De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

PINKSTEREN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

PINKSTEREN

11 minuten leestijd

Rom. 15 : 13. De God nu der hope vervulle ulieden met alle blijdschap en vrede in het gelooven, opdat gij overvloedig moogt zijn in de hoop door de kracht des Heiligen Geestes.

Pinksteren herinnert ons, zoodra de lente in het land kwam en de boomen uitbotten en de bloemen gezien worden en alles spreekt van de wondere levenskracht, die in de natuur is uitgestort, aan het groote heilsfeit der inwonende daad van God den Heiligen Geest in de gemeente van Christus, die Zijn lichaam is. Er is eene treffende overeenstemming tusschen Gods werken in de natuur en Gods werken in het rijk der genade. In de natuur is het Gods Heilige Geest, die inwonend in alle creatuur, de almacht van den schepper ons voor oogen stelt. Want God draagt alle dingen door het Woord Zijner kracht, doch dat Woord geeft Hij uitdrukking door de levenwekkende kracht van Zijnen Geest. Hij is het, die Gods scheppend Woord openbaar maakt in de schepselen. En daarom wonderbaar is Zijne kracht, zooals zij zich voor ons stelt in de diepten der hemelen boven ons, zoowel als In de nietige made, die voortschuifelt in het stof onder onzen voet. De machtigste hemellichamen, zoowel als de enkele zandkorrel en alle stofjes der wereld, zij zijn Gods schepsel, geworden naar het beeld in Zijne eeuwige Godsgedachte door de kracht van den Heiligen Geest.
En wat nu geldt van de natuur, dat is eveneens van toepassing op het zaligmakend werk der genade, dat de Heere voltrekt in de gemeente, die geroepen werd uit de duisternis tot het wonderbare licht. Ook haar leven is gewrocht van den Heiligen Geest. Van het 'begin der wereld tot aan haar einde leeft Gods Kerk door den arbeid des Heiligen Geestes. En ook hier neemt Hij het uit het eeuwig Woord, dat vleesch geworden is, dat gedaan heeft wat bij God te doen is om de zonde des volks te verzoenen, en Hij is het, die inwoont in Gods Kerk, die inwoont in elk van Gods kinderen en die het neemt uit den levensschat van den Heere Jezus Christus om het aan elk van Zijne kinderen toe te deelen
Daarom is er onder al de groote heilsfeiten, die de Kerk in den loop van haar jaar herdenkt, niet een, dat meer persoonlijk is, meer afdaalt in het verborgen van ons zielsbestaan, meer ingrijpt in de diepe roerselen van ons eigen subjectieve leven, dan juist het feit, waarvan Pinksteren spreekt. Bij het Kerstfeest zien wij naar het Kindeke in de kribbe, bij den lijdensweg naar Hem, die het Lam Gods is, dat de zonde der wereld wegneemt, bij Paschen naar de geopende groeve, naar Hem, die dood en hel verwonnen heeft. Wij zien Hem alzoo, als opgetreden in het historische leven, als verschenen in deze wereld, want de goedertierenheid van God, onzen Zaligmaker en Zijne liefde tot de menschen is verschenen, is als tastbaar geworden voor onze hand, zichtbaar geworden voor ons oog. Maar Pinksteren dringt ons naar de wereld van het onzienlijke. „Door het geloof", zegt de Apostel, verstaan wij, dat de wereld door het Woord Gods is toebereid, alzoo, dat de dingen, die men ziet, niet geworden zijn uit dingen, die gezien worden". Zij komen op uit het onzienlijke en worden door de kracht van den Heiligen Geest. En Pinksteren dringt ons nu tot een inkeer in onszelven en stelt ons voor de vraag, of wat nu ons verschenen is in den Heere Jezus Christus, ook innerlijk in ons eigen zieleleven werd voltrokken als een levend geschieden. Zooals de Apostel zeide : „Ik ben met Hem gekruisigd, gestorven met Hem", ja, dat wij ééne plante met Hem zijn in de gelijkmaking Zijns doods om ook ééne plante met Hem te zijn in de gelijkmaking Zijner opstanding. Dat wordt alleen voltrokken in de zondaarsziel door den Heiligen Geest. Zeker, het geldt van alle heilsfeit, van het Kindeke in de kribbe, van kruis en opstanding, om er van waarachtig te genieten, moet het voor ons persoonlijk zijn geschied. Hoe zouden wij ons verblijden, als de Zaligmaker in Davids stad ons niet geboren werd, genieten van Jezus' kruisverdienste, indien Hij tot ons niet sprak van Zijn bloed, voor ons vergoten, leven uit Zijne gerechtigheid, indien Zijn stem ons niet riep uit het graf onzer zonde. Van waarachtige kennis des heils zou geene sprake kunnen, zijn, indien Hij ons niet heeft herboren tot eene levende hope. Maar in zeer bijzonderen zin geldt dit van het Pinksterfeest. De Schrift brengt het in innig nauw verband met de wederbaring en het leven van Gods Kerk, opdat elk van Gods kinderen zijn Pinksterfeest zal genieten. God zendt den Geest Zijns Zoons in de harten Zijner kinderen, opdat zij, geleid door den Zoon tot den Vader, onder de bezielende werking des Heiligen Geestes de waarachtige liefde des Vaders zullen smaken en roepen : „Abba, Vader !"
Doch dit werpt een schaduw over dit Pinksterfeest, dat het leven dezes tijds ook onder hen, die zich nog scharen om de kruisbanier, zoo koud, zoo mat, zoo vervlakt geworden is, dat er van eene diepere beleving nauwelijks meer sprake komt. Daarom wordt er ook zoo weinig genoten van de geestelijke gaven en is er onder de gedoopte volken geene geestelijke samenbinding over, zien wij, dat het maatschappelijk samenbindend cement is vergaan en de eenheid der volken dreigt te breken, en zien wij ook, dat dan vleeschelijke krachten opstaan om met geweld eene eenheid te scheppen, opdat niet de ondergang volkomen zij. Zoo wordt het in onze dagen openbaar, hoe de geestelijke inzinking zich wreekt in eene algeheele verzwakking van alle volkskrachten. Daarom, zoo ooit, dan is er in deze dagen eene behoefte aan een Pinksterwonder, aan eene hernieuwde beleving van het groote werk van Gods genade, opdat dit weder eene kracht worde in het leven der volken. Nu de tijd zoo donker wordt, nu de benauwdheden vermenigvuldigen, nu de wereld steeds dieper wegzinkt in den afgrond der ellende harer geestelooze stofvergoding. Ja, nu vooral is er behoefte aan een Pinksteren. En als er zulk een Pinksteren komen mocht, dan zal de eerste vrucht niet zijn een lichtzinnig, oppervlakkig gejuich, geen woordenrijk geroep over wat God gedaan heeft buiten ons, maar de inkeer in onszelven, maar de kennis onzer waarachtige geestelijke nooden, maar de bede om den Heiligen Geest, om een nieuw Pinksteren in onze zielen, in onze Kerk, in ons volk, opdat het Gods heilsdaden moge beleven. Want zonder dat, is het alles, hoe schoon het moge schijnen, toch wezenlijk dood en als een lente zonder getuigenis van het opbloeiend leven en zonder spanning van kracht.
En dat blijkt nu ook hier, als de Apostel oproept tot waarachtig Christelijk leven, niet tot een ijdel gejuich, maar tot het brengen van het offer onzes levens. Het gaat ten slotte niet om onszelven, niet om het onze, niet om onszelven te behagen. Christus, zegt hij, heeft Zichzelven niet behaagd. Ja, het was voor Hem een lijdensweg. De smaad trof Hem, de vijandschap der wereld. Maar Hij heeft Zich gegeven, opdat de Zijnen het heil zouden deelachtig worden en de weldaden zouden ontvangen, die daaruit geboren worden: eensgezindheid onder elkander naar Christus Jezus, eendracht in de verheerlijking Gods. Het is dus anders, dan het in de wereld Zijner dagen blijkbaar was, anders ook onder de ware belijders dan in onzen tijd, nu schier geen twee meer samenwandelen kunnen. Ware eenheid en eendracht kan er slechts zijn in de diepe geestelijke gemeenschap met den Heere Jezus Christus. In het licht van zulk eene eenheid ziet de Apostel de komst van Gods Koninkrijk ook in de wereld der heidenen. Ook de heidenen zullen God vanwege de barmhartigheid verheerlijken. En zoo wordt dus de gave van Gods Heiligen Geest een prikkel voor Gods Kerk om het Evangelie uit te roepen onder alle volken, opdat Christus zal worden gekend, de Vader zal worden verheerlijkt in de gave des Zoons. En hij weet het, dat daarvan niets komen zal, tenzij Gods Heilige Geest zelve zich daarbij in volle werkzaamheid openbaart. Daarom ook komt hij tot de gemeente van Rome met de heilbede : „de God nu der hope vervulle ulieden met alle blijdschap en vrede in het gelooven, opdat gü overvloedig moogt zijn in de hoop, door de kracht des Heiligen Geestes". Zonder deze kracht des Heiligen Geestes kan de zondaar niets ontvangen, staat hij, zooals nu duizenden staan in deze wereld, zonder hope en zonder uitzicht. Zij leven uit den geest der wereld en bereiken niet. Hunne verwachting gaat uit naar de wereld en de horizon blijft donker, hunne levensidealen wenken hen naar de wereld, maar zij wijken terug al verder en verder, naarmate zij meenden deze te benaderen. En zoo beschaamt de hope dezer wereld en blijven zij met al hare verlichting, met al haar technisch vermogen, met al den roem harer cultuur, in den nacht der donkerheid, die over deze moderne wereld is gedaald. Niets van al hetgeen, waarop het vertrouwen der volkeren gebouwd werd, beklijft. Hare luchtkasteelen zinken ineen en in het rumoer der wereld wordt het al met den ondergang .bedreigd. Dit is zoo geworden, omdat aan dit alles de Pinkstergeest ontbrak. En deze Geest kan alleen waarachtig bereiden, wat wij, menschen, in deze wereld behoeven. Zoo ooit, dan behoeven wij nu den zegen, dien de Apostel den Romeinen toebidt als hij schrijft: „de God nu der hope vervulle ulieden met alle blijdschap". Zoo ooit, dan behoeven wij dit, nu de teleurstellingen zoovele zijn. Men heeft ons willen doen gelooven, dat het leed dezes tij ds wel haast zou voorbijgaan. De crisis kan niet altijd duren, was de valsche hope, die moest dienen om den moed in stand te houden. Ja, men richtte er zich zelfs op in, dat weldra het leed geleden zou zijn. En toch, het leed duurt voort en het lijden voor een tijd, werd een lijden des tijds. En tot den God der hope kwam men niet. Daarom, als wij moed, waarachtig moed zullen vatten, dan zal dit Pinksterwoord des Apostels aan ons moeten worden vervuld : De God der hope moge ons vervullen met alle blijdschap en vrede in het gelooven. En dat „gelooven" is een afzien van het schepsel, een opzien alleen tot God, die machtig is onze nooddruft tot heerlijkheid te vervullen. Eerst in dien weg is er „een overvloedig zijn in de hoop", is er een hope, die reeds nu zekerheid biedt, die niet beschaamt, eene hope, die een levensgrond geeft en leert, ook als de dagen donker worden, ons vast te houden, ziende den Onzienlijke. Ja, zulk een hope roept de levenskracht op, wekt tot de blijmoedige worsteling ook om de dingen van het aardsche leven, die de Heere ons als noodig toebeschikken zal. Zulk een hope is niet een ijdel uitzien naar den horizon der wereld en hare volken, of er komen mag reeds in deze bedeeling wat de Heere als de rijpe vrucht van Zijn Koninkrijk in het uitzicht ons stelde. Zulk eene hope is niet de bouw van een luchtkasteel, maar gegrond in den eeuwigen Raad des vredes onzes Gods. En ook in ons persoonlijk leven is zulk een hope geen vrucht van eigen akker, geen rusten in valschen schijn en lichthartige toeëigening van beloften, die wij niet waarlijk ontvingen. Daarom, als de Apostel deze hope en deze blijdschap aan de gemeente te Rome toebidt, dan snijdt hij bij den wortel alle valsche verwachting af door er aan toe te voegen, dat alle deze geestelijke zegeningen slechts verkregen worden, „door de kracht des Heiligen Geestes".
Zoo verschijnt dus hier het gansche leven der wereld en ook dat van Gods kinderen in het bijzonder in het licht van het Pinksterwonder. Alleen door de kracht des Heiligen Geestes wordt het heil verkregen. En die kracht, dat is de rijke vertroosting op Pinksteren, is onwederstandelijke kracht. Zooals Gods Geest het is, die het aardrijk verjongt, die den plasregen doet overgaan én de bloemen strooit over de velden en zooals niets Hem kan wederstaan in de werken der natuur, zoo is Hij ook de onwederstandelijke in de werken der genade. De kracht des Geestes schrijft haar almacht met vlammend schrift voor onze oogen in den hemel boven ons, op de aarde om ons, ja. Hij spreekt haar zelfs in de klopping van ons hart, in den polsslag van ons leven, in de ademtochten onzer ziel. Maar zij openbaart zich niet minder in de werken der genade. Daarom, hoe donker ook de weg moge wezen, hoe zwaar onze strijd, hoe benauwend de uitzichten, Gods kinderen mogen hopen in hun leven en in hun sterven door de kracht des Heiligen Geestes. En moge op dit Pinksteren die hope opleven onder ons, dan zal God geven psalmen in den nacht, Pinksterbloemen op den weg en als wij moeten zeggen : de duisternis zal mij immers bedekken, dan is de nacht een licht om mij. Zoo groot is de kracht des Heiligen Geestes, dat voor Hem de duisternis niet verduistert, dat de nacht licht als de dag en de duisternis is als het licht. Zoo is het Pinksteren van Gods ware volk. Daarom, door de kracht des Heiligen Geestes wekke Hij in ons de hope, die ons leert ons te verblijden in degenen, die zeggen: „Wij zullen in het huis des Heeren gaan".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 mei 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

PINKSTEREN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 mei 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's