MANKE MURK
EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming uitgever J. H. Kok te Kampen
„De wereld geen philiantropische inrichting", — neen, dat hadden hem ook de latere jaren geleerd, toen hij, zoo spoedig het kon, geroepen werd zijn eigen brood te verdienen. Wat was, de wereld hard en ruw, en die zich het meest bij haar ging aansluiten, kwam. het verst.
Doch daartegenover stond, dat hij onder dien levensdruk geleerd had zich aan te passen. Gelukkig had hij een opgewekt humeur en een vroolijk hart, en — zooals boer Siderius gezegd had — den mond op de rechte plaats. Vreemd, dat hij zijn tranen niet had weten te bedwingen. Voorheen was hij nooit week van karakter, omdat hij daarvoor te veel stooten en duwen in de jeugdjaren had ontvangen. Alleen sinds zijn inwendige verandering scheen deze ook op die teerheid van zijn gemoed te werken. Kwam het misschien, omdat hij onder de aanraking van die wonderlijke Godsliefde, — de eerste die hij in zijn leven ervoer — ach zoo klein voelde worden ?
Toch meende de boer het niet zoo slecht. „Ga in den handel", had hij hem aangeraden en daarbij vijftig gulden bedrijfsfcapitaal toegezegd, om zijn eerste uitgaven te bestrijden. Een daad van beteekenis voor boer Siderius, die bekend stond vanwege zijn groote zuinigheid en elk dubbeltje omkeerde, voor hij het uitgaf. Zou het mogelijk wezen, dat in die richting zijn verder leven lag?
Toen heeft Murk iets gedaan, waarover hij vroeger zou hebben gelachen. Heel voorzichtig werden uit een notitieboekje, eens op de markt gekocht, een paar blaadjes papier getrokken, en op het eene het woord „ja", en op het andere het woord „neen" geschreven. Daarop heeft hij deze precies gelijk opgevouwen en in zijn pet gedaan, om vervolgens in een verborgen hoekje, waar niemand hem bespieden kon, neer te knielen en God te bidden of Hij hem door middel van het lot wilde wijzen wat te moeten doen. Wanneer het eerste briefje getrokken werd zou hij dan daarin Gods werk willen zien, om zich in den handel te begeven, doch indien 's Heeren wil anders mocht zijn, dat dan het andere briefje mocht worden uitgehaald. Vervolgens heeft hij den knecht van boer Siderius gevraagd of deze even een van die twee papiertjes uit zijn pet wilde nemen en openen.
„Wat heb je nu weer in je hoofd ? Weet je niet of je de moeder zult nemen of de dochter ? " vroeg Bouke met een lach.
„Zal je wel zien als je doet wat Ik vraag, " antwoordde Murk en schudde de pet heen en weer. Nu werd Bouke nieuwsigierig, keek eerst eens in het hoofddeksel, trachtte toen aan den buitenkant te lezen wat daarbinnen moest in staan, doch wijl dit niet lukte, nam hij een der papiertjes tusschen duim, en vinger. Meteen keek hij Murk ondeugend aan.
„Dus deze is het, die ik je hier noemen zal ? Een gewichtig oogenblik in je leven, vent, maar je bent nog rijker dan ik, want ik heb nog nooit een keuze gehad, omdat niemand mij hebben wil, " schertste Bouke.
„Ga je gang maar, " zei Murk en keek met spanning naar zijn hand.
Toen werd heel langzaam en onder allerlei gebaren het papiertje voorzichtig opengevouwen. „'k Moet haar geen pijn doen, " zei Bouke, „de moeder niet en de dochter ook niet, want daar kon ik later eens spijt van krijgen. Heb je anders ook nog liever dat ik het verruil ? " vroeg hij plagend, om de nieuwsgierigheid te prikkelen.
„Schiet nu op, want anders vraag ik je nooit weer voor zoo'n gewichtig werk, " antwoordde Murk.
„Nu, daar gaat hij dan!" en tegelijk werd het blad papier opengevouwen.
Doch toen was de teleurstelling aan de zijde van Bouke. „Daar staat anders niets te lezen, dan het woordje: „ja", zei hij.
„Dank je wel, " klonk het opgeruimd, „mag ik even zien ? "
„Maar wie is 't nu ? " vroeg Bouke. „Wat bedoel je ? " was de wedervraag. „De moeder of de dochter ? " „O, voorloopig geen van beiden, maar ik groet je."
Met een paar vreemde oogen keek Bouke hem aan.
„Ga je d'r van door Murk ? " riep hij hem na. Maar Murk wuifde met de hand en hinkte het heem af. Had God hem niet geroepen, om koopman te worden ? In een oogenblik was alle vrees en droefheid 'en somberheid bij hem weggenomen. De aanwijzing was immers duidelijk en daarmede tevens die uitslag zeker. Zoodra hij ver genoeg van de boerderij was, om niet gehoord te worden, brak hij uit in een lied en zette koers naar zijn woning, om nu verder te overleggen wat hem te doen stond. In elk geval hier vandaan ; dit was duidelijk, maar dan waarheen ? En alsof het zoo wezen moest, maar ongedacht, werd hem de weg gebaand.
„Geen werk. Murk ? " vroeg hem een voormalige vriend, die hem op den weg tegenkwam en met wien hij zich in vroeger jaren, toen hij nog de wereld diende, meermalen vermaakt had.
„Neen ; 'k zit op zwart zaad, " zei Murk.
„Waarom blijven jullie ook : allen hier in zoo'n nest van een dorp wonen, 't Is 'hier immers haast altijd misère. In het drukke vóór-en najaar, en even in den zomertijd, dan kunnen de boeren je gebruiken, maar het andere gedeelte van het jaar moet je maar zien rond te komen. De wereld is toch grooter dan wat je hier zien kunt en waar je haast weet hoeveel steenen er op straat liggen."
„Je hebt goed praten, maar waar zal ik dan heengaan; 't is hier in den wijden omtrek overal gelijk." (Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 mei 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 mei 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's