van het Sacrament te noemen en toch te beweren, dat de Heilige Geest nooit in den bijslaap aanwezig is of meegedeeld wordt.
Voorts vloeien uit deze dwaling, om n.l. het huwelijk een Sacrament te noemen, een menigte andere gruwelen en dwaze dingen voort. Waarom verbieden de Papisten het huwelijk tusschen bloedverwanten tot den zevenden graad toe ? Waarom mag men van de zevende week vóór, tot den achtsten dag na Paschen ; in de drie weken vóór den geboortedag van Johannes en van Advent tot Driekoningen, niet trouwen ? Rome heeft als vrucht van die dwaling het huwelijk met allerlei tyrannieke en willekeurige bepalingen ommuurd.
Laten wij — zoo besluit Calvijn — ons eindelijk los maken uit deze modder en toesluiten. Er zijn slechts twee gewone Sacramenten, te weten de Heilige Doop en het Heilig Avondmaal des Heeren.

De zalving van Maria te Bethanië en Mr. Groen van Prinsterer.
Toen in den morgen van Dinsdag 23 Mei 1876 het stoffelijk hulsel van mr. Guillaume Groen van Prinsterer op de begraafplaats „Ter navolging", te Scheveningen, aan de aarde werd toebetrouwd, sprak ds. Van Rhijn, Ned. Herv. pred. te Wassenaar, de gemeente, waar Groen zoo veelvuldig verkeerde, deze gevoelvolle woorden :
»In het Evangelie staat van Maria van Bethanië geschreven, dat zij het allerbeste en edelste binnen haar bereik, de kostelijke nardus-olie, uitstortte over het hoofd en de voeten des Verlossers. Zóó heeft mr. Groen van Prinsterer het beste, het fijnste en edelste dat hij beaat, den nardus van zijn geest en talent, van zijn werkkracht en tijd, van zijn geld en goed, van zijn rust en genot, vorstengunst, volksgunst, vriendengunst, uitgestort over het hoofd zijns Verlossers, zonder iets voor zichzelven te behouden. Een priester is hij geweest van zijne zelf-offerande
Van dezelfde Maria lezen wij, dat de uitverkoren apostelen des Heeren haar berispten vanwege die kostbare zalving. Ach, zóó hebben vele medebelijders des Heeren Jezus Christus hem, daar zij hem niet verstonden, moeite aangedaan en berispt. Boven den smaad der vijanden zijns Heeren was hij verheven, die deerde hem niet, maar het misverstand, de berisping der vrienden heeft hem — daarvan wits^'ik getuige — niet zelden tranen doen starten.
Maar de Heere, de Kenner der harten, heeft Maria verdedigd: „Zij heeft een goed werk gedaan ; voorwaar Ik zeg u, overal waar het Evangelie in de wereld zal worden gepredikt, zal haar naam worden vermeld". En zonder een uitverkoren profeet te zijn, durf ik toch in Nieuw-Testamentischen geest profeteeren : „Zoolang in Nederland het Evangelie van Gods genade in Christus zal warden gepredikt, zal onvergeten blijven de naam van mr. Groen van Prinsterer«.
Deze profetie van ds. Van Rhijn is aanvankelijk in vervulling gegaan. De naam van Groen, den Evangelie-belijder, den Staatsman bij de gratie Gods, leeft onder ons voort. En de komend^ geslachten moeten er voor zorg dragen, dat zijn naam onder ons volk, bijzonder onder ons christenvolk, blijft voortleven.
Het eenvoudig monument, dat op de begraafplaats ter nagedachtenis en ter eere van Groen is opgericht, bevat, naast de namen van Groen en zijne echtgenoote. Vrouwe Elisabeth Maria Magdalena van der Hoop, slechts deze woorden : „Zalig zijn de dooden, die in den Heere sterven. Hunne werken volgen met hen'.
Mr. Groen van Prinsterer en de Schoolstrijd.
De grootste eere is voor mr. Groen van Prinsterer geweest — 't zijn zijne eigen woorden — dat hij het eere-voorzitterschap mocht bekleeden van de Vereeniging voor Christelijk-Nationaal Schoolonderwijs.
Het Onderwijs, het Christelijk onderwijs, het Christelijk--Nationaal Onderwijs, had de liefde van zijn hart en het beste, dat hij had, heeft hij gegeven aan den strijd voor het Christelijk Onderwijs.
Neen, Groen heeft niet enkel en alleen geworsteld voor de School, met den Bijbel en de Staatkundige Partij, als wier eminent hoofd hij optrad, ontleent nog aan andere dingen dan aan de schoolkwestie haar bestaansrecht! Maar toch de schoolkwestie nam bij Groen in de reeks zijner bemoeïingen een gansch groote plaats in.
„Mijn streven was", zoo sprak hij eenmaal, „om de onderwijskwestie te verheffen tot den rang eener levenskwestie voor de Kamer en het Gouvernement". Meermalen betuigt hij het „dat de levensvraag voor Kerk en Vaderland hierop neer komt: „zijt gij voor of tegen een openbaar schoolwezen, waarbij, door gedwongen vereeniging van alle gezindheden, op elke volksschool, niet slechts in den regel Bijbel en Christendom geweerd, maar zelfs op deze verloochening van het Evangelie, ook waar de Natie beter opleiding begeert, geenerlei uitzondering geduld wordt ? "' Een school met gedwongen vereeniging van alle gezindheden zonder Bijbel en Christendom begeerde Groen niet. En dat men op dezen regel zelfs geen uitzondering duldde en Christelijk onderwijs op een School met den Bijbel niet toelaatbaar achtte, dat heeft Groen in den strijd geworpen, dat voor hem een geloofsstrijd was. Als hij dan ook in het zevental Nederlandsche Gedachten in 1876, aan het naderend levenseind, zijn beroemd „Christelijk-historisch-testament" geeft, — met de tollenaarsbede : „O God ! wees mij zondaar genadig !" en met de belijdenis van den Heidelberger Catechismus aangaande zijn éénige troost en met de strijdleus der Reformatie : „Doet aan de geheele wapenrusting Gods en het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord" en met de zinspreuk : „Een Staatsman niet! Een Evangelie-belijder !" — dan klinkt in zijn „laatste wilsbeschikking" nog de dringende bede van den weldra stervende tot zijn geestverwanten, om nooit af te laten van den strijd tegen de heillooze wet van '57 en aan de oplossing der Schoolkwestie boven alles de aandacht te schenken. Met leeuwenmoed — aldus prof. Diepenhorst in zijn brochure van 1911, Serie 3 no. 8 van „Christendom en Maatschappij" — heeft hij zelf dien kamp voor de Christelijke volksopvoeding gevoerd, 't Was of zijn geniaal vernuft rijker schitterde, zijn satire zich geestrijker uitte, zijn toorn feller ontbrandde en zijn smart dieper vlijmde, wanneer hij zich richtte tegen „de school, waaraan de natie gehecht is". De valsche neutraliteits-leuze rafelde hij dan uiteen en tegen tyrannieke gewetensdwang ging zijn protest.
Jammer dat hij daarbij niet altijd de steun ontving van zijn vrienden, waarop deze nobele Evangeliebelijder en strijder recht had.
„Als hij de „Maatregelen tegen de Afgescheidenen aan het staatsrecht toetst", dan voelen velen met hem wat onwaardig bedrijf hiermee op Neerlands klassieken vrijheidsbodem is gepleegd. Als hij tegenover de door Thorbecke verdedigde volkssouvereiniteit zijn schitterende verdediging geeft van de souvereiniteit van het huis van Oranje, regeerend bij Godes gratie, dan is onverholen sympathie van vele gematigde elementen zijn deel. Als hij tegen Thorbecke's tyrannieke Armenwet, die de vrijheid van alle particuliere en kerkelijke weldadigheid fnuikte, zijn banvloek slingert of tegen de aanranding van het vereenigings-en vergaderingsrecht in de ontwerpen van Thorbecke en de Kempenaar zijn magistraal betoog levert —dan is hij door krachtigen steun in staat de wetgeving ten deze milder geest te doen ademen. Maar is hij voor de zaak van Christelijk, van Nationaal Onderwijs kampioen, dan is niet slechts van dadelijk succes in 's lands wetgeving geen sprake, maar dan wordt ook gemist de bezielende eenheid tusschen hem en zoovelen, die mee Christus' naam belijden, dan wordt hij keer op keer teleurgesteld door den afval van hen, wien eertijds ook het ideaal tegenblonk van scholen „in wier schoot het Evangeliezout van on-en bijgeloof een dierbre jeugd behoudt". Dan keeren wie hem het naast stonden zich af, dan worden zijn nobele 'bedoelingen als demonsch uitgekreten, dan wordt hem door vroegere medestanders „een boordevolle beker van smart en teleurstelling bereid". Als we hieraan denken, dan rijst voor ons oog op het tragisch beeld van den zaaier „die het zaad draagt, dat men zaaien zal en al gaande en weenende zaait" — maar bij wien schijnbaar zoo niets dan gevonden wordt van wat er in den psalm op volgt: „maar voorzeker zal hij met gejuich wederkomen, dragende zijne schoven".
En toch, en toch — eerst moet het scherpe ploegijzer de harde grond openscheuren voordat de zaaier moeizaam heen en weer gaat, zaaiende het zaad. En eerst moeten dan de windvlagen komen en de regenplassen bomen. Maar dan schijnt ook de zon. En dan komt ook het-'uitspruitsel groen en frisch. Dan komt ook bloesem en vrucht.
En als we tellen — o wonder van Gods verbondstrouw en milde ontferming en rijke genade ! — dan draagt het zaad dertig en zestig en honderdvoudige vrucht.
Als nu het Jaarboek van De Unie „een School met den Bijbel" voor ons ligt dan denken we aan Groen „een staatsman niet — een Evangeliebelijder", — dan denken we aan zijn gebed en aan zijn werk, aan zijn strijd en leed, en we danken onzen God, den God en Vader van onzen Heere Jezus Chrisitus, dat Hij, Die Zijn Koninkrijk wil bewaren in de geslachten, dien Evangeliebelijder en strijder heeft willen geven aan ons volk en land, om zijn arbeid zoo rijkelijk te zegenen voor ons en onze kinderen.
Laat ons dat goede pand, dat ons is toebetrouwd, bewaren en laat niemand onzer het toelaten, dat de School met den Bijibel ons ontroofd wordt, noch door de vijanden noch door de vrienden.

Het Koningschap van Christus Over Zijn Kerk en de Kerkelijke beweging in Duitschland.
Tusschen de Gereformeerde of Calvinistische Kerkbeschouwing en 't geen Luther met de zijnen leerde is van 't begin afaan groot verschil geweest. Calvijn kwam meer met de Schriftuurlijke beginselen terwijl Luther meer met menschelijke overwegingen, in verband met de eischen der practijk, kwam. Bij Luther ging het niet zoo diep in deze als bij Calvijn en wat de verhouding van Kerk en Staat betreft was Luther veel gemoedelijker dan Calvijn. Luther nam het gemakkelijker, 't liep meer vanzelf. En zijn ideaal was : dat de landsvorst tegelijk de man was, die het in de kerk opknapte. De Evangelische landsvorst moest er ook voor zorgen, dat er in zijn vorstendom één Evangelische landskerk was. Staat en Kerk moesten broederlijk en zusterlijk samenwerken en in een bepaald land met een bepaalde bevolking was het ideaal: voor héél 't land één Kerk; héél 't volk en héél de Kerk enz.
Rome leerde dat ook. En, als is 't wel niet precies 't zelfde, Luther leerde het ook. Rome zei: overal één Kerk onder het ééne hoofd de Paus, aller Vader in Christus. Luther zei : in elk vorstendom één Kerk onder het oppergezag en onder de opperbescherming van den landsvorst. En dan was 't natuurlijk bij Luther het ideaal: de landsvorst moest een Evangelisch vorst zijn en dan de landskerk de Evangelische Kerk. Het Duitsche volk voor de Evangelische vorsten en dan de Evangelische landskerken !
Zooals men weet is er bij het Nationaal-Socialisme in Duitschland onder leiding van den Führer Hitler, ook zoo'n beweging gaande: één Leider, één volk, één land, één Kerk; en wel de Duitsche Kerk voor het Duitsche volk, waarbij bloed en ras en bodem beslissen zal.
Natuurlijk is dat nooit het streven van Luther geweest. Maar er zijn toch lijnen die naast elkaar loopen, al komen ze dan tenslotte aan een verschillend station uit! En de conflicten zijn niet uitgebleven.
In Juli 1933 Is er, na de nationaal-socialistische revolutie, in betrekking tot de Kerk een landsregeling getroffen, waarbij een „rijks-bisschop", met allerlei rijks-
ambtenaren en rijkscolleges, op den voorgrond traden. De Führeridee werd verbonden met en belichaamd in de rijksbisschop, terzijde gestaan door een aan hem ondergeschikt „geestelijk" ministerie.
Mooi begon die rijksregeling of Grondwet van 1933. Want in het 1ste artikel lezen we : „De onaantastbare grondslag der Duitsche Evangelische Kerk is het Evangelie van Jezus Christus, gelijk het ons in de Heilige Schrift betuigd en in de belijdenisschriften der reformatie nieuw aan het licht getreden is. Hierdoor worden de volmachten, welke de Kerk voor haar taak behoeft, bepaald en begrensd".
Men kan niet zeggen, dat dit niet mooi gezegd is en dat er voor de Kerk op deze wijze zekerheid gesteld werd ! 't Leek althans zoo mooi en zoo veilig.......
Maar al spoedig bleek, dat de „rijks-bisschop" aan geen beperkingen zich stoorde, en spoedig ging het bij alles om het evangelie, niet van Jezus Christus naar de Schriften, maar om de „wondere boodschap van bloed en ras en bodem", waarmee de Kerk moest instemmen, om volk en vaderland tot een zegen te zijn !
De „Pfarrernotbund!" kwam met moed en kracht en in geloof en ijver op tegen de aantasting van den onaantastbaren grondslag van Christus' Kerk. Maar de Provinciale Synode van Westfalen werd, in opdracht van het „rijks-Kerkbestuur" door politiemannen ontbonden verklaard. Doch denzelfden dag (16 Maart 1934) kwam de meerderheid van de leden in een andere zaal in hetzelfde Dortmund bijeen, verklaarde zich de wettige voortzetting van de ten onrechte ontbonden vergadering en constitueerde zich als de Evangelische belijdenissynode in Westfalen.
Met een proclamatie werd de beweging voor de belijdeniskerk ingeluid. Men richtte zich tot het Protestantsche deel van het Duitsche volk en zei:
„De éénheid der Kerk berust op de belijdenis van den éénen Heere en Meester der Kerk, Christus en de Schriftuurlijke bediening der sacramenten. Uit de gehoorzaamheid aan het Woord ontspruit de rechte prediking, de rechte gemeenschap en de rechte orde der Kerk. In de Kerk der Reformatie geldt slechts het ambt, dat zijn autoriteit aan het Woord Gods ontleent. Het Ontvangt zijn last in de gemeente, die onder het Woord leeft".
Hier wordt dus door de belijdeniskerk het Koningschap van Jezus Christus geproclameerd en de Kerk verklaard te zijn een Kerk des Woords, met ambten die hun autoriteit aan het Woord Gods ontleenen ; en met de rechte bediening des Woords en der Sacramenten enz. Men wilde een kerkelijke organisatie, die steunde op Schriftuurlijke beginselen. En het Führerbeginsel in de Kerk werd vierkant opzij gezet.
Geen onschriftuurlijke bestuursmachten, die tegen het Evangelie van Jezus Christus ingaan, en allerlei verderfelijke leeringen en practijken invoeren en beschermen, wilde men! Een Kerkregeering, die maar „voor de leus" spreekt van het Woord en van het Evangelie van Jezus Christus is voor de Kerk des Heeren, is voor land en volk, tot een vloek. Het wordt een ongeestelijke
geweldheerschappij en dat moet de Kerk verwoesten. Het ambt van herder en leeraar, als dienstknecht van Jezus Christus, gaat dan verloren. De kerkelijke vergaderingen, met de kerkelijke belijdenis als grondslag, warden dan verhinderd. De groote dwaalleer krijgt vrij spel. De gemeenschap des geloofs gaat verloren!
Te Wuppertal-Barmen sprak zich de eerste generale belijdenis-synode van de Duitsche Evangelische Kerk duidelijk uit (29—31 Mei '34) :
„De onderscheiden ambten in de Kerk leggen niet den grondslag voor een heerschappij van het ééne over het andere, doch maken de uitoefening mogelijk van den dienst, die aan de gansche gemeente is toevertrouwd en aanbevolen.
We verwerpen de valsche leer, als zou de Kerk zich, los van dezen dienst, bijzondere, met heerschappijbevoegdheden bekleede leiders kunnen of mogen geven of laten geven.
De éénheid der Duitsche Evangelische Kerk wordt niet geschapen door den niets ontzienden uitbouw van een centrale bevelende macht, die haar rechtvaardiging aan het met het wezen der Kerk in strijd zijnde wereldlijk leidersprincipe ontleent.
De hiërarchische omvorming der Kerk is in tegenspraak met de reformatorische belijdenis. Enz.
De Kerk voelde schuld, dat zij in den beginne te veel het Schriftuurlijk beginsel had uit het oog verloren en te veel aan de rijks-machten had toegegeven. Dat hadden de Gereformeerden reeds op een Frei Reformierte Synode, 3 en 4
Jan. ’34 te Barmen—Gemarke gehouden, uitgesproken. Zij hadden in deze schuld te belijden en dat hebben ze óók gedaan. En tegelijk hebben zij zich rekenschap gegeven van de reformatorische' gevoelens, die weer bij vernieuwing onder hen moesten gaan leven. Zij verklaarden : „Ten aanzien der kerkelijke gebeurtenissen van het jaar 1933 gebiedt ons het Woord Gods boette te doen en andere wegen te kiezen. Want in deze gebeurtenissen (van 1933) is een dwaling rijp en zichtbaar geworden, die de Evangelische Kerk sinds eeuwen verwoest. Ze bestaat in de meening: dat naast Gods openbaring, Gods genade en 'Gods eere, ook een rechtmatige „eigen macht" van den mensch over de boodschap en de gestalte der Kerk te beslissen heeft. Deze dwaling is dezelfde als de dwaling der pauselijke Kerk en der dwepers, tegen wie zich de reformatorische belijdenis richt”.
„De vorm. der Kerk wordt daardoor bepaald, dat haar uiterlijke orde zoowel als haar innerlijk leven onder de belofte en onder het bevel van Jezus Christus, als den eenigen Heer der Kerk staat".
Dat zijn duidelijke uitspraken, die ons blij in de ooren klinken. Maar het duidelijkst is misschien de terugkeer tot het reformatorisch beginsel van het Koningschap van Christus tegenover menschelijke hiërarchie, aan 't licht getreden en tot uiting gekomen in een aan Hitler overhandigde proclamatie van de tweede Belijdenissynode der Duitsche Evangelische Kerk, 18 —20 October 1934 te Berlijn—Dahlem gehouden, waarin het kort en bondig klinkt:
„De alleenheerschappij, die de ryks-bisschop en zijn rechtsbestuurder zich aangematigd hebben, heeft een in de Evangelische Kerk onmogelijk pausdom opgericht. Gedreven door den geest van een valsche, onbijbelsche openbaring, heeft het Kerkreglement gehoorzaamheid aan Schrift en belijdenis als strijidig met de goede orde, bestraft. De met de Schrift strijdige invoering van het wereldlijk Führer principe in de Kerk en de daarop gegronde eisch van een onvoorwaardelijke gehoorzaamheid, heeft de ambtsdragers der Kerk aan de Kerkregeering in plaats van aan Christus gebonden”.
Het doet ons aangenaam aan, dat door velen in Duitschland blijkens deze getuigenissen — die we ontleenden aan het artikel van prof. Den Hartogh in het Gedenkboek der Doleantie (De Reformatie van '86) — zoo kloek wordt gesproken van de reformatorische beginselen, waarby het gezag van Gods Woord en het Koningschap van Jezus Christus over Zijn Kerk zoo duidelijk en ernstig op den voorgrond, gesteld worden.
|Tegenover alle wereldsche machten, die over de Kerk willen heerschen, om haar belijdenis te verkrachten en de leugenleer binnen te halen en te beschermen, gaat gelukkig ook in Duitschland nog gedurig protest op.
Als wij hier nog eens herhalen, wat onze Ned. Geloofsbelijdenis leert in Art. 30, 31 en 32 aangaande de regeering der Kerk, dan krijgen we :
Artikel 30 stelt ons voor, dat er dienaren of herders moeten zijn, om Gods Woord te verkondigen en de Sacramenten te bedienen — dat er ook opzieners en diakenen moeten zijn, om met elkander den raad der Kerk uit te maken en alzóó den waren godsdienst te onderhouden en te maken dat de ware leer haren loop hebbe — dat ook de overtreders gestraft en in toom gehouden worden, enz. Hierdoor zullen alle dingen in de Kerk wél en ordelijk toegaan, wanneer althans zulke personen verkozen worden, die getrouw zijn, zooals Gods Woord beschrijft, dat zij zijn moeten.
Efeze 4 vers 11, 12 : „En Deze (n.l. Christus) heeft gegeven sommigen tot Apostelen en sommigen tot Profeten en sommigen tot Evangelisten en sommigen tot Herders en Leeraars tot de volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouwing van het lichaam van Christus". 2 Tim. 2 vers 15, 16 ; 4 vers 2; Matth. 28 vers 19 ; Hand. 20 vers 28 ; 1 Petrus 5 vers 1—4; 1 Tim. 5 vers 17 ; 1 Tim. 3 vers 2—7; Titus 1 vers 5—9 ; 1 Tim. 4 vers 14—16 ; 1 Petrus 4 vers 11; 1 Oor. 4 vers 2 ; Hand. 15 vers 2, 4, 6, 23; enz. enz.
Artikel 31 stelt ons voor, dat de dienaren, ouderlingen en diakenen moeten verkozen worden door wettelijke verkiezing, met aanroeping van den naam des Heeren ; voorts dat niemand zich mag indringen, maar den tijd moet afwachten, dat hij van God geroepen wordt, opdat hij getuigenis hebbe en verzekerd zij van zijne roeping, dat die van den Heere is. Rom. 12 vers 3—8 ; 1 Cor. 12 vers 4-11; 27—31 ; 2 Tim. 2 vers 2 ; Hand. 6 vers 3 ; Hand. 14 vers 23, enz.
Artikel 32 handelt over de noodzakelijkheid van de instelling van ordonnantiën of kerkrechtelijke voorschriften en bepalingen, tot instandhouding van het lichaam der Kerk — waarbij men echter nooit moet afwijken van de leer van Christus, om menschelijke vonden daarvoor in de plaats te stellen — en alles moet dan onderhouden worden in de gehoorzaamheid aan God — waartoe vereischt wordt de excommunicatie of de ban, gelijk die plaats moet hebben naar het Woord Gods. 1 Cor. 3 vers 10 ; Openb. 2 vers 14, 15, 20 ; Hand. 15 vers 1—29 ; 16 vers 4 ; Jesaja 10 vers 1; Hand. 15 vers 10; Matth. 23 vers 4; Rom. 16 vers 17 ; Titus 3 vers 10, 11 ; 1 Cor. 5 ; Galaten 6 vers 1; 2 Tim. 2 vers 25 ; 2 Thess. 3 vers 14—15 ; Matth. 18 vers 15, 16, 17 ; 1 Cor. 5 vers 3—5; 2 Thess. 3 vers 6 ; 2 Thess. 1 vers 9 ; Openb. 21 vers 27 ; 22 vers 15 ; Galaten 4 vers 19; 2 Cor. 2 vers 4—8 enz. enz.
Deze Schriftuurlijke en reformatorische beginselen moeten wij hier in Nederland, in onze Hervormde Kerk, óók vasthouden en wat ons diefelijk ontstolen is moeten we in den Naam des Heeren terug vragen.
Ook hier is een „Kerkstrijd", om het Koningschap van Christus en 't gezag van Gods Woord. En die strijd mag niet verflauwen. Integendeel. Die strijd moet telkens worden vernieuwd. Ook nu,

VRIJE ZITPLAATSEN
Over het verhuren en/of verkoopen van zitplaatsen in de kerk is al heel wat geschreven. er zijn plaatsen, die met „zilver" en er zijn plaatsen die met „goud" betaald moeten worden, waarbij soms door „opbieden" van den een tegen den ander rare dingen kunnen gebeuren. En dat in de kerk. Waar een Bijbel ligt, waarin ook de brief van Jacobus staat.
Pas was er weer door iemand in een vrijzinnig blad geschreven over deze dingen, door iemand, die in het buitenland goed bekend is en nu hier inplaats van „Church is free" (Kerk is vrij) net precies het tegenovergestelde vond. De kerk is niet vrij. En toet kost heel wat moeite voor een vreemdeling om een behoorlijke zitplaats te krijgen. En dat in de kerk !
Nu schrijft ds. Dikboom, vrijz. Herv. pred. te Zuidlaren, over deze zaak en zegt:
«De heer Oostra spreekt van „Church free". Hij wü dat heele systeem van vaste plaatsen vervangen door een vrije kerk, waar ieder kan gaan zitten, naar eigen believen. Maar onze ervaring is, dat de geregelde kerkgangers toch wel heel erg gesteld zijn op een vaste plaats. Meerderen hebben vaker dan eens, als ze eens in een ander deel van de kerk zaten, getuigd, dat ze zich daar zoo vreemd gevoelden. Men went aan een plaats, ziet vanuit een bepaalde gezichtshoek naar de kansel. Zoo zitten ook menschen, die geen plaats gehuurd hebben, toch als het eenigszins mogelijk is. Zondag aan Zondag op „hun eigen plaats". Waar wij hier overtuigd waren, dat de plaatsenverhuring uit de tijd is, en er steeds meer stemmen zich tegen verheffen, terwijl we aan de andere kant van meening zijn, dat de kerkgangers graag een vaste plaats hebben, zoo heeft het College van Kerkvoogden en Notabelen de volgende regeling vastgesteld :
De huur der zitplaatsen wordt straks in April voor de laatste maal betaald. Op deze betaaldag wordt de huurders gevraagd of ze er op gesteld zijn hun plaats te behouden. Dit kan gebeuren, alleen met dit verschil, dat de plaats voortaan niets kost. Zoo worden deze menschen voor het oogenblik misschien iets bevoorrecht, maar we meenden werkelijk, dat dit niet anders ging. Deze huurders toch zijn door de jaren heen, sterk aan hun plaats gehecht en zij zouden een eventueele verandering van zitplaats op zijn minst erg vervelend vinden. Naast deze tot nu toe verhuurde plaatsen zijn er in en achter de banken, die voor verhuur in aanmerking kwamen, veel meer plaatsen nog. Wat doen wij nu hiermee ? Ook dit worden nu alle eigen plaatsen. Ieder, die straks met 1 Mei voor een plaats in de kerk in aanmerking wenscht te komen, heeft niet anders te doen dan zich op te geven bij de kerkvoogdij. Hij mag daar by nog opgeven, waar hij het liefst wil zitten, in het koor of het schip, of op de orgelzolder, en zooveel dat eenigszins mogelijk is, wordt daarmee rekening gehouden. Binnen een bepaalden tijd krijgt hij een kaart toegezonden, waarop het nummer, dat hem is toegewezen. Zoo zal naar onze meening het grootste deel der kerk door vaste plaatsen worden ingenomen en onze gedachte is, dat zij, die het recht hebben op zoo'n plaats, ook de plicht voelen dat die des Zondags bezet is. We vertrouwen, dat deze regeling de kerkgang ten goede zal komen. Natuurlijk zullen niet alle plaatsen worden toegewezen. Er zullen meerdere banken ongenummerd blijven en deze zijn vrij voor vreemdelingen en voor hen, die niet onder de geregelde kerkgangers hooren. Van harte hopen we, dat deze regeling, die als proef voor twee jaren is ingesteld, zal blijken te voldoen. Er is natuurlijk nog wel meer van te zeggen (wat wij hier in een plaatselijk reglement hebben vastgelegd), maar daarvoor mag ik geen ruimte vragen. De hoofdzaak is, dat we met het oude systeem van de verhuurde banken hebben gebroken en we meenen, dat dit een stap in de goede richting is. Eén vraag kan nog gesteld worden. Kan de kerk die inkomsten missen ? Volkomen beaam ik, wat de heer O. zegt, dat de kerk niet zonder een financieele achtergrond kan bestaan. Maar er zijn toch allerlei wegen om het tekort, dat door het gemis van de „bankhuur" ontstaat, aan te vullen. Wordt de hoofdelijke omslag nu zooveel hooger, als dit daarbij wordt gevoegd ? Is er niet door vrijwillige bijdragen veel te bereiken of kan in plaatsen, waar maar één collecte is, niet een tweede voor de kerk worden gehouden ? Wanneer we er werkelijk voor voelen om het oude systeem te doen verdwijnen, dan maakt de liefde vindingrijk, en dan behoeft, dan mag het om het geld niet nagelaten. Wij willen het tenminste probeeren en hebben de beste verwachtingen !«

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 mei 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 mei 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's