De geschiedenis van het Calvinisme in Nederland na de Hervorming.
II.
b. De Nadere Reformatie,
De kerkelijke toestand in de 17e eeuw laat zich dus het best weergeven door het getuigenis van Van Lodensteyn : „Naar de leer in onze Kerk de beste, die men zich wenschen kan, maar aan het leven ontbreekt alles". Maar er waren ook tal van getrouwe herders, die met kracht hun gemeente en de gansche Kerk opriepen tot bekeering, tot reformatie van het leven, de Kerk moest nog nader gereformeerd worden, daarom sprak men van een Nadere Reformatie. De Nadere Reformatie is dus „de reactie tegen de leerheiligheid en slordigheid in den wandel, die zich reeds spoedig na het ophouden der 16e eeuwsche geloofsvervolging begon te vertoonen." ''). Tot deze Nadere Reformatie worden gerekend de gebr. Tullinck (Willem en Ewout), Voetius, Essenius, Hoornbeek, Van Lodensteyn, Amesius, Theod. a Brakel, Wittevwrongel, Koelman en anderen. (Aanvankelijk ook De Labadie, die later (1669) een eigen afgescheiden gemeente stichtte, die tenslotte weer teniet gegaan is).
„Hun geest werd in hen ontstoken toen zij zagen, dat het Gereformeerde Christendom grootendeels een naam was, die niet beantwoordde aan de werkelijkheid^ een lijk zonder leven, zonder zon, zonder licht en warmte. Dat deed hunne ziel pijn en daarom hielden zij aan tijdig en ontijdig, met bestraffing, vermaning en leering en niet zonder gevolg". Niet alleen waren zij voor-beelden voor hun eigen gemeenten met woord en daad, maar ook hebben zij door tal van geschriften de gansche Vaderlandsche Kerk opgeroepen tot bekeering. Een der werkjes van W. Tullinck (hij schreef er niet minder dan 127) draagt den sprekenden titel van „Gesonde bitterheyt for den weelderigen Christen die geerne kermisse houdt" (1624). Hij wist dus van te voren dat het een bitterheyt zou zijn voor den weelderigen Christen, maar het zou een gesonde bitterheyt zijn.
Deze Nadere Reformatie heeft een grooten invloed uitgeoefend op onze Kerk, zoodat men wel eens gezegd heeft dat zij het stempel op ons volksleven gezet heeft. Dat het niet een streven tot Nadere Reformatie was, dat uitging van een kleine groep, blijkt ons wanneer we weten, dat Voetius als hoogleeraar (Ie hoogleeraar te Utrecht, wel eens genoemd „de Hollandsche Paus) grooten aanhang verworven heeft onder predikanten en in de gemeenten. Reeds in de dagen voor de Dordtsche Synode, traden Tullinck e.a. op, niet alleen tegen de slordigheid van levenswandel, maar ook tegen de leerheiligheid. Men ijverde voor de zuivere leer, maar de belijdenis der zuivere leer moest gepaard gaan met en blijken uit een godzaligen wandel. Omdat zij in dagen van strijd om de zuivere leer zulk een waarschuwing lieten hooren, hebben sommige Contra-Remonstrantsche ijveraars hen wel eens verdacht van Remonstrantsche gevoelens, maar dat is geheel onjuist.
Omdat in dien tijd in Engeland de z.g.n. Puriteinen ijverden voor hetzelfde, n.l. nauwgezetheid, zuiverheid (= puritas) van levenswandel, en het niet te ontkennen is, dat er wisselwerking geweest is tusschen de Engelsche Puriteinen en de mannen der Nadere Reformatie, heeft men wel eens gemeend (o.a. prof. Heppe), dat de Nadere Reformatie haar oorsprong zou hebben in het Engelsche Puritanisme. Omdat het was in den tijd van haringvisscherij, en geschriften van de Engelschen wel per visschersschepen in ons land kwamen, heeft men het wel zoo uitgedrukt, dat de geest van Nadere Reformatie en Piëtisme in haringtonnen binnengesmokkeld is ! De Engelsche Puriteinen legden, evenals de man nen der Nadere Reformatie, sterk den nadruk op de practyk der godzaligheid, maar al is 't waar, dat er groote overeenkomst is, al is het waar dat b.v. W. Tullinck geruimen tijd in Engeland studeerde en onder de Piiriteinen verkeerde, al is het waar dat de geschriften der Puriteinen hier vele lezers vonden, het schijnt toch juister om den oorsprong van de Nadere-Reformatie in Nederland zelf, ja eigenlijk in Geneve te zoeken *) Hoezeer Calvijn ijverde voor de heiligheid des levens, is genoegzaam bekend en van den beginne afaan vond de preciesheid van levensbeschouwing van sommige leerlingen van Calvijn, als Dathenus en Gasper van der Heijden, hier instemming bij vele Calvinisten. De geschriften van Jean Taffin, een leerling van Calvijn, en de practische werkjes van Godefridus Udema ns (die men wel eens voorloopers van het Piëtisme genoemd heeft ? !) werden door velen gretig gelezen. Dit alles zijn toch aanwijzingen, dat de „Nadere Reformatie" niet vanuit Engeland verklaard moet worden.
De naam Puriteinen, een naam, die allermeest aan de Engelschen gegeven wordt, heeft men ook wel overgedragen op de Hollanders. Een andere naam voor de mannen der Nadere Reformatie is „de Preciesen", omdat zij ijverden voor nauwgezetheid, preciesheid van levenswandel. Hun tegenstanders noemt men dan „de Rekkelijken". Weer een andere naam is Practici of practizijns, omdat hun streven was naar practijk der godzaligheid (praxis pietatis). Practijk der godzaligheid, d.w.z. beoefening der godzaligheid met de bijgedachte van stelselmatige beoefening, i")
Omdat de Dordtsche Leerregels, de belijdenis der Dordtsche Synode, sterk spreken in den geest der Nadere Reformatie, heeft men dus, evengoed als in de „theologie van Dordt", in de Nadere Reformatie een afwijking gezien van de Reformatie (Calvijn), een afwijking dus van het sola fide, de rechtvaardiging van den zondaar alleen door het geloof, met name omdat „de Nadere Reformatie almeer de wedergeboorte en daarmee den wedergeboren Christen voorop stelt", ii) Het geloof zou dan worden „niet een geloof in den Christus, maar in eigen wedergeboorte" ^^) Dat men daartoe helaas menigmaal vervallen is in het 18e eeuwsche Piëtisme en nog wel vervalt, is niet te ontkennen, maar het lijkt mij de vraag of we dit reeds aan de Nadere Reformatie moger verwijten.
Ook heeft men tegen de Nadere Reformatie wel eens dit bezwaar gehad, dat zij door het ijveren voor preciesheid, al te zeer verwaarloosd had „de rechtvaardige zal uit het geloof leven", Rom. 1 vers 17. Inderdaad doet kennismaking met de werken b.v. van W. Tullinck, die gedachte wel eens even in ons opkomen, maar we hebben te bedenken, dat de mannen der Nadere Reformatie niet streden, gelijk Calvijn, tegen de Roomsche werkheiligheid, maar tegen de lichtzinnigheid en slordigheid van zoovelen in de Gereformeerde Kerk. En wanneer men andere vijanden heeft, gebruikt men andere wapens. Paulus kampt tegen de Farizeeuwsche, wettische invloeden in de Christelijke gemeenten en predikt met alle kracht: „Wy worden gerechtvaardigd uit het geloof zonder de werken der wet". Jacobus leert niet anders, maar in zijne dagen, of althans voor zijne lezers, was het noodig, dat hij vermaande : „Wat nuttigheid is het, mijne broeders, indien iemand zegt dat hij het geloof heeft en heeft de werken niet. Kan dat geloof hem zalig maken ? " Zijn antwoord moet lulden : „(Neen), het geloof, indien het de werken niet heeft, is bij zichzelf dood" (Jac. 2 vers 14, 17). We mogen m.i. in de verhouding van Reformatie en Nadere Reformatie hetzelfde zien als bij Paulus naast Jacobus. De Nadere Reformatie maakte ernst (en 't was in hunne dagen noodig) met vraag en antwoord 64 van den Heid. Catechismus. Vraag : Maakt deze leer (n.l. van de rechtvaardiging uit enkel genade) geen zorgelooze en goddelooze menschen ? Antw.: Neen zij, want het is onmogelijk dat zoo wie Christus met een waar geloof ingeplant is, niet zoude voortbrengen vruchten der dankbaarheid. Ds. Woelderink zegt dan ook in zijn lezing „De practijk der godzaligheid", dat we in de practijk der godzaligheid te doen hebben met de nadere ontwikkeling van een kern die tot het wezensbestand van het Gereformeerd Protestantisme behoort. Hij zegt: „Het is niet mogelijk in de practijk der godzaligheid, tot hoeveel afdwalingen zij leiden kan en zal, wijl zij, die de godzaligheid beoefenen, zondige menschen zijn, een afdwaling te zien. Zij is veeleer (aldus ds. W.) gehoorzaamheid aan het woord van den apostel: „—werkt uws zelfs zaligheid met vreeze en beven, want het is God, Die in u werkt, beide het willen en het werken, naar Zijn welbehagen, (Filipp. 2 vers 12, 13)" Toch. geloof ik dat, ondanks het vele uitnemende van de Nadere Reformatie, toch wel in enkele dingen bedenkingen gemaakt kunnen worden, maar we doen het met de erkenning, dat iedere geestelijke beweging, vooral een beweging die, gelijk de Nadere (Reformatie, uit reactie ontstaat — reactie tegen leerheiligheid en slordigheid van wandel — gemakkelijk zelf ook gevaar loopt, eenzijdig te worden.
Het kan n.l. niet ontkend worden, dat de Nadere Reformatie wettischer geweest is dan de Hervorming (Calvijn), wat met name blijkt uit hun ijveren voor vasten en uit hun veel strengere Zondagsviering, het schibboleth van die dagen. Ook het ijveren voor een stelselmatige beoefening der godzaligheid (bidden, Bijbellezen enz.) kan licht leiden tot wettische vroomheid. De Vaderen der Nadere Reformatie waren te zeer mannen des geloofs, om daartoe te vervallen, maar wanneer het geloof minder krachtig is, moet men wel er toe vervallen.
Hoezeer W. Tullinck, een zeer nauwgezet en voorbeeldig man als mensch en prediker, leefde uit het sola fide, alleen door het geloof, blijkt o.a. uit hetgeen hij nog schreef in het jaar van zijn sterven (1629) : „Als wij zien op ons zelf, op onze menigvuldige zonden en gebreken, dan zouden wij niet alleen moeten vreezen voor den toorn Gods en de verdoemenis, maar door vrees wanhopig worden. Maar als wij zien op den Heere Christus, n.l. dat God de Heere Zelf onze Voorspraak en Verzoener is, dan behoeven wij niet te vreezen". Zijn geloof was dus geen steunen op zijn „ernstig streven naar heiligmaking", ook geen „geloof in eigen wedergeboorte" !
Dat de Nadere Reformatie wel (en begrijpelijk!) tot wettische vroomheid geleid heeft, zagen we reeds. Een treffend getuigenis dienaangaande hebben we in een preek van Joh. Tullinck, de zoon en geestverwant van den reeds meermalen genoemden W. Tullinck, gehouden in 1661 te Vianen. In die preek beschrijft hij den toestand, welke heerschende geworden was onder de aanhangers der Nadere Reformatie. Hij zegt dat men verloren had, de onbezorgdheid, de vrijheid, het ongekunstelde, spontane, naïeve. Als oorzaak hiervan noemt hij het wettische karakter van de vroomheid der Nadere Reformatie. Men had zoó de nadruk op de werken gelegd, dat hierbij het geloof bijna vergeten werd.Een meer betrouwbaar getuige kunnen wij in dezen wel niet begeeren !
Maar niet alleen oefende Joh. Tullinck kritiek, hij wees ook het geneesmiddel aan. Inplaats van zoo eenzijdig de nadruk te leggen op het voort brengen van de vruchten des geloofs, moet men veel meer den nadruk leggen op het Christus door een waarachtig geloof ingeplant zijn. Door hierop den nadruk te leggen, moest volgens hem het wettische werken wel ophouden en het evangelische er voor in de plaats komen.
Aanvankelijk vond Joh. Tullinck nogal tegenstand, maar het duurde niet lang of de z..g.n. evangelische richting kreeg de overhand over de wettische.
In deze preek zien we duidelijk weerspiegelen, de kentering die er was in de laatste tientallen jaren der 17e eeuw, in de kringen der Gereformeerden. Het is de overgang van de Nadere Reformatie tot het z.g.n. Piëtisme der 18e eeuw. Het Piëtisme, dat niet den nadruk legde op de vruchten des geloofs, maar meer op de werkzaamheden des geloofs, de innerlijke werkzaamheden des Geestes.
Brandwijk.
L. BLOK.
7) Definitie van dr. A. A. van Schelven. De bewerking van eene Piëtistisch-getinte gemeente, bladz. 7.
8) Prof. dr. H. Bouwman in „W. Tullinck en de practijk der Godzaligheid", bladz. 13, in navolging van prof. Goeters „Die Vorbereitung des Piëtismus", 1911.
8) Dr. A. A. van Schelven, bladz. 9, „ die we van dat Piëtisme de voorloopers zouden kunnen noemen".
10) vgl. ds. Woelderink, „De practijk der Godzaligheid", De Waarheidsvriend, 11 Oct. 1934, v.v.
11) Dr. J. Chr. ICromsigt in „De Geref. Kerk" van 5 December 1935.
12) Zie hiervoor dr. J. C. Kromsigt, diss. W. Schortinghuis, bladz. 5—6.
12) Op welke wijze de meer „rekkelijken" reageerden op de „preciese" prediking der Nadere Reformatie, merken we uit preeken van Van Lodensteyn, die hen menigmaal sprekend invoert. Als hij de nadruk legt op de Zondagsviering, dan antwoorden zij : „Men zou Joodsch worden". Wanneer hij vermaant tot dagelijksche schuldbelijdenis, denkt men aan de biecht en werpt tegen „ dat is paapsch (Roomsch)". Legt hij den nadruk op de heiligmaking, dan moet hij hooren „wat meenen de predikanten, zullen wij weder uit de werken gerechtvaardigd worden", „zou men werkheiligen zijn" en „men kan zoo nauw niet letten". Ook klaagt hij er over, dat men het laat aankomen op de voorbeschikking, dat men misbruik maakt van de leer van de onvolmaaktbaarheid en over slapen in de kerk !
Nog één citaat: „Gij vermaant iemand, opdat hij uit de zonde zou kunnen opstaan, maar dan wordt men weer Remonstrantsch; ik kan toch niet, de Geest moet komen, en dan zal ik uit de zonde opstaan". Dus Van Lodensteyn had al te vechten tegen valsche lijdelijkheid !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juni 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juni 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's