KERKELIJKE RONDSCHOUW
PROF. Dr. A NOORDTZIJ
Wat ligt het nog versch in ons geheugen, het belangrijke, veel rumoer verwekkende feit, dat op voordracht van Minister Heemskerk door H.M. de Koningin dr. A. Noordtzij, leeraar aan het Gereform. Gymnasium te Kampen en lidmaat der Gereform. Kerk te Kampen, benoemd werd tot hoogleeraar in de theologie aan de Rijks-Universiteit te Utrecht. „Nog nooit gebeurd" — zeiden velen — „dat iemand van de Gereformeerde Kerken tot theologisch hoogleeraar aan een van onze Rijks-Universiteiten benoemd werd".
Intusschen heeft prof. dr. A. Noordtzij zich geheel gegeven aan zijn werk en het was hem een vreugd om te mogen medearbeiden aan de opleiding en vorming van jonge mannen, die als Dienaren des Goddelijken Woords straks de Hervormde Kerk zouden dienen.
Dat was hem een vreugd. En hij is velen tot een zegen geweest, door zijn manier van onderwijs geven en vooral door den inhoud van zijn onderwijs, dat steeds op hoog peil stond.
De gezondheidstoestand liet hem niet toe — neen, de Heere liet het niet toe — professor te blijven tot het 70ste jaar, het jaar, door de Wet als grens voor dit werk vastgesteld. En hij heeft nu afscheid genomen van zijn werk, van zijn colleges ; niet het minst zwaar viel het hem, om van zijn studenten, zijn discipelen, afscheid te nemen.
En uit den kring van het Curatorium, èn uit den kring van de professoren collega's, maar niet het minst uit den kring der studenten, is bet uitgesproken, dat men prof. Noordtzij met groote waardeering en in aangename herinnering zou blijven gedenken. En heeft men zich allen vereenigd in den wensch, dat God hem, in Zwitserland, waar hij zich met der woon gaat vestigen, naar lichaam en ziel ten goede nabij mag zijn, zoo zij ook ons woord een woord van dank en hooge waardeering, voor alles wat hij, ook voor onze studenten gedaan heeft — en het is veel — en ook onze wensch en bede is, dat de Heere het prof. Noordtzij in het land der bergen, der vlakke velden en der meren, het aan Zijn gunst niet zal doen ontbreken, maar hem zal zegenen met de keur Zijner zegeningen in Christus.
Het lijvige boek: „Gods Woord en der eeuwen getuigenis", blijft, in 2de druk, ons ter herinnering aan den professor.
„Het probleem van het Oude Testament" heeft hij ons als een welkom geschenk gegeven. „De verklaring van de Psalmen" is een bewijs van zijn Schriftkennis, met de beleving van de klacht en van den jubel van Sion. Het dikke boek over „Ezechiël" staat als een meesterwerk van tekstverklaring en uitlegkunde.
In prof. Noordtzij is een harde, stoere werker heengegaan.
De Heere geve straks een waardig opvolger, om de ledige plaats in te nemen, vooral voor onze studenten ten zegen !
DE CLASSICALE VERGADERING
De laatste Woensdag van Juni — dit jaar dus Woensdag 24 Juni, gaan alle predikanten vergezeld van hun ouderling, ter Classicale Vergadering, zoo de Heere ons bij het leven spaart en de gezondheid geeft. De ouderlingen hebben hun brief van afvaardiging — geteekend door twee leden van den Kerkeraad (voorzitter en scriba, of predikant en ouderling) — bij zich, om dit stuk ter vergadering te toonen.
Vroeger was de Classicale maaltijd het hoogtepunt. Nu zal die overal wel afgeschaft zijn. Dr. Locher herinnert in „Kerkblaadje" aan dien maaltijd als volgt:
»Vroeger werd er gewoonlijk een Classicale maaltijd gehouden. Koning Willem I bepaalde dat daarvoor een zekere som aan de verschillende Classes moest uitgekeerd worden. Men zeide, dat het was om de predikanten ééns per jaar goed te tracteeren na den honger, dien ze in den tijd van Napoleon hadden geleden. Doch het kon óok aangeduid worden als een kleine vergoeding voor het ontnemen van de regeermacht aan de Classis. Men had weinig te doen. Het adviseeren op de Synodale wetsvoorstellen is eerst later gekomen, toen de regeering niet meer alles van 't bureau uit bepaalde, 't Was toentertijd enkel maar het verkiezen van drietallen voor de vacant wordende plaatsen in de besturen, uit welke drietallen dan de regeering een keuze deed !
De tijden zijn wel eenigszins veranderd. Of de beroemde Classicale maaltijd ergens nog in volle eer is, weet ik niet. We mogen nu onze bestuursleden zelf geheel naar eigen welgevallen kiezen, zonder dat de regeering er iets over te zeggen heeft. We mogen ook advies uitbrengen over de wetsvoorstellen, die de Synode aan de orde stelt, en met dat advies gaat de Synode dan naar eigen oordeel te rade. Tot hare eer zij het gezegd, dat zij in de meeste gevallen wel terdege rekening houdt met hetgeen de Kerk heeft gesproken in hare kerkelijke vergaderingen, 't Is niet meer het hooge autocratische lichaam, dat eenvoudig terzijde legt wat haar niet welgevallig is.
Men heeft de wetsvoorstellen ook wel vergeleken met een maaltijd. Men moet er zich doorheen werken. Of men er ook van geniet, is de vraag. Het raakt meestal de buitenkant van de dingen. En men gaat onbevredigd huiswaarts.
Tot zoover dr. Locher, van Leiden. Als wij dus D.V. Woensdag 24 Juni .ter Classicale Vergadering gaan, wacht ons eerst de verkiezing van leden van het Provinciaal Kerkbestuur en dan van het Classicaal Bestuur.
Het is noodig, dat men aan die verkiezing de volle aandacht geeft. Dikwijls zal men wel kunnen laten „zitten wat zit" (hoewel afwisseling o! zoo gewenscht kan zijn), maar ook zijn er telkens vacatures, en dan is overleg plegen met elkaar (ook wat de verschillende „Ringen" betreft) noodig. En in de derde plaats kan het eisch zijn, dat er iemand „gewipt" wordt; als het voor den gang der dingen nuttig en noodig is; ook soms wat „de richting" aangaat. Laat men vooral overleg plegen met elkaar, waar dit noodig is. En dan strijden (zoo noodig) met open vizier en met eerlijke wapenen !
Wat de bestuursverkiezingen in sommige Classes van Friesland betreft, zijn we weer benieuwd hoe 't verloop zal zijn en wat de uitslag zal zijn straks. Modern en orthodox zitten elkaar daar vlak op de hielen ! 'Er behoeft maar iets te gebeuren of de een wint het van den ander, en dan is dat, zelfs voor de samenstelling van de Synode, van het grootste belang.
Helaas ! kunnen we niet zeggen, dat de Synodale voorstellen, waarop advies gevraagd wordt van de Classicale Vergaderingen, heel gewichtig en veel bijzonders zijn. [Men houde in het oog, dat de Classicale Vergaderingen de Synodale voorstellen niet hebben „aan te nemen" of te „verwerpen" — dat wordt niet gevraagd en dat is ook de bevoegdheid niet van de Classicale Vergaderingen. Wat gevraagd wordt is : advies te geven met vóór of tegen. En die adviezen (inzake de Synodale voorstellen n.l.) worden dan doorgezonden naar de Synode, die „naar eigen oordeel" te rade gaat met die adviezen].
Het 1ste Synodale voorstel, waarop advies gevraagd wordt is Artikel 57* van het Reglement op de Vacaturen te doen wegvallen. Volgens dat artikel moet een Kerkeraad, alvorens een beroep uit te brengen op een eervol ontslagen of met verlof hier te lande vertoevend Oost-Indisch predikant, van het Provinciaal Kerkbestuur een schriftelijke verklaring vragen, dat een beroep op zoo'n predikant kan worden uitgebracht. Zoo'n bepaling doet vermoeden, dat er vroeger aan zulke „Indische predikanten" wel eens een steekje los was. Nu de toestanden zoo heelemaal veranderd zijn en ook de Indische Kerk een zelfstandige positie heeft verkregen, wil men de bepaling van Artikel 57 schrappen, waar ieder wel vóór zal zijn. Het advies kan dus gunstig wezen.
Als men dan verder ook nog een paar oneffenheden glad strijken wil, daar zal wel niemand tegen zijn.
Het 2de Synodale voorstel raakt het Reglement op de Kerkvisitatie. Men wil verschillende vragen bij de schriftelijke Kerkvisitatie wijzigen ; ook in verband met het kerkelijk kaartsreglster, dat nu overal aanwezig moet zijn als kerkelijk bevolkingsregister. Wat óns betreft, kan men gunstig adviseeren en vóór stemmen.
Het 3de voorstel raakt het nieuwe Reglement op de Kas tot aanvulling van het Rijksemeritaatspensioen, en wel zoodanig, dat de afrekening over het kwartaal waarin de vacature intreedt, vereenvoudigd wordt. Vóór.
Het optreden van Communistische predikanten. (2)
Zij noemen zich de mannen van „het Evangelie van de Bergrede" — alsof dat een afzonderlijk Evangelie is, los van het Evangelie der verzoening in des Middelaars bloed. En zij zeggen dan, dat „het Evangelie van de Bergrede" gelijk is aan „het Russisch Evangelie van de daad" — alsof dat de boodschap is, die de Heiland ons heeft gebracht en alsof dat een voortbouwen is op het fundament der Apostelen en Profeten !
Men zegt dan vooral: „de Christelijke Kerk is tekort geschoten in haar daden". En nu doet men in Rusland, wat de Kerk al lang had moeten gedaan hebben. En daarom is men als Hervormd predikant in Nederland maar lid geworden van de Sovjet-beweging, met de godloozenactie inbegrepen.
Vooral als men spreekt over 't geen waarin de Kerk tekort geschoten is — wordt er vreeselijk geapplaudiseerd door anarchisten en communisten, die de vergaderzaal, waar dr. Snethlage en ds. Boers als sprekers optreden, vullen. En als er dan gezegd wordt, dat de Sovjet in Rusland nu doet, wat de Kerk al lang had moeten gedaan hebben — verdubbelt het applaus. Weg met de Kerk — leve Rusland !
En dan staan dr. Snethlage en ds. Boers op 't podium, om, met gebogen hoofd, dat applaus in ontvangst te nemen.
Een aureool siert de slapen van hen, die Ned. Hervormd predikant zijn en voor de Sovjetbeweging spreken, hun door anarchisten en bolsjewisten op 't hoofd gezet.
Wij zouden zoo gaarne willen, dat daaraan een einde kwam.
Goed, laat men zeggen, dat de Kerk tekort geschoten is.
Maar laat men het Evangelie van Jezus Christus geen carricatuur geven. En laat men de beweging van Sovjet-Rusland niet verdedigen als Hervormd predikant.
De Hervormde Kerk moet daartegen opkomen. En nu is er, sinds de vorige vergadering van de Synode, een kerkelijke procedure belangende deze Communistische predikanten. Daarom komt het ons voor, dat, zonder lang verhaal van woorden, nog minder als „hetze" of wilde klopjacht, maar op sobere, doch duidelijke wijze in deze door de Kerk gesproken moet worden.
En hoe?
Aan al de Kerkeraden is een circulaire toegezonden met een dubbel verzoek:1". een adres door te zenden aan de Synode : 2". een verzoek te doen aan het Classicaal Bestuur, waaronder men ressorteert, om de zaak van de Communistische predikanten op de a.s. Classicale Vergadering op Woensdag 24 Juni ter sprake te willen brengen.
Willen de Kerkeraden allereerst aan dat 2°. denken ? 't Is kort dag.
Dadelijk doen. En allen.
Dan kunnen de Classicale Vergaderingen spreken. En de Synode, die advies en hulp noodig heeft, kan uit en door de Kerk zelve vernemen wat zij te doen heeft.
Het Hoofdbestuur van den Gereformeerden Bond heeft zelf ook aan de scriba's van de Classicale Besturen geschreven.
Maar nu moeten de Kerkeraden ons helpen.
Dat is dus het eerste, wat er nu te doen is.
(Wordt voortgezet).
LEVENS-ARMOEDE.
De tijd van het humanistisch zelf-voldaan-zijn van den braven mensch — denk aan het modeschoolboekje van dien tijd : „de brave Hendrik" van Anslyn — is voorbij. De ontnuchtering is gekomen. Het wordt bitter pijnlijk gevoeld, dat de evolutionistische ontwikkeling van den mensch langs de lijnen van goed-beter-best niet is gekomen, 't Schijnt veeleer, dat het gegaan is en nog gaat langs de lijnen van : slecht-slechter-allerslechtst. De mensch ontpopte zich als genotzoeker, gouddorstige, machtswellusteling. En het leven is al armer, donkerder en ongelukkiger geworden.
Ook het Vrijzinnig-Protestantisme zit met dat pijnlijk probleem. Men heeft den mensch gevleid in het leven en met het leven. God, deugd en onsterfelijkheid was de moderne trias. En als de mensch deugdzaam en braaf leefde, als hij als een fatsoenlijk mensch wandelde, z'n best deed en ieder 't zijne gaf, dan kon hij straks z'n hoofd gerust neerleggen. God is liefde. En wat mag God ook eigenlijk méér eischen, dan dat de mensch doet wat hij kan ?
Maar men gaat nu begrijpen, dat men den zin van het leven niet begrepen heeft — wat Aristoteles de hoogste wijsheid noemde. 't Leven heeft ons tegenwoordig zoo véél, zoo heel veel te zeggen. En velen bezwijken er onder. De schaduwen zijn zoo donker. De schaduwen van gisteren en de schaduwen van vandaag en de schaduwen van morgen.
„In droomen moog ons hart zich wiegen, geen enkele die niet ras verdween".
Desillusie. Ontgoocheling. Teleurstelling.
Genotzoekers zijn we van nature. Zoekende de dingen, die beneden zijn. We hebben van brood alléén willen leven en we hebben niet gevraagd en niet begeerd het Woord, dat uit Gods mond uitgaat. Zoo makkelijk konden we zonder God. En het leven is zoo arm dan. Levens-armoede!
Wat is nu de genezing ?
Prof. Huizinga zegt in zijn boek: „In de schaduwen van Morgen" dat de menschen het leven te hoog opgeschroefd hebben, dat ze een te sterke levensverheerlijking hebben gehad, een overschatting van macht en genot. Hij acht het noodzakelijk, dat deze gevoelens wat getemperd worden, om te komen tot de rechte levenswaardeering.
De mensch moet niet zijn genotzoeker, maar waarheidzoeker.
Ook herinnert prof. Huizinga aan Plato, die reeds leerde, dat de werkzaamheid van den wijzen mensch een voorbereiding tot den dood moet zijn.
Prof. Huizinga zegt, dat een vaste oriënteering van levensleer en levensgevoel op den dood, het recht gebruik van de levenskrachten verhoogt.
Dan leert de mensch ook verstaan, dat de dood niet het einde van ons bestaan is, doch de bevrijding van den geest uit de banden onzer menschelijke ondeugden, onzer hartstochten en onzer materieele behoeften — en tevens „de overgang van ons diepste zelf uit deze stoffelijke wereld met haar nog slechts vage begrippen omtrent het Hoogere, naar het volle Rijk des Geestes, waar de idee van Waarheid, Goedheid, Schoonheid en Volmaaktheid in de aanschouwing Gods tot volle werkelijkheid wordt, die ons hoogere leven met een ongekenden glans van heerlijkheid zal overstroomen" — zooals de 2de Voorzitter van de Vereeniging van Vrijzinnige Hervormden te Rotterdam, de heer D. E. Bos, er filosofischreligieus deftig aan toevoegt.
Levens-armoede overal. Maar nu moet de religieuze mensch het wat anders gaan aanleggen. „Gedenkt te leven" roept men elkander toe. En dan nu zóó, dat men straks wegglijdt, wegvloeit, en dan vroom en vrij wegvloeit uit het leven met z'n stoffelijke nooden en slechte eigenschappen, in het hiernamaals, „het Rijk des Geestes", waar „de idee van Waarheid, Goedheid, Schoonheid en Volmaaktheid in de aanschouwing Gods tot volle werkelijkheid wordt."
’t Is wel iets anders dan Boeddha geleerd heeft, 't Is wel iets anders dan de Theosophie leert, 't Verschilt wel iets van 't geen Krishnamurti beweert. Maar op de Schriftuurlijke Waarheid, in Jezus Christus, Sions Borg en Middelaar geopenbaard, lijkt het niet veel.
De teleurgestelde mensch moet het iets anders gaan aanleggen, dan de verleden tijd aanschouwd heeft.
Maar de mensch moet het toch doen. En men haalt dan óók aan het woord der Schrift: „Die zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen en die het verliezen wil om mijnentwil (dus uit hoogere overwegingen) die zal het behouden" (historisch ! Zie „Ons Kerkblad'' Juni '36 No. 6). Maar tegelijk als men de Schrift aanhaalt, zegt men er zelf bij, wat dat woord (volgens de Vrijz. Hervormde) beteekent, opdat de religieuze, vrome, vrijzinnig-Hervormde mensch aan 't werk kan, met of zonder Christus als voorbeeld, maar „met de vage begrippen omtrent het Hoogere" voor oogen.
Levens-armoede was het.
Levens-armoede blijft het.
De levenswijsheid, de levenskracht, de levensblijheid, de levenshope, de levenstoekomst — bij al de levensarmoede en ellende — ligt voor den geloovige in Jezus Christus.
Wij denken hier aan Kohlbrugge, die schreef : „Ik leef niet van gestolen goed, maar van hetgeen mij op een eeuwigen rechtsgrond, met eeuwig geldenden rechtstitel is toegekomen. Ik vond een akker met een schat; ik verkocht alles om dien akker, en de Koning gaf mij den schat; die schat is mijne. Ik leef uit het geloof aan hetgeen mijn Koning mij heeft beloofd. Ik leef niet alleen bij brood, maar bij alle woord, dat uit den mond Gods uitgaat. Het heeft den schijn, alsof ik van aalmoezen leef; want ik bedel — maar dat doe ik alleen bij mijn Koning. Ik leef van de renten van een kapitaal, dat in trouwe handen bewaard wordt, en voor alle dieven en alle geweldenarij veilig en zeker is, ja, zeker blijft, al gaat de gansche aarde in vlammen op. Ik leef bij mijn Heiland van ruilhandel: Hij neemt al het mijne, dat volstrekt waardeloos is, en geeft mij al het Zijne, dat van oneindige waardij is; en ik kan het best gebruiken, als ik het eerst met het mijne beproefd heb, en daarmede te schande geworden ben".
Zoo zijn er rijken — die arm zijn en ledig worden heengezonden.
Zoo zijn er armen — die rijk zijn en met goederen worden vervuld. Zoo zijn er wijzen — die dwaas zijn. Zoo zijn er dwazen — die wijs zijn.
Zoo zijn er rechtvaardigen — die alle gerechtigheid missen.
Zoo zijn er zondaren — die rechtvaardig zijn. Wondere levenswijsheid. Wondere levenskansen !
UIT DE OUDE DOOS
Uitwendig en inwendig is er op schoolgebied sinds de Revolutie veel veranderd. Het onderwijs stond in den tijd der Republiek onder toezicht der Staatskerk, dat is der Nederlandsch Hervormde Kerk en werd voornamelijk gegeven door particulieren. De Overheid bemoeide er zich slechts in zooverre mee, als het noodig was om de onvermogenden, die het schoolgeld niet konden betalen, in „armenscholen" onderwijs te doen geven. Uitwendig is dat sinds 1800 geheel gewijzigd en er is een stroom van wetten, verordeningen. Koninklijke besluiten enz. gekomen, om alles van Overheidswege te regelen, ook wat particulieren inzake het onderwijs believen te doen.
inwendig is ook alles veranderd. Vóór 1800 werd op alle scholen onderwijs gegeven in leerstellingen of dogma's der Gereform. Kerk; na 1800 zou dat leerstellige verdwijnen en is het ook verdwenen op de Openbare of neutrale Overheidsschool.
Daarvoor waren verschillende redenen. Een politieke reden was : De Staatskerk had afgedaan ; alle burgers hadden gelijke rechten gekregen, en nu ging het, naar het oordeel der machthebbers, niet aan, het onderwijs in één bepaalde richting te drijven.
Een onderwijskundige reden was : de overtuiging brak zich baan, dat het onderwijs in het leerstellige te moeilijk was voor het bevattingsvermogen der leerlingen. Bovendien meende men, da.t door het vervangen van het dogmatisch onderwijs door Bijbelsch Onderwijs, men meer dan vroeger tegemoet kon komen aan de behoefte van godsdienstig onderwijs.
Met nadruk verboden de wetten van 1801, 1803 en 1806 het onderwijs in het leerstellige — daarentegen eischten die wetten een godsdienstige opvoeding. „In de harten der kinderen moest worden ingeprent de kennis en het gevoel van dat alles, wat zij aan het Opperwezen, aan de maatschappij, hun ouders, aan zichzelven, aan hun medemenschen verschuldigd zijn, zonder dat echter in de gewone schooltijden eenig godsdienstig onderwijs zal mogen gegeven worden in het leerstellige, 't welk door de onderscheidene Kerkgenootschappen verschillend wordt begrepen".
Van veel kritiek op deze verandering lezen we niet — zegt dr. J. C. van der Does in „Het ongeloof en de School" —, maar toch ontbrak die niet geheel. Met name de kerkeraad der Ned. Hervormde Kerk te Utrecht protesteerde ernstig en waardig bij het Provinciaal Bestuur van het gewest tegen den aanslag op het leerstellig onderwijs. Uit hun protest blijkt de vrees, dat hier een eerste poging wordt gedaan om het onderwijs van zijn godsdienstig karakter te berooven.
Dat de Utrechtsche kerkeraad niet verkeerd gezien heeft, is uit het verdere verloop der Schoolgeschiedenis wel duidelijk geworden. Het is uitgeloopen op een neutrale school — zonder Bijbel, zonder gebed, zonder Psalm of geestelijk lied. Vooral de onderwijzers zelf hebben het godsdienstige feiten de school gehouden. Al begint men er nu zelf voor terug te schrikken. Wat nu het „Uit de oude doos" betreft: Als bewijs hoe vroeger de school godsdienstig was, diene wat een boekenrekening van het jaar 1780, voor een bepaalde school aangeschaft, noteert. Er waren gekocht 15 dozijn ABC boeken ; 10 dozijn Catechismussen, 6 dozijn dito met teksten ; 1 dozijn evangeliums.
Om den Catechismus voor kinderen toegankelijk te maken, werden er „Korte uitgaven" van gemaakt. Balthasar Bekker schreef een „gesneeden brood voor de Kristenkinderen, 't welk is de Heidelbergsche Catechismus in meer vragen en kortere antwoorden gekerfd, tot verlichtinge der memorie en opscherpinge van 't oordeel der Kristelijke jeugdt".
Zelfs gaf hij een vragenboek op rijm, onder den titel: „Gerijmde Kinderleere", waarvan we de eerste zinsneden afschrijven :
Wie isset die u troost in 't leven ende sterven ? 't Is Christus, door Wiens dood ik 't leven hoop te erven.
Waarin bestaat de leer, die tot dien troost u leidt?
In drieën: mijn Ellend, verlossing, dankbaarheid.
KOHLBRUGGE, zijn levensgeschiedenis.
De sprake Kanaans. (3)
Vraag : Hoe kleedt gij u?
Antwoord: ik word altijd gekleed. Vroeger kleedde ik mij zelven met schorten van vijgebladeren ; nu word ik echter dagelijks, op het bevel van mijn Vriend, door engelen gekleed. Ik draag een kleed van lamsvellen en een rok, die zonder naad is, uit één stuk geweven; dat is mijn priesterlijk kleed. Ik draag een leeuwenhuid, dat is mijn koninklijk kleed. Ik draag een bruiloftskleed, en zorg, dat ik het op de hooge feestdagen aan heb. Ik draag een gouden kleed, als ik aan Zijne Rechterhand zit; ik draag gestikte kleederen, als ik tot Hem ga; ik draag een koninklijken hoed, aan welks voorzijde een plaat bevestigd is, waarop Zijn Naam staat: de Heiligheid des He e ren. Ik heb allerlei wisselkleederen, die ik alle van mijn Koning ten geschenke gekregen heb, en Hij heeft er nog vele in Zijne kasten. In myn hart draag ik Zijn beeld ; dat maakt al de beelden van de mode der wereld, die uit mijn hart aan mijne oogen worden voorgetooverd, leelijk en afschuwelijk. (Gen. 3 ; Matth. 22 vers 12; Psalm 45 vers 14; Zach. 3 vers 4, 5 ; Exodus 28 vers 36).
Vraag : Maar van al deze kleederen zie ik niets; ik zie alleen dat gij een bestoven rouwkleed aan hebt?
Antwoord : Laat u dat niet hinderen, dat beteekent niets; dat is mijn reiskleed. De andere kleederen zijn voor het oog verborgen. Gij weet immers, dat ik hier als vreemdeling verkeer !
Vraag: Ik zie u wel eens in eene wapenrusting, — beschrijf mij die en uwen strijd!
Antwoord : Welaan, ik draag een harnas. In mijne oogen schijnt dat zelfs tegen den lichtsten stoot of aanval niet bestand te zijn, maar het heeft zich altijd bewezen te zijn een harnas Gods. Ik sta dan, de lendenen omgord hebbende met een gordel, die „waarheid" heet; dikwijls is het mij daarin, alsof de waarheid aan de zijde van den vijand ware, maar deze gordel houdt de slappe lendenen recht, zoodat ik daarin staande blijf. Ik draag een pantser, het borstwapen der gerechtigheid ; ik meen wel dikwijls, dat de gerechtigheid toch niet bij mij is, maar dan ervaar ik het, dat dit borstwapen uit over elkander schuivende platen bestaat, zoodat al de ongerechtigheid van den antichrist er toch niet door heen komt. Mijne voeten zijn geschoeid; maar als ik loopen moet, dan denk ik te zullen vallen; dan word ik evenwel in mijne schoenen overeind gehouden, en loop daarin zonder moede te worden. Ik draag een schild en houd het den vurigen pijlen des vijands voor ; ach, wat is het mij achter dat schild dikwijls bang, hoe vol versaagdheid en twijfelmoedigheid ben ik, vreezende, dat dit schild zal doorboord worden ! Het heeft zich evenwel altijd als ondoordringbaar bewezen. Ik draag ook een helm ; ach, hoe dikwijls meen ik, dat het zwaard des vijands dien helm én tegelijk mijn hoofd zal klieven; maar hoe is die in waarheid een helm der zaligheid ! Elk vijandelijk zwaard is daarop telkens in stukken gesprongen. Ik draag een zwaard en omklem het met de hand; wel meen ik dikwijls, dat het in vergelijking met de lange zwaarden der vijanden te kort is, maar tot hiertoe heb ik van dat zwaard kunnen zingen: Het is in den Naam des He eren, dat ik met u de vijanden verhouwen heb! Niets is bestand tegen dit zwaard.
Hier hebt gij nu een korte beschrijving van mijn wapenrusting. Mijn beste wapen is : „geroep om hulp". En na elke verkregen overwinning denk ik : , Nog één zoodanige slag, en ik toen gevallen in de handen van Saul!" Maar mijn Koning zegt gedurig: „Gij zult stille zijn, want Ik zal voor u strijden" Zóó ging het tot dusverre goed, en er was een stem des gejuichs en des heils, waar ik meende alles verloren te hebben. (Efeze 6).
Vraag: Kunt gij mij iets van uw levensgeschiedenis mededeelen ?
Antwoord: Dat kan ik in weinige woorden doen : ik was dood in zonden, en ik werd levend gemaakt; ik was blind, en werd ziende gemaakt; lam was ik, doof, stom en melaatsch, en ik kreeg voeten, om te springen als een hert; — ooren, om te hooren, wat zij, die om mij heen zaten, niet vernamen. Ik ontving eene tong der geleerden, om het ABC des geloofs te stamelen, het „Onze Vader" uit te spreken, den veelvuldigen lof Gods te verkondigen, om Zijne gerechtigheid te boodschappen in de groote Gemeente. Ik was verloren, en zag mij meermalen volkomen gered; ik verdierf alles, en toch werd mij alles weer igoed gemaakt. Ik verkwistte alles, en kreeg toch alles terug. Mijne levensgeschiedenis is die van den verloren zoon, van David met Bathseba en Uria, van Manasse, van Petrus in de zaal van Kajafas, van Paulus op den weg naar Damascus, van Maria Magdalena. Zij staat beschreven In Psalm 32 en 51, Ezechiël 16 en Hosea 2. Zij is in ééne hoofdsom: „Ik wist, dat gij een overtreder zoudt genoemd worden van den buik af". En : „Dit is Mijn Verbond met u, dat gij vanwege uwe schaamte en schande uwen mond niet zult opendoen, als Ik het u alles zal vergeven hebben". (Jesaja 48 vers 8; Eïsechiël 16 vers 63). Vraag: Waar leeft gij van?
Antwoord : Ik leef niet van gestolen goed, maar van hetgeen mij op een eeuwigen rechtsgrond, met eeuwig geldenden rechtstitel is toegekomen. Ik vond een akker met een schat; ik verkocht alles om dien akker, en de Koning gaf mij den schat; die schat is mijne. Ik leef uit het geloof aan hetgeen mijn Koning mij heeft beloofd. Ik leef niet alleen bij brood, maar bij alle woord, dat uit den mond Gods uitgaat. Het heeft den schijn, alsof ik van aalmoezen leef, want ik bedel — maar dat doe ik alleen bij mijn Koning. Ik leef van de renten van een kapitaal, dat in trouwe handen bewaard wordt, en voor alle dieven en alle geweldenarij veilig en zeker is, ja, zeker blijft, al gaat de gansche aarde in vlammen op. Ik ben ik volle gemeenschap van goederen getrouwd en heb alles bij de hand. Ik kan het reine zilver en goud van alle goede werken uitgeven, als ik maar gedachtig blijf aan mijn Koning en mijne gemeenschap met Hem. Doe ik dat niet, dan heb ik niets, waarvan ik leven kan, en zou van honger en dorst moeten omkomen ; want met hetgeen ik uit mijn huis heb medegebracht, is niets te beginnen. Hij evenwel, Die getrouw is, geeft mij, wat ik behoef, en verwijt mij niets. Ik leef evenwel bij Hem van ruilhandel; Hij neemt al het mijne, dat volstrekt geene waarde heeft, en dat Hij ook niet kan gebruiken, en Hij geeft mij al het Zijne — dat is van oneindige waarde, en ik kan het het best gebruiken, als ik het eerst met het mijne beproefd heb, en daarmede te schande geworden ben.
(Wordt voortgezet).
De geestelijke ontwikkeling van Groen en de ontwikkeling van ons Volksonderwijs. (2)
De eerste bede van Groen in. 1840 was: èn splitsing der Openbare School naar gezindheden èn zonder uitstel, als eisch en recht van het geweten, vrijheid van Bijzonder Onderwijs.
Dit was het proefstuk, de eerste bede van Groen — die afgewezen werd.
Het was de bede om recht in het onderwijs, naar den eisch en het recht der consciëntie. Maar het was kloppen aan eens dooven mans oor. Alleen werd van de weigering der Gemeentebesturen beroep op Gedeputeerde Staten toegekend. Maar die begonnen dezelfde tactiek te volgen als de burgemeesters: zij oordeelden nu eens, dat er scholen in aantal - genoeg waren; dan weer, dat de bestaande scholen Christelijk genoeg waren; dan weer was hun beslissing, zonder commentaar : 't mag niet en 't zal niet gebeuren!
Als men Groen en zijn vrienden dan jarenlang heeft opgehouden om tenslotte nog te weigeren dat zij een Christelijke School in Den Haag zullen oprichten, dan gaat in 1846 een verzoekschrift van zijn hand naar den Koning om de hooge tusschenkomst van Z.M. in te roepen. (Verspr. Geschriften II, 181 enz.). Op deze tweede bede kwam geen antwoord.
Toch was de vrijheidszon aan 't dagen. Onder den indruk der Februari-revolutie was door den Koning in Maart 1848 een Staatscommissie tot Grondwetsherziening ingesteld en deze met Thorbecke aan het hoofd, nam daarin de bepaling op: „Het geven van onderwijs is vrij, behoudens het onderzoek naar de bekwaamheid der onderwijzers en het toezicht der Overheid".
Groen verheugde zich, dat thans wettelijk werd vastgesteld, wat men te voren zoo hardnekkig ontkende. En wanneer N.B. de conservatief Graaf Schimmelpenninck als Minister-president zijn ontslag neemt, omdat die „vrijheid van onderwijs" lijnrecht tegen zijne (conservatief-liberale) beginselen indruischt en in een Rapport aan den Koning ons schoolwezen hoogelijk verheft als „een stelsel, dat sedert eene reeks van jaren de beste vruchten heeft gedragen, dat de bewondering en navolging onzer naburen is waardig gekeurd" — dan geeft Groen aan alle vrienden van het Christelijk Onderwijs een kostbaar kleinood in zijn Open brief aan Graaf Schimmelpenninck. (De volledige titel is : G. Graaf Schimmelpenninck, Minister van Staat, enz.. Over de Vrijheid van Onderwijs. 's-Gravenhage, 1848). In vurige taal toont Groen aan het verderfelijke der revolutionaire theorie, die aan den Staat het recht geeft geheel naar eigen goedvinden en inzicht de Volksopvoeding te regelen. Aan den eisch om vrijheid voor scholen, waar men met de kinderen den naam van Jezus Christus kan aanroepen als Zaligmaker en Heer, zet hij kracht bij door die aandoenlijke bladzijden, waarin hij Graaf Schimmelpenninck vraagt: „is het U bekend dat, er eene landverhuizing is ontstaan, welke Nederland bij voortduring van achtingswaardige ingezetenen berooft; mannen, van wie men geen manifestatiën en demonstratiën zou te duchten gehad hebben; die geen schrijvers noch lezers waren van oproerige geschriften ; waarmee men geene Grondwetsherziening en Staatsomkeering afdwong die niet gewoon waren, ook niet in de binnenkamer, de Overheid te vloeken; maar die gebeden voor haar opzonden, ook wanneer zij 't slachtoffer waren van haar verongelijking, die, nauwgezet in de plichtsbetrachting jegens den Staat, alleen datgene verlangden, met bescheidenheid en ernst, met eenvoudigheid en volharding, wat, ter nauwgezette plichtsbetrachting jegens den hoogsten Wetgever en Weldoener, niet kon worden ontbeerd, en die bij het gemis hiervan ten laatste, sommigen althans met een brekend hart, verre gewesten zijn gaan opzoeken, om te kunnen verrichten wat Christenen betaamt, en om, door hunne tegenwoordigheid, ook zwijgend, te bewijzen dat Schoolonderricht in de leering en vermaning des Heeren in Nederland onder de wanbedrijven geteld wordt", (bladz. 67, enz.).
Groen verheugde zich over „de vrijheid van onderwijs" in het Ontwerp der Staatscommissie, grondwettelijk geconstateerd. Hij hoopte dat hieruit iets goeds zou voortkomen, wat van het grootste belang kon zijn voor de ontwikkeling der schoolkwestie, maar ook voor de ontwikkeling der volkshistorie. Echter stak tegen die „vrijheid van onderwijs" in en buiten de Kamer een heftige storm op. De grootste onheilen zouden er uit voortkomen voor volk en vaderland. En men vreesde de concurrentie van de Bijzondere-met de Openbare School. Twee schoolopzieners, de professoren Hofstede de Groot en Van Swinderen dienden een ernstig protest in. De Maatschappij tot Nut van 't Algemeen ageerde sterk. De Groot-Protestantsche Partij (liberaal) roerde zich duchtig. Tal van lugubere verhalen deden de rondte om afkeer, ja, afgrijzen te wekken van de Bijzondere School. Tal van protestantsche Christenen rilden bij het hooren van allerlei „paapsche stoutigheden", die zouden komen. De Synodale Commissie der Ned. Hervormde Kerk betreurde het in een adres aan den Koning, dat de vrijheid van onderwijs verbrijzelen zou „de schoonste parel aan 's Konings kroon" en vernietigen zou „den roem en het sieraad, van Nederland en de zedelijke kracht van het zelfstandig volksbestaan der Natie" !
Voor 't eerst werd Groen nu door eigen vrienden bedroefd. Vooral „papen-vrees" speelden velen parten. En mee door hun toedoen bleef wel de bepaling omtrent de vrijheid van onderwijs gehandhaafd, maar die bepaling werd van kracht beroofd door „de ellendige zinsnede": „Er wordt overal van Overheidswege voldoende Openbaar lager onderwijs gegeven". Dat was om tenslotte toch het monopolie aan de neutrale Staatsschool te verschaffen. Noodig of niet noodig, maar overal moest de Overheid zorgen dat er voldoende Openbaar Onderwijs gegeven werd ; waarvoor de voorstanders van het Bijzonder Onderwijs moesten mee betalen en in het oprichten van eigen scholen werden ze niet zelden bemoeilijkt — al was vrijheid van onderwijs grondwettelijk recht — en in het onderhoud van de eigen scholen liet de Overheid hen aan hun lot over. Men moest wèl voldoen aan allerlei voorschriften, maar voorrechten had men niet.
Door de practijk van het liberalisme is artikel 194 van de Grondwet het staatsrechterlijk schandaal van Nederland geworden. De vrijheid, die men met de eene hand openlijk gaf, werd met de andere bedektelijk en bedriegelijk terug genomen. En gedurende heel 't leven van Groen is onder den schijn van vrijheid in ons land op schoolgebied ondragelijke tyrannie geoefend. Zeker, daar stond het nu, zwart op wit: „het geven van onderwijs is vrij". Maar de practijk ? Nóg eens : aan de voorstanders van het Christelijk Onderwijs werd het voorrecht gegund een eigen school te mogen oprichten, maar ze moesten mee betalen in de uitgaven van de school, wier beginselen zij om der consciëntie wil moesten veroordeelen, en als ze dan ten volle meebetaald hadden aan de Staatsschool, dan mochten ze bovendien (het was een voorrecht, dat hun gegund werd, zei men) de kosten van hun eigen school ten volle dragen.
Groen vergeleek ze met de vrijheid van een, op wiens nek de onderdrukker den voet gezet heeft en die dan nog gedwongen wordt met zijn tyran mee te roepen : leve de vrijheid !
Eerst in 1889, onder het Ministerie Mackay, het eerste rechtsche Ministerie, is die dwingeland in één der middelen, waarmee hij zijn tyrannie uitoefende, zij het ook in geringe mate, beperkt geworden.
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juni 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 juni 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's