De geschiedenis van het Calvinisme in Nederland na de Hervorming.
De geschiedenis van de Kerk des Heeren is door alle eeuwen heen een lijdensgeschiedenis geweest, omdat zij altijd weer afviel van de hoogten, waarop zij stond.
Van de oude Kerk vóór den zondvloed was tenslotte een gezin overgebleven van acht personen, want de aarde was vervuld met wrevel. Van Noach tot Abram zien we weer dezelfde verwording. Het heidendom, overwoekerde het geloof in den Eenigen God, waarom de Heere Abram en zijn zaad afzonderde van alle geslachten, om hem en zijn zaad tot een God te zijn. Van de aartsvaders tot de ballingschap, van de terugkeer uit de 'ballingschap tot de dagen van Christus, zien we weer dezelfde afval en verwording. Ook de oude Christelijke Kerk, de Kerk der apostelen, is langzamerhand verworden tot de Kerk van Rome.
’t Behoeft ons dan ook niet te verwonderen, dat het met de Kerk der Hervorming evenzoo gegaan is. Langzaam aan is het krachtige geestelijke leven weer gaan kwijnen. Reeds twee eeuwen, nadat de Hervorming in Nederland vasten voet gekregen had, was het aantal Gereformeerden schaarsch geworden ; in de Kerk was een andere geest overheerschende geworden, zóó zelfs, dat aan den laatsten openlijken verdediger der waarheid, Alexander Comrie (met Holtius) het zwijgen werd opgelegd. (1759)
a. Rondom de Dordtsche Synode.
Toch moeten we niet een al te overdreven voorstelling maken van „den goeden ouden tijd", want van den beginne aan zijn er twee stroomingen in onze Gereformeerde Kerk geweest. Vooral toen de geloofsvervolging ophield en de Gereformeerde Kerk de heerschende geworden was, toen overheidsambten alleen voor leden der Gereformeerde Kerk openstonden, is een groote stroom menschen in onze Kerk gekomen, die nooit de Gereformeerde belijdenis van harte beleden hebben en dus niet leefden uit de belijdenis van Gods vrije genade. Zij waren in meerdere of mindere mate geestverwanten van den humanist Erasmus, menschen dus, die geen oog hadden voor de diepe verlorenheid van den mensch, maar veelmeer opkwamen voor goede vermogens in den mensch. Zij wilden vrij zijn van alle belijdenisdwang, vandaar dat zij ook wel Libertijnen (libertas = vrijheid) genoemd werden. Zoo stonden zij van den beginne af aan tegenover de strenge Calvinisten, die ijverden voor tucht over leer en leven. Omdat velen van de regenten (de z.g.n. voedsterheeren der Kerk) Libertijnsch waren, hebben zij steeds de tucht in Calvinistischen zin belemmerd.
Zoolang de oorlog tegen Spanje duurde, had men elkander noodig en stond ons volk, dus onze Hervormde voorouders, naast elkaar, maar nauwelijks brengt het 12-jarig bestand (1609—1621) eenige verademing, of de strijd tusschen de beide beginsels ontbrandt, in de reeds langer voorbereide strijd tusschen de Remonstranten (Arminius) en de Contra-Remonstranten (Gomarus). Ook nu ondervonden de humanistische Remonstranten de steun van de „voedsterheeren", Oldebarnevelt aan het hoofd.
Op de Synode te Dordrecht heeft onze Kerk de gevoelens van Arminius en zijn volgelingen verworpen en in de Dordtsche Leerregels (D.L.R.) of de z.g.n. Vijf artikelen tegen de Remonstranten, de leer der vrije genade met kracht beleden. Wilden de Remonstranten het geloof in den grond der zaak meer zien als een verdienste van den mensch, zoodat zij spraken van een uitverkiezing om een vooruitgezien geloof, onze Gereformeerde voorouders beleden het geloof als een vrije genadegift Gods, als een vrucht der uitverkiezing en spraken van een verkiezing tot geloof. (Zie D.L.R. hoofdst. I § 9).
Al hebben de Remonstranten vaak gepoogd hun afwijkende gevoelens uit te spreken in zoo rechtzinnig mogelijke bewoordingen, ja, als Gereformeerd voor te stellen, onze Vaderen hebben scherp gezien en de geschiedenis heeft bewezen hoe juist zij voorzien hebben, waartoe het Remonstrantisme moest leiden.
Over die Dordtsche Synode is zeer verschillend geoordeeld. De één heeft haar genoemd een hoogtepunt in de Gereformeerde Kerk, de ander achtte haar „een ramp voor het geestelijk leven in ons Vaderland". Ook in onze dagen wordt nog steeds zeer verschillend geoordeeld, ook door mannen van Gereformeerde belijdenis. Zoo oordeelde Kohlbrugge ongunstig over de Dordtsche Synode, omdat zij niet voldoende het geloof predikte. In aansluiting bij Kohlbrugge spreekt prof. Haitjema dan ook van de befaamde Dordtsche Synode, die naar zijn meening de oorzaak geweest is, dat het in vele opzichten in onze Kerk verkeerd gegaan is. Dordt heeft volgens prof. Haitjema meer verlies dan winst beteekend (Pyrrhus overwinning) en met Kohlbrugge zegt prof. Haitjema, dat „met de voor de handhaving der waarheid zoo belangrijke victorie over de Remonstrantsche dwaling, tegelijk de afglijding naar de overbelasting van het vrome,
wedergeboren, uitverkoren subject begon" 2), dus m.a.w. op de Dordtsche Synode zou deze afglijding begonnen zijn, dat men den mensch meer leerde letten op eigen wedergeboorte, dan dat men wees op het geloof in Christus. Omdat de Gereformeerde Bond over het algemeen meer bij de Dordtsche Synode aansluit dan de Confessioneelen, moet de Gereformeerde Bond dat zelfde verwijt nog al eens hooren. In zijn algemeenheid is dat verwijt beslist onwaar.
Ook van Confessioneele zijde wordt met name nog al eens bezwaar gemaakt tegen Hoofdst. I § 12 van de D.L.R., waar gezegd, wordt, dat de uitverkorenen te zijner tijd, „hoewel in onderscheidene trappen en met ongelijke mate" van hun verkiezing verzekerd worden, wanneer zij „de onfeilbare vruchten der verkiezing, in het Woord Gods aangewezen (als daar zijn: het waar geloof in Christus, kinderlijke vreeze Gods, droefheid die naar God is over de zonde, honger en dorst naar de gerechtigheid, enz.) in zichzelven met een geestelijke blijdschap en heilige vermaking waarnemen (2 Cor. 13 vers 5)"
Dat nadruk leggen op de vruchten des geloofs, om te komen tot verzekering des geloofs, acht men dan een afwijking, een gevaar voor het leven uit het geloof alleen. Maar ook de Catechismus spreekt toch in den zelfden geest, wanneer zij in Antw. 86 belijdt, dat wij goede werken moeten doen, niet alleen om Gode dankbaarheid te bewijzen voor Zijne weldaden en Hij door ons geprezen worde, maar ook „opdat elk bij zichzelven van zijn geloof uit de vruchten verzekerd zij". In den zelfden zin spreekt ook Olevianus, een der mede-opstellers van den Heid. Catechismus, wanneer hij schrijft: „ als wij de werking van Christus in ons hebben, (hoe zwak zij ons ook moge toeschijnen), zoo laat zich daaruit besluiten dat wij de oorzaak dier werking, namelijk Christus, door het geloof bezitten". 3)
Het zal zeker niet moeilijk zijn om uit Calvijns werken hetzelfde aan te toonen, zoodat het ongeoorloofd is om op grond van Hoofdst. I § 12 e.a. der D.L.R., zoo maar zonder meer met zekere geringschatting te spreken over de „theologie van Dordt". We kunnen het dan ook niet als juist erkennen, wanneer men zegt, dat in de D.L.R. „met het geloof (ook) het ernstige streven naar heiliging des levens tot den innerlijken grond van de verzekerdheid of der personeele verkiezing" gemaakt wordt. 3) Ook de Schrift legt, met name in 2 Petrus 1 vers 10, nauw verband tusschen de zekerheid des geloofs en de heiliging des levens, want wanneer we in vers 10 lezen, dat wij ons moeten benaarstigen om onze roeping en verkiezing vast te maken, dan staat dat in verband met de eisch van het „zich reinigen zijner vorige zonden", waar vers 9 van spreekt.
Wanneer we de D.L.R. lezen, met name het eerste gedeelte der hoofdstukken waar de leer wordt uiteengezet, dan moet men zich er toch over verwonderen dat men, in dagen waarin heftig gestreden werd over de uitverkiezing, zoo gepast en eerbiedig de uitverkiezing en alles wat er mee samenhangt, behandeld heeft. Dit is geen taal van disputeerende godgeleerden, maar het is de taal des geloofs van godvreezende mannen. De Franeker Hoogleeraar Maccovius, een man van een geenszins onbesproken levenswandel, werd dan ook op de Dordtsche Synode vermaand om zich voortaan wat bescheidener uit te drukken. Wanneer wij de D.L.R. zelf lezen, dan verwondert het ons niet, dat verschillende buitenlandsche afgevaardigden zeer gunstig getuigden over deze „heilige vergadering" en overtuigd waren dat de Heilige Geest deze vergadering op bijzondere wijze had bijgestaan. De Engelschman Hallus zeide er van : „Nooit zal ik deze Kerkvergadering vergeten, immers daar is onder den hemel geen plaats, den hemel zoo gelijk, als deze en waar ik liever mijne tabernakelen zou willen opslaan". ^) Dit getuigenis zal menig verguizer van de Dordtsche Synode al te opgeschroefd in de ooren klinken, maar mogen wij uit vooroordeel het veelstemmig getuigenis van leden der Synode zelf, zoo maar terzijde schuiven ?
In Dordt had dus de Gereformeerde belijdenis gezegevierd. De Remonstranten werden geschorst en de onwilligen verbannen, zoodat velen, al was 't maar voor kort, uitweken over de grenzen. Onze Gereformeerde Kerk stond op 't toppunt van haar macht. Ook in het buitenland stonden onze Kerk en onze hoogescholen hoog aangeschreven, zoodat vele buitenlanders hier theologie kwamen studeeren. Op alle gebied werd het een bloeitijd voor de Nederlanden, vooral na het beëindigen van den 80-jarigen oorlog (1648). Het was de bekende „gouden eeuw". Maar de rust en de welvaart werkten noodlottig. In dagen van rust en voorspoed treedt verwereldlijking zoo licht op en daardoor inzinking van het geloofsleven. De welgestelde Nederlander werd zelfvoldaan. Men roemde in de Gereformeerde leer, zooals Dordt die beleden had; men had de zuivere leer, wat wilde men nog meer ? Maar met de zuiverheid in de leer hield het geloofsleven geen gelijke tred, zoodat men verviel tot leerheiligheid, en doode rechtzinnigheid. Dit kwaad bestond natuurlijk reeds vóór Dordt, maar het begon steeds sterker te worden, n.l. dit kwaad, dat met een uiterlijke Gereformeerde belijdenis een slordig leven gepaard ging. Lichtzinnigheid, dronkenschap "), kermisvermaak, ontheiliging van den rustdag, kwamen in schrikkelijke vormen voor. Van Lodensteyn zegt er dan ook van: „Naar de leer is onze Kerk de beste, die men zich wenschen kan, maar aan het leven ontbreekt alles". „De leer is gereformeerd, het leven is gedeformeerd". (Doctrina reformata est, vita deformata) Hoor hoe W. a Brakel klaagt: „Men laat dronkaards, dobbelaars, dansers, pronkers, ontuchtigen, gierigaards, geheel onwetende en wereldsche menschen toe tot het Heilig Avondmaal; het is hopeloos, met één woord gezegd". Van Lodensteyn achtte de toestand in de Kerk wat 't leven betrof, zoó Godonteerend, dat hij in zijn gemeente (Utrecht) het Avondmaal zelfs niet meer wilde vieren. Denk verder aan den strijd van mannen als Koelman en De Labadie, en ge beseft dat de toestand van onze Gereformeerde Kerk in de 17de eeuw, dus de eeuw, die begon met de Dordtsche Synode (1618—1619), in vele opzichten allerdroevigst was.
(Wordt vervolgd),
Brandwijk.
*) Hierbij geef ik gevolg aan het uitdrukkelijke verzoek, om deze lezing, in Maart gehouden te Gouda op een cursusvergadering van de Afd. van den Gereform. Bond aldaar, af te staan aan De Waarheidsvriend. Ik doe het met schroom, omdat ik weet dat de belangrijke perioden van Nadere Reformatie en Piëtisme een grondiger bestudeering en behandeling vereischen. Deze lezing kan den lezer slechts dienen tot een allereerste inleiding.
1) Vgl. Dr. J. J. Woldendorp. Heeft de Dordtsche Synode een nadere hervorming van noode ? O.E.V. Jrg. V no. 1. (Jan. 1930).
2) Prof. Haitjema. De richtingen in de Ned. Hervormde Kerk, p. 201—202.
3) Citaat, te vinden in De Heid. Catech. van Thelemann-Barger (1914), blz. 386.
4) Dr. Woldendorp in hetzelfde art., p. 36. 5) Dit en andere zeer waardeerende getuigenissen van buitenlandsche afgevaardigden kunt ge vinden in het genoemde art. van dr. Woldendorp.
5) Van Lodensteyn spreekt in een zijner preeken over predikanten, ouderlingen en diakenen, die wel „eens vroolijk (zijn) tot middernacht, zoodat ze hun huis niet alleen vinden kunnen, en de straten in beroering stellen, en als beesten moeten geleid worden".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 mei 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 mei 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's