De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

17 minuten leestijd

HARTELIJK GELUK GEWENSCHT
Wij hebben natuurlijk allen met blijdschap gehoord en gelezen dat ds. H. A. de Geus te De Bilt (Utr.) door onze geëerbiedigde Koningin begiftigd is geworden met de ridderorde van Oranje Nassau. De ijverige en trouwe secretaris van onzen Bond van Ned. Herv. Jongelingsvereenigingen op Geref. grondslag heeft dat verdiend voor z'n moed, beleid en trouw. En wij hopen van harte, dat hij dit ridderkruis nog vele, vele jaren met eere en vreugd, zal mogen dragen.
Hij en zijn huisgenooten ontvangen ons aller hartelijke gelukwensch !

Het optreden van Communistische predikanten.
Rondom Pinksteren lezen we altijd weer dat mooie en bekende gedeelte van Handelingen 2, waar ons beschreven staat, dat er velen luisterden naar het woord der discipelen en dat er op de prediking van Petrus omtrent drie duizend werden gedoopt, geloovende in den Heere Jezus, tot vergeving van hunne zonden. „En zij waren volhardende in de leer der Apostelen en in de gemeenschap, en in de breking des broods, en in de gebeden".
In de schaduw van het kruis van Christus zaten zij neder en zij mochten God en hun naaste liefhebben. „En allen die geloofden, waren bijeen, en hadden alle dingen gemeen ; en zij verkochten hunne goederen en have, en verdeelden dezelve aan allen, naardat ieder van noode had. En dagelijks eendrachtelijk in den tempel volhardende, en van huis tot huis brood brekende, aten zij te zamen met verheuging en eenvoudigheid des harten; en prezen God en hadden genade bij het gansche volk. En de Heere deed dagelijks tot de Gemeente, die zalig werden" (Hand. 2 vers 41—47).
We schrikken er van, als dan plotseling dr. Snethlage van Oyen (N.-Br.) en ds. Boers van Roordahuizen (Fr.), naast ons komen staan, terwijl we Handelingen 2 lezen, en met den vinger bij Hand. 2 ons toeroepen: „Rusland is onze heilsstaat".
Zij hebben blijkbaar niets van het verband van de geschiedenis van Handelingen 2 gehoord en verstaan.
Ze weten blijkbaar ook niets van wat er in Rusland écht gebeurt.
Ze roepen  alleen maar : „Rusland is onze heilsstaat".
En ze denken dan aan die woorden : „en ze hadden alle dingen gemeen". Dat is hun ideaal. Wat zij dan noemen: het Communisme ! Wat zij dan gelijkschatten met wat in Rusland gebeurt !
Naar een Paradijs verlangen die heeren, die predikant zijn in onze Ned. Hervormde Kerk. En dat Paradijs, zeggen ze, is in Rusland !
Dáár is een maatschappij zonder klassen en standen. Daar zijn allemaal mooie, nieuwe huizen nu, voor alle menschen, zonder onderscheid. Overal goede, degelijke maaltijden, voor alle menschen. Rijken en armen zijn er niet. Allen zijn welgesteld. Niemand wordt er lastig gevallen door z'n naaste.
Alleen, die niet wil gehoorzamen aan de ideaalvolksleiders als Lenin, wiens beeltenis in alle huizen gevonden wordt, wordt gevangen genomen en gedood. Dat geeft dan wel even moeite, strijd, pijn, verdriet, — maar dat zijn „de geboorteweeën van de nieuwe maatschappij". Het geboren worden van iets nieuws gaat nooit zonder moeite en pijn. Ook de komst en het doorbreken van „de ideaal maatschappij in Rusland" brengt verdrietelijkheden mee. Maar dat is maar voor een korten tijd. Dan is alles nieuw. En dan is alle leed vergeten. De dommen, de halsstarrigen, zijn dan uit den weg geruimd. En „alles is wèl aan boord".
Zoo redeneert b.v. ds. Boers, van Roordahuizen, in zijn brochure : „Smaad over de Kerk van Christus ? ", in welk boekje hij zich richt tot de Synode van de Ned. Hervormde Kerk, om zich te verdedigen inzake de beschuldiging, tegen hem ingebracht, „als zou hij met zijn Communistische beginselen smaad hebben gebracht over de Kerk van Christus !"
Wat denkt men wel van hem?
Neen, hij is juist de goede christen en hy heeft een heerlijk Paradijs voor oogen, waarbij Rusland hem tot voorbeeld is.
„Het Evangelie van de Bergrede" "is zijn Evangelie. En dat is „het Russisch Evangelie van de daad", 't Lijkt op elkaar als twee druppels water, 't Is precies hetzelfde : Mattheüs 5—1 en de practijken in Sovjet-Rusland.
Wat beschuldiging zal men dan tegen hem inbrengen? Laat de Kerk liever zich bekeeren van haar boozen weg; laat zij ontwaken uit haar doodsslaap ; laat zij opstaan uit haar machteloosheid. Laat de Kerk eindelijk eens wakker worden en Kerk van Christus, Kerk van „het Evangelie van de Bergrede" worden, Kerk, die „het Russisch Evangelie van de daad" aanvaardt, beoefent en in practijk brengt!
Profeten zijn dr. Snethlage en ds. Boers. Profeten van het echte Evangelie van de daad.
En ja, men heeft al zoo dikwijls profeten geslagen, gebonden, gesteenigd, gedood.
Dat wil men nu ook in de Hervormde Kerk doen met de beide profeten van „het Russisch Evangelie van de daad" — zegt men.
Zie maar, wat de Synode doen wil met de Communistische predikanten van de daad !
Zou het niet verschrikkelijk zijn ? Zou de Kerk, de Hervormde Kerk, niet het oordeel over zichzelf halen? — zegt men.
Is zij dan niet waardig, dat zij uitgeroeid worde als een onvruchtbare, als een doode, als een verstorven boom — als zij zóó blind en verhard is, om zich te verzetten tegen deze twee profeten ? — zegt men.
Laat zij maar oppassen.
De Profeten van het Russisch Evangelie van de daad waarschuwen haar nog.
Zal hun stem helaas ! zijn als de stem van een roepende in de woestijn ?
Zoo redeneeren dr. Snethlage en ds. Boers en hun Communistischebolsjewistische geestverwanten.
Willen wij ze eens even narekenen ?
Misschien is er tegen hun opzet, hun beginsel, hun verdediging, hun brochures en hun artikelen nog wel iets aan te voeren, dat de dingen in een ander en beter licht kan zetten.
Om te laten zien, dat zij inderdaad smaad brengen over de Kerk van Christus ; over onze Ned. Hervormde Kerk.
Wat niet mag worden geduld!
(Wordt voortgezet).

KOHLBRUGGE, zijn levensgeschiedenis.
De sprake Kanaans. (2)

Vraag: Zijt gij gehuwd?
Antwoord : Er is mij in mijne ellende en in mijn eenzaamheid en armoede een wonderschoone Koning verschenen, en zoo leelijk als ik was, zeide Hij tot mij : „Ik zal u Mij ondertrouwen in eeuwigheid ; ja Ik zal u Mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht, en in goedertierenheid en in barmhartigheden ; en Ik zal u Mij ondertrouwen in geloof; en gij zult den Heere kennen" (Hosea 2 vers 18 en 19). En nadat Hij dit gezegd had, stak Hij mij een ring aan den vinger. Ik heb hem dikwijls wedergevonden, nadat ik Hem verloren had, — dikwijls weêrgezien, nadat ik Hem in langen tijd niet zag, en dan heeft Hij herhaalde malen tot mij gezegd : „Ik heb u van eeuwigheid liefgehad, daarom heb Ik u tot Mij getrokken uit louter barmhartigheid". Sedert langen tijd is Hij van mij opgevaren, maar ik gevoel het nu en dan aan den ring, dat Hij wederkomen en mij tot Zich nemen zal, opdat ik eeuwig bij Hem blijve. — Ik had eerst een anderen man, maar die is dood; die sloeg mij hard, geeselde en tiranniseerde mij ; mijn tegenwoordige Man spreekt altijd alleen vriendelijke, liefelijke woorden : Ammi Ruchama, d.i. „Mijn volk, begenadigde". (Hosea 1 en 2). Hij leeft met mij geheel volgens het trouwformulier.
Vraag : Hebt gij familie?
Antwoord : Ik heb vele kinderen gehad bij den eersten man; die bevielen my eerst zeer goed en waren de lust mijner oogen en mijn geluk; zij werden spoedig groot, maar zij zijn de een na den ander gestorven aan de tering. Vraag mij niet naar familie; want ik ben eenzaam en onvruchtbaar, alsof ik zonder man ware. Ik heb evenwel eene belofte, dat ik eene blijde moeder van zeven worden zal, dat mijne woning te klein zal zijn, om alle kinderen te bergen, dat mijn zaad zal zijn als de sterren des hemels, en dat al mijne kinderen van den Heere zullen geleerd zijn. Menigmaal sta ik voor deze belofte en lach, gelijk Sara lachte, toen ook zij zulk eene belofte ontving. De kinderen overigens, die ik heb, zijn mij van den hemel toegezonden, en zijn my tot teekenen en wonderen van den Heere der heirscharen. (Vergelijk Jesaja 54, Psalm 113 vers 9 en Jesaja 8 vers 18).
Vraag : Hoe noemt gij uwen Koning ?
Antwoord : Ik kan Hem niet noemen, want Hy is Wonderbaar. Als ik Hem noemen moest, dan zou ik dood aan Zyn voeten neervallen. Ik noem Hem myn Vriend.; en Hy is wit en rood. Hy houdt woord en trouwe, heeft mij lief, voedt en beschut my, en heeft met my het uiterste geduld. (Zie Richteren 13 vers 18; Jesaja 9 vers 6; Hooglied 5 vers 10).
Vraag: Wat denkt gij van uw gestalte?
Antwoord : Myn Vriend zegt, dat ik schoon ben ; ik kan het echter niet begrypen. Ik kom my zelve voor als een ongevormde vleeschklomp en somtyds heeft myn Vriend ook geene gestalte noch schoonheid in mijne oogen. Wanneer Hij mij evenwel, als ik zoo ellendig terneder lig, op den wagen van zyn vrywillig volk zet, dan vraag ik niet naar myn gestalte, maar verblyd my daarin, dat Hy zoo met mij daarheen rydt, en dan zou ik, wat myne gestalte aangaat, met alle engelen niet willen ruilen. Hooglied 1 vers 8 ; 4 VS. 7 ; Jesaja 53 vs. 2, 3 ; Hooglied 6 vs. 11)
Vraag: Wat denkt gy van uw lengte?
Antwoord : Ach, ik wil altyd een span langer zyn dan ik toen, en ben er dikwyls bezorgd voor, dat ik te kort en te klein ben. Want die lieden, die eene lange gestalte hebben, zeggen, dat ik niets beteeken, en meten my dan van het hoofd tot de voeten, en dan word ik al kleiner en kleiner, totdat ik een worm word, die zich in het stof tot zyn Schepper uitstrekt. Hy toch geeft genadiglijk aan een ieder zyne bepaalde maat en te Zyner tyd ook den wasdom ; en terwyl ik nu klein word voor het aangezicht van myn grooten God, en met den kleinen Jozua, Kaleb en David op Hem zie, word ik getroost, dat ik geheel naar de maat der Wet ben, en de reuzen als Goliath en zoovele anderen hebben voor my niet meer hunne lange schaduwen, en de zoo groote bultige berg Basan wordt klein by den anderen zoo lagen heuvel Sion. (Jesaja 2 vers 2; Psalm 68 vers 17).
Vraag: Wat denkt gy van uwen gang ?
Antwoord : Die is in myne oogen slecht, want het is my, by den vorigen tyd vergeleken, alsof ik al meer en meer achteruitga. Maar het werk, dat ik onderwyl doe, moet toch wel recht zyn — zoo zegt tenminste de Werkmeester, aan Wien ik het werk heb al te leveren. Ben ik moede, dan kryg ik nieuwe kracht, en zoo gaat het toch voorwaarts. Myn Vriend heeft my schoenen geschonken ; en hierin is myn gang, zooals Hy zegt, als die van een Koningsdochter. Myn gang gaat recht uit, en alles wat op den weg my tegenkomt, moet voor mij wyken. In deze schoenen loop ik en word niet moede, hoe zwak ik ook ben. (Jesaja 40 vs. 29—31; Hooglied 7 vs. 1).
Vraag: Maar hoe zy t gy zoo zwart, zoo gewond ; en hoe zyn uwe oogen zoo rood, alsof gy geweend hadt; vanwaar komt het, dat gy zoo bleek zyt en uwe wangen zoo ingevallen en zoo doorgroefd zyn ?
Antwoord: Ik ben zwart door de brandende zonnehitte; dat kan niet anders op de reis door deze woestyn. Ik ben gewond, doordien de vyanden myns Vriends my hebben geslagen, omdat zy myn Vriend haten — ook myne toekenden en die my liefhebben, hebben my geslagen, omdat zy my en myn Vriend nog niet recht kennen, en myn en hun Vriend voor een vyand houden. (Hooglied 1 vers 5, 6; 5 vers 7).
„Wel, laat hen dan varen !" zegt iemand. Neen, ik was weleer óók zoo verkeerd en sloeg hen, die zoo zyn, als ik thans toen. En de groeven in myne wangen komen daarvan, dat ik zoo dikwyls weenen moet over myne innerlyke verdorvenheid. Dat gaat evenwel alles voorby ; en als ik mynen Vriend slechts heb, dan komt alles in één oogwenk terecht. Dan toen ik toch lieflyk. — Hy zegt het immers. Dan heb ik ook geene zonde of verdorvenheid, dewyl Hy dat alles van my neemt. Hy legt Zyne wonden op myne wonden, en dan heb ik geene wonden meer, en ben opgeruimd, vroolyk en vergenoegd; — en als Hy zegt: „Hoe ziet gy zoo mager, gy Koningskind !" dan ben ik op eens sterk.
(Wordt voortgezet).

De geestelijke ontwikkeling van Groen en de ontwikkeling van ons Volksonderwijs. (1)
Niet altyd is mr. Groen van Prinsterer „onze" Groen geweest.
Toen hij jeugdig Kabinetssecretaris van Koning Willem I was, kende hy nog niet dat geestelyk proces, dat hem tot een ander mensch gemaakt heeft en hem gebracht heeft een andere levens-en wereldbeschouwing. Toen was zyn leus nog niet: „Een Staatsman niet, een Evangeliebelyder".
Zelf teekent Groen ons zyn geestesproces aldus : „"Tot in 1828 was ik ongeveer als Guizot, eer de bliksemstraal van 1848 hem het satanische der Revolutie had leeren inzien; als de toongevende Protestantsché meerderheid. Liberaal en Christen, met de leus van het juiste midden, als in de Hervormde Kerk by kans iedereen, lid der groote Protestantsché partyen. Naar gelang van den thermometer: conservatiefliberaal of liberaal-conservatief".
Eerst in 1820 werd een begin van principieele verandering bespeurd. In 1831 was de antirevolutionaire, de christelyk-historische opvoeding voltooid en toen is hy gebleven tot zyn dood toe „Een Staatsman niet, een Evangeliebelyder"', die „tegenover de Revolutie het Evangelie" stelde op elk terrein des levens, voor de school, voor de kerk en in de politiek.
„Oude plunje" is er ook by Groen wel te vinden, juist omdat hy „lid van de Protestantsché party", liberaal en christen tegelyk, man van „het juiste midden", die nu eens conservatief-liberaal en dan weer liberaalconservatief was — juist omdat hy een geestelyk proces heeft doorgemaakt. Als Groen dan ook, als jeugdig Kabinetssecretaris van Koning Willem I, een „nota" indient in zake de regeling van het onderwys in het overwegend Roomsche België, dan blykt dat hij toen als een echte liberaal door vrees gedreven, ontraadt om aan het byzonder onderwys in de Zuidelyke-Nederlanden (overwegend Roomsch) de volle vryheid te geven en te waarborgen.
Groen kende eerst nog niet, zooals hy dat later door Gods genade mocht leeren kermen, dat groote goed „waarover vreugd is toy de Engelen Gods". Dat heeft hy eerst later mogen ontvangen. En dat heeft toen — begrypelykerwyze — invloed gehad op zyn ideeën en adviezen, vooral in zake de schoolkwestie en het kerkelyk probleem.
Groen begon zyn stryd, wat zyn levensstryd is geweest, onder de heerschappy van de Wet van 1806, die verlangde dat het onderwys zoodanig zou worden ingericht, dat het de kinderen opleidde tot alle maatschappelyke en christelijke deugden, en zulks met vermyding van alle leerstellige waarheid, terwyl de schooltyd hetzy wekelijks, hetzy dagelijks met een kort en gepast christelyk gebed geopend, en gesloten zou worden.
Het Staatsonderwys was en werd al meer doordrongen van den geest van het Nut, een Staatsen Schoolgodsdienst, aan Jood, Protestant en Roomsche geen ergernis gevend, 't Moest alles van een „algemeen en verdraagzaam karakter" zyn, zooals dat tot uiting kwam in den catechismus van 1803, door den Staat op de scholen ingevoerd, en welke op de vraag : „Welke godsdienst is het meest geschikt ? ten antwoord gaf: „Alle godsdiensten zijn in de oogen van den wijze gelijk, mits dat derzelve leer-en zedekunde overeenkomstig zijn met de wetten van den Staat" — klanken, die we in 1936 in 't Buitenland overal hooren en die ook op Nederlandschen bodem zijn overgewaaid. De Staat boven alles ! Geen autoriteit dan de Staat!
De Staat trok in 't begin van de 19de eeuw alle onderwijs vrijwel aan zich ; en de oprichting van bijzondere scholen, die van anderen geest bezield waren, werden onmogelijk gemaakt. De Grondwet van 1815 — waaronder Groen bij den aanvang van zijn optreden leefde, proclameerde niet uitdrukkelijk de vrijheid van onderwijs en met verdraaiing van de Grondwet (zooals van Hogendorp dat noemde) werd de vrijheid van onderwijs zelfs geloochend. Voor de oprichting van bijzondere scholen moest vergunning aan de plaatselijke toesturen worden gevraagd, die om allerlei laffe en kleingeestige redenen telkens werd geweigerd. Nu eens gaf men als reden op „dat er geen behoefte was aan meerdere scholen" (alsof het slechts om vermeerdering van het aantal scholen ging bij de voorstanders van het christelijk onderwijs) ; dan weer „dat men het onderwijs op de bestaande scholen voor christelijk genoeg hield" ; ook kwam de weigering dikwijls zonder opgaaf van redenen. 't Was dan eenvoudig „omdat het mij, burgemeester, niet behaagt" enz.
Door deze practijken had men in weerwil van de vele aanvragen slechts op 4 plaatsen : in Nijmegen, Den Bosch, Nijkerk en Amsterdam, bijzondere Christelijke scholen, afgezien van „de Diaconiescholen".
Tegen dezen staat van zaken had Groen reeds terloops in zijn boekje : „De maatregelen tegen de Afgescheidenen aan het staatsrecht getoetst" zijn stem verheven, om daarna, als hij in 1840 in de Staten^Generaal zijn intrede doet, voor het eerst de geweldige kolossus van het Nut aan te vallen. Op den 27en Augustus 1840 leverde hij zijn meesterlijk protest:
„Ja het onderwijs in Nederland is onchristelijk ; niet alsof dit verwijt elke school zou treffen ; geenszins, er is ook bij de algemeenheid van het stelsel, overvloedig reden om over uitzonderingen en inconsekwenties dankbaar te zijn. Het onderwijs is onchristelijk, omdat de Wet van 1806, door de vereeniging der Gezindheden, een beginsel ingevoerd heeft, ten gevolge waarvan de Bijbel of niet of enkel behoudens goedvinden der R.K. geestelijkheid gelezen mag worden. Het is onchristelijk, omdat men door de afscheiding van hetgeen onafscheidelijk is, niet slechts de leer des Bijbels ter zijde gesteld, maar ook de geschiedenis des Bijbels van ziel en leven en waarheid heeft beroofd. Het is anti-christelijk, omdat, terwijl het leerstellig onderwijs in schijn uitgesloten wordt, men inderdaad een ander leerstellig onderwijs geeft. Het is antichristelijk, omdat men met voorbijzage der klove, die de zonde gewerkt heeft, een algemeenen Vader der menschen verkondigt; het is antichristelijk, omdat men aldus aan 't jeugdig gemoed een God predikt, die een droombeeld, is van menschelijke wijsheid, een afgod, die, met verloochening van den levenden God der waarheid, opgericht wordt”.
De schoolstrijd was begonnen en was niet meer te bedwingen. Het ging om de bezwaren tegen den geest dezer eeuw. Onchristelijk was het af te scheiden en buiten gebruik te stellen wat onmisbaar was en is en blijven zal voor de gedoopte jeugd van Nederland. Anti-christelijk werd het wat men aan leerstellige waarheid van het ongeloof onder de kinderen bracht, terwijl men de leerstellige waarheid van het Christendom veroordeelde en verfoeide. En tegen dat onchristelijke en anti-christelijke, dat negatief verhinderde wat de christen gelooft en belijdt en positief binnenloodste wat het Woord van God verbiedt, heeft Groen met kracht den strijd voortgezet.
Als straks de agitatie vermeerdert en luider klachten over den onhoudbaren toestand op onderwijs-en schoolgebied worden aangeheven, dan benoemt Koning Willem n in November 1840 een Commissie om de bezwaren tegen het Onderwijs te onderzoeken, en als Groen daarin zitting krijgt, geeft hij in zijn Nota de eerste meer systematische verdediging van zijn wensch : 1. splitsing der Openbare School naar gezindheden; 2. zonder uitstel als eisch en recht van het geweten : vrijheid van bijzonder onderwijs.
In deze Nota tracht Groen den Koning vrijmoedig te overtuigen van het verderfelijke eener kunstmatige éénheid — bespot hij den valschen vrijheidszin van hen, die staande houden dat nu reeds vrijheid van onderwijs bestaat, wijl men „met machtiging van het gemeentebestuur" eene bijzondere school mag oprichten, welk gemeentebestuur ook kan en mag verbieden en verhinderen Hij kiest partij tegen de „grootprotestantsche" partij, die door gepraat over ijzingwekkende galgen, rookende brandstapels enz. enz. de vrijheid van onderwijs bestreden en de goegemeente bevreesd maakte. Tegen deze anti-papisten met hun vreesaanjagende propaganda tegen de vrijheid, van onderwijs argumenteert Groen als volgt: „Ik ben ook in het schoolwezen veel minder voor den invloed van Rome beducht, dan voor de werking van een dorre protestantsche leer, welke, ja het Evangelie verkondigt, doch er op meer dan ééne wijze het kenmerk eener blijde boodschap aan ontneemt". (Verspreide Geschriften van mr. G. Groen van Prinsterer. 2de deel. Amsterdam 1860, blz. 174 enz.).
Dit was de eerste bede van Groen recht in het onderwijs om recht in het onderwijs.
En die eerste bede werd afgewezen.
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 mei 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 mei 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's