MANKE MURK
EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming uitgever J. H. Kok te Kampen
Op zekeren morgen was hij niet in orde. Het hoofd was hem zoo zwaar en de beenen schenen wel van lood en de boterham smaakte niet. Toch ging hij op het gewone uur naar het werk, de arbeid zou de spieren wel weer lenig maken. Hij was immers nooit ziek geweest. Maar 't wilde dien morgen niet. 't Werk scheen hem vast aan de handen te zitten en daarbij, dat hoofd bonsde zoo. Soms voer een koude rilling door zijn leden en deed dat heele, sterke lichaam beven, zooals een zware eik tot de wortels bewogen wordt, als de storm opsteekt en giert door zijn kruin.
Over het leven van Kalma stak ook zoo'n storm op. 's Middags behoefde hij geen eten, zou alleen maar even gaan rusten, misschien, dat het zóó voorbij ging. Maar 't ging niet voorbij. Tegen den avond moest hij den arbeid opgeven en waggelde als een dronken man naar huis. Hooge koorts greep hem aan en deed hem machteloos neerliggen, of soms ook in woeste kracht opstuiven, zoodat bijna niemand hem kalmeeren kon. En al wilder werd het oog en al sneller hijgde de borst en al benevelder werd het brein. Hij moest weg, want de heele fabriek stond stil, meende hij, nu hij er niet was, en de arbeid liep in 't honderd, en de patroons wachtten op hem, en er kwamen ongelukken als hij niet ging. Heel het ketelhuis zou uiteenspringen als hij de veiligheidsklep niet opende, en de menschen hielden hem in bed vast, om hem te plagen en zijn eigen vrouw deed daaraan mee. 't Waren allen vreemdelingen in zijn woning, die tegen hem samenspanden. Hij wilde hier niet langer blijven. Duidelijk hoorde hij het kraken van de binten en zag hij de lekkende vlammen langs de dakgoot van de fabriek. Hoorden en zagen die menschen dat dan niet, en wilden ze hem hier laten omkomen ? En dan sprong hij woest op en greep aan en scheurde stuk alles, wat hem in den weg lag, en radeloos stonden bloedverwanten en buren rondom de legerstee.
Zoo ging een nacht en een dag voorbij, tot aan den avond van den tweeden dag de rust kwam. 't Werd stil in de kamer. Een verruiming voor de verplegers, een hoopvol teeken bij den patiënt werd gedacht door de oningewijden. Maar de dokter zei niets, toen hij den pols voelde ; alleen keek hij bedenkelijk en trok de schouders op bij de vragen van vrouw Kalma, hoe het er mee stond. Ook de dominé kwam, doch kon niet met den kranke spreken, alleen maar voor hem bidden en de zijnen wenschte hij de kracht van Boven toe. Wat wilde de dominé daarmede zeggen ? 't Werd immers al weer beter en de zieke lag nu zoo stil in de beddesteê.
Doch toen de nieuwe morgen kwam, was Kalma dood. De storm had den reus geveld. Dat gaf een ontsteltenis in de buurt. Die groote, sterke Kalma, zoo maar dood ! Eigenlijk binnen tweemaal 24 uren. Vrouw Kalma wilde het eerst niet gelooven. Zij kón 't niet gelooven. Zóó spoedig en onverwacht, zonder dat zij gelegenheid had gehad om afscheid van hem te nemen en hij haar zeggen kon, dat hij voor, goed weg ging. Toen is zij bijna waanzinnig van droefheid geworden en bleek het, dat de kracht van Boven, waarvan de dominé gesproken had, wel noodig was. Wat moest zij met haar nog jonge kindertjes beginnen zonder hèm ! Ach, de menschen beklaagden haar wel en hadden medelijden met haar, en toonden dit ook zooveel zij konden, doch niet één vermocht af te dalen tot de diepte van haar leed, en niet één, die het gemis vergoeden kon.
Vier dagen later werd de doode begraven, en daarmede scheen voor vrouw Kalma heel haar huls uitgestorven. De familie trok weer af, de bezoeken van de vrienden en kameraden verminderden, de buren hadden allen hun eigen werk en het leven rondom haar ging weer als gewoon voort. Hém echter miste zij, die nooit wederkwam en waardoor haar leven gebroken werd.
En al maar moest zij er aan denken en tot elk wie het hooren wilde, er van spreken. — Maar dit verveelde de menschen spoedig, want ieder had genoeg aan zijn eigen leed en vond dat ver haal op den duur eentonig, omdat men het al zoo vaak had gehoord. — Hoe zij nooit gedacht had, dat dit het einde zou worden, en de dood zoo plotseling bij iemand binnen kwam. Haar man was zoo gezond en zoo sterk, en hij zelf had geen oogenblik er aan gedacht, dat het einde zoo nabij was. Tenslotte vond zij nog alleen gehoor bij degenen, die, evenals zij, een doode hadden te beweenen. Waren ze niet men den vinger aan te wijzen, de huisgezinnen, waar die vreemde, geheimzinnige ziekte de jonge levens ging wegmaaien, gelijk de zeis van den maaier in 't voorjaar de grasbloemen afsnijdt, die nauw ontloken zijn ?
Evenwel, het leven had zijn eischen. Zij moest voort op den weg, was het niet om haar zélf, dan om haar kinderen, die als altijd even vroolijk en onbezorgd in de straat speelden of dwongen weer naar de „gym" te mogen gaan, omdat zij anders binnenkort aan de uitvoering ook niet mee konden doen. Moeder moest niet altijd even benauwd kijken ; dat gaf immers toch niets, en vader kwam daar niet mee terug. Vrouw Kalma heeft toen gezucht en — gezwegen. Neen, hij kwam niet terug ; de kinderen hadden gelijk, en daarom zou zij trachten den levensstrijd alléén, zonder haar man, voort te zetten, al was hij haar nimmer uit de gedachten en raakte zij nooit over hem uitgepraat. Gelukkig, dat zij van de fabriek een kleinen toeslag kreeg bij wijze van pensioen, en dat de zuinigheid altijd was betracht. Zoodoende had men een eigen huisje overgespaard en was er óók nog een spaarbankboekje. De begrafeniskosten waren uit een verzekering bestreden. Door voorspraak van den directeur van de fabriek en nog een paar notabele ingezetenen gaf een plaatselijke instelling een toelage uit een z.g. „Half-weezen-fonds". Daarbij kreeg zij van eenige burgermenschen de wasch in huis, en toen zij daarop in een plaatselijk blad haar kamertje aanbood voor een commensaal, ontbrak het niet aan liefhebbers.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juni 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juni 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's