MEDITATIE
DE KNECHT, DIE AAN TAFEL WILDE GAAN ZITTEN.
Maar zal hij niet tot hem zeggen : Bereid, wat ik te avond zal eten, en omgord u en dien Mij, en eet en drink gij daarna ? Lukas 17 vers 8.
In Lukas 17 laat de Heere Jezus aan zijn discipelen zien, welke roeping zij in deze wereld moeten vervullen.
Ze mogen de kleinen niet ergeren en zij moeten zevenmaal hun broeder vergeven, wanneer hij stamelt: „het is mij leed", opdat zij alzoo in de duistere woestenij van lage zonden en harde harten zouden getuigen van Gods genade in Christus.
Het is geen wonder, dat de discipelen zich met angst in het hart afvragen : „Hebben wij voor die geweldige taak wel geloof genoeg? "
„Kunnen wij, met onze dwaalzleke harten, die opdracht wel aan ? "
Daarom fluisteren ze als één man de bede : Heere, vermeerder ons geloof!
Dat is eigenlijk een dwaze vraag.
De discipelen doen alsof het geloof iets is dat bij het pond gewogen wordt. Ze denken : „Wij hebben al een klein beetje geloof, en als de Heere er nu nog wat bij doet, dan zijn we er". Om hen nu van deze gedachten af te brengen, zegt de Heere Jezus: „Dacht gij, dat uw geloof „te klein" is? "
Neen ! het geloof Is niet „klein" en het is ook niet „groot", het geloof is in zichzelf niets. Het geloof verlaat zich op den Héére, en omdat de Héére Almachtig is, vermogen wij in Hem alle dingen. Vandaar dat we in vers 6 lezen : „Indien gij een geloof hadt zoo klein als het kleinste mosterdzaad, gij zoudt tot dezen moerbeziënboom zeggen: wordt ontworteld en in de zee geplant".
Inderdaad ! wie uit het geloof leeft, is tegen wereld en duivel opgewassen. Niet, omdat zijn gelóóf zoo groot is, maar omdat de Héére zoo groot is, waaraan het echte geloof zich vastklemt op hoop tegen hope.
Om nu de practijk van het geloofsleven duidelijk voor oogen te stellen, spreekt Christus de gelijkenis uit van den knecht, die aan tafel wilde gaan zitten.
Er was eens een arme boer, die maar één knecht had. Die knecht moest al het werk doen, akkers ploegen, schapen hoeden, varkens voederen. Deze knecht komt 's avonds van 't veld; hij is moe en heeft honger. Zoo'n knecht zou het liefste zijn voeten onder de tafel steken en met smaak gaan eten.
Maar dat valt tegen ! Zijn meester zegt niet terstond: „Kom bij en zit aan", neen, die hongerige, vermoeide knecht, moet eerst nog al het binnen-werk doen : de maaltijd bereiden en de tafel aanrichten.
En dan zegt zijn meester : „Bedien mij, totdat ik zal gegeten en gedronken hebben, en eet en drink gij daarna".
En nu moet ge niet denken, dat deze knecht een „dankje" krijgt voor al zijn arbeid. Lees VS. 9 maar : „Dankt die heer zijn knecht ? omdat hij alles gedaan heeft ? Ik meen, neen".
Het leven des geloofs is een leven van strijd. Daarom ontvangen de echte geloovigen een dagelijksche bekeering. Zij hebben aan één bekeering niet genoeg, ze moeten zevevmaal in de week bekeerd worden. Elke dag moet de ploeg gezet in ons zelfzuchtig en eigenwillig hart, en niet eenmaal, maar evenals de landbouwer honderdmaal over hetzelfde veld heen en weer gaat, zóó zijn zij in een dagelijksche strijd tegen hun geliefkoosde zonden.
Wie dat leven des geloofs kent en door Gods genade weet hoe vermoeiend dat leven is, — dan worden wij moede van 't strijden, moede van het bidden, moede van het worstelen, en dan zouden wij zoo gaarne eens even willen uitrusten.
Dan bidden wij : , Heere, vermeerder mijn geloof ! Geef mij een, „groot geloof", dan had ik geen onvrede meer, dan had ik geen angst meer, dan had ik rust in U"
Ja ! dan zouden we zoo graag hebben, dat de Heere zeide: Kom bij en zit aan!
Maar wij mogen niet uitrusten, wij moeten ons steeds weer aangorden, we moeten steeds weer vóórt.
Want ieder die de hand aan den ploeg zet, en uitrust om achterom te kijken, is onbekwaam tot het Koninkrijk Gods !
Laten wij maar eerlijk zijn; we zouden in dien dagelijkschen strijd weleens een dankje van den Heere willen hebben. Maar zie, dat is de moeilijkste levensles : de Heere dankt ons niet. Denk aan Elia! Wat had hij voor den Heere geijverd op den berg Karmel! En toch ? deze Elia wordt de woestijn ingedreven. Hij kreeg geen dankje.
Denk aan Mozes ! veertig jaar heeft hij een hardnekkig volk door de woestijn geleid, en toch, Mozes mag straks het beloofde land niet binnengaan, hoewel hij den Heere er om gesmeekt had met een ootmoedig hart.
Mozes kreeg geen dank. Denk aan Paulus! een scherpe doorn ! Stephanus, een stééniging !
Dat is het geweldige van onze gelijkenis. Wij zouden het hier op aarde zoo graag goed willen hebben, uitrusten aan de tafel en een vette maaltijd voor onze ziel, die afgetobd is in den dagelijkschen strijd, en nu zegt Christus ook tot den geloovige van dezen tijd :
„Hier op aarde is de rust niet! Omgordt u en dien Mij !
Wat is dat een troost voor menschen, die nooit tevreden over zichzelf kunnen zijn, die met de discipelen moeten fluisteren :
„Heere, ik schiet te kort in mijn roeping. In den dag worstel ik in Uw kracht tégen die gemeene zonde die mijn hart meesleept, mijn krachten sloopt en elk uur om mij heen sluipt, maar aan den avond moet ik belijden : ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods ? ”
Zie, tot zulke menschen zegt Christus :
De waarachtig geloovige is altijd ontevreden over zichzelf! Van binnen vrees, van buiten strijd. Nooit klaar ! Nooit rust!
En tevens is het een waarschuwing voor menschen die meenen „dat ze er zijn" — die in een valsche gerustheid aan de tafel zijn gaan zitten.
De stoel-christenen die hard oordeelen over de tobbers en zwoegers : die met een geprangde ziel worstelen in de binnenkamer, waar ze alleen zijn met hun God.
Er is maar één weg om in dezen strijd des geloofs staande te blijven.
Als de Heere door Zijn Geest onze oogen richt naar het kruis van Golgotha, dan kunnen wij in Hem tegen alle zorgen en zonden op, we zijn er zelfs vrij van ! Want aan dat kruis liggen vastgenageld de vloek der wet, de toorn Gods en de smarten der hel en de overtredingen van het volk.
Ja ! in Hem zijn we meer dan overwinnaars !.. Het komt er op aan, dat wij allen dat persoonlijk leeren zien.
En nu gaan we niet een weegschaal nemen om te zeggen : dat geloof is „klein" en dat geloof is „groot". Iemand heeft eens juist gezegd : één droppel water is even goed water als de heele oceaan ; één korrel zand is evengoed zand als de heele Sahara.
De vraag is alleen :
Gaat ons zielsverlangen naar Christus uit ?
Welnu !, dan kermen wij de strijd, dan kennen wij ook de vermoeidheid waardoor de vleugels van het geloof, de vleugels van 't gebed slap hangen!
Maar geen nood !
Er zijn onbreekbare vleugels ! de vleugels van Gods eeuwige ontferming in Christus !
Straks bij het sterven is al het oude voor goed voorbij, en het zal alles nieuw zijn, en tot de zwoegers en de tobbers, tot de worstelaars en de smeekers zal dan gezegd worden : Kom bij en zit aan ! O zaligheid niet af te meten ! O vreugd die alle smart verbant!
Rw.
B. N. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juni 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juni 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's