De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

9 minuten leestijd

Maar God, die rijk is in barmhartigheid, door Zijne groote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft, ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus (uit genade zijt gij zalig geworden), en heeft ons mede opgewekt en heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus, opdat Hij zou betoonen in de toekomende eeuwen den uitnemenden rijkdom Zijner genade, door de goedertierenheid over ons in Christus Jezus. Efeze 2 vers 4—7.

MEDITATIE Maar God, die rijk is in barmhartigheid, door Zijne groote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft, ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus (uit genade zijt gij zalig geworden), en heeft ons mede opgewekt en heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus, opdat Hij zou betoonen in de toekomende eeuwen den uitnemenden rijkdom Zijner genade, door de goedertierenheid over ons in Christus Jezus. Efeze 2 vers 4-7.
„Want bij U is de fontein des levens; in Uw licht zien wij het licht", dat konden reeds de vromen onder het Oude Verbond getuigen. Toen was het nog de dienst der schaduwen en zij hadden alleen de belofte van den Messias. Maar aan die belofte hielden zij vast en met groot verlangen hunkerden zij om de dag van Christus te mogen zien. Zij wisten, dat God Zijn Woord waar zou maken op Zijn tijd, zij wisten, dat bij Hem was de fontein des levens. En zouden zij daarvan dan ook het leven niet verwachten ? Als zij zagen rondom : wat was er, dat leven kon schenken ? Als zij zagen op zichzelf : „Hoe zwak waren zij van moed, hoe klein van krachten". Zóó ging dan de bede van de Kerk des Ouden Verbonds op tot Hem, die alleen leven kon geven en zij wachtte op de komst van de Messias.
De Messias, de Vorst des levens, kwam op de aarde. Het Woord werd vleesch en woonde onder ons, onder zondaren. Hij, die zelf het leven is, ging in de dood voor zondaren. Maar Hij stond op ten derden dage. Hij voer op ten hemel om plaats te bereiden 'voor hen, die de Vader Hem gegeven had.
En vandaar stortte Hij den Heiligen Geest uit, opdat zóó de Apostelen konden uitgaan, om te verkondigen het Evangelie der genade. Saulus, de vervolger, werd een volgeling, hij, die de wet wilde vervullen, werd een prediker van Christus en dien gekruisigd. Alom verkondigde hij de boodschap van vrije genade, hen plantte en God gaf de wasdom. Rijk werd de prediking gezegend. Zoo hooren we dan ook een blijde jubel in de woorden, die hij schreef aan de Efeziërs : „Ik houd niet op voor u te danken, gedenkende uwer in mijn gebeden". Immers, de Heere heeft u levend gemaakt. Aan u is het groote wonder van Zijn ontferming geschied : Gij leeft.
Was dat altijd zoo geweest? Neen, verre van dat. „Gij waart dood door de misdaden en de zonden", zoo luidt het in het teksthoofdstuk. „Gij hebt gewandeld naar de eeuw dezer wereld, naar den overste van de macht der lucht". „Gij hebt geleefd als kinderen der ongehoorzaamheid en gevolgd de begeerlijkheid des vleesches". Ziet, dat is geen leven, maar de dood. Dat is niet het doen van Gods wil, maar het volgen van den vorst der duisternis. En zal hij leven kunnen geven ?
Het is belijdenis van schuld, welke de apostel aan de Efeziërs doet hooren. En geldt dit woord niet in alle tijden ? Moet het ook voor ons niet zoo luiden ? Paulus was een Parizeer geweest, had geleefd op uitnemende wijze. En toch acht hij het niet anders, dan als begeerlijkheid des vleesches. Met al, zijn ijver was er geen leven, maar alleen de dood. En hij belijdt daarom zijn zonden. De gemeente van Efeze was geweest een gemeente, die de afgoden diende, een gemeente, die misschien groote ijver toonde in goede werken. Toch was het niet anders dan begeerlijkheid van het vleesch, en de apostel houdt hun dat ernstig voor : Gij waart dood.
Is dat dan ook onze belijdenis ? Begeerlijkheid des vleesches en ook onze ijver naar de wet, onze goede bedoelingen in eigen kracht. Blinderen des toorns, omdat onze voet niet staat in heit spoor der godsvrucht, omdat ons hart niet zoekt, wat boven is. Dat was de ellende eenmaal van de gemeente van Efeze ; dat is de ellende van het menschelijk geslacht.
Maar wat zegt nu de apostel ? „God heeft ons levend gemaakt met Christus en heeft ons mede opgewekt en heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus". De Heere heeft de gemeente niet gelaten in de geestelijke dood, maar haar levend gemaakt met Christus. Hij toch kwam op de aarde om zondaren te redden. Hij droeg de toorn van God, die heilig is en die gerechtigheid doet. Aan het kruis moest Hij zelfs de bittere klacht uiten: „Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten ? " Geen zonde kende hij tot zonde werd hij gemaakt. Geen schuld was er in Hem als een schuldenaar werd Hij gesteld. Zóó moest Hij den dood sterven voor Zijn gemeente. Maar ten derden dage werd Hij opgewekt als een eersteling dergenen, die ontslapen zijn.
Wat geen offeranden tot stand konden brengen, wat geen menschelijk werk kon doen, dat heeft Hij gewrocht. Als Borg en Plaatsbekleeder voor zondaren droeg Hij alles, opdat daardoor dooden levend zouden worden gemaakt. Dat Is het dan ook, waarover de apostel verblijd is, zoodat hij aan Efeze schrijft: „Gij, die dood waart, leeft met Christus". Hij is het Hoofd der gemeente ; gij zijt de leden. Door Hem alleen is er leven in u. In Hem alleen is er zekerheid, door het geloof in Zijn werk.
Waarom wilde de heilige God, dat dit werk zou geschieden ? Had Hij dan menschen noodig ? Werd de Eeuwige dan gedreven door iets, dat er is in stervelingen ? Wie zou dait durven zeggen ? Zeide de apostel niet, dat wij allen dood zijn in misdaad en zonde ? En daarom is er niets in ons, dat Gode welbehagelijk is. Immers onze dood is vijandschap tegen God. Onze dood is bewuste verwerping van Zijn Woord. Immers Zijn getuigenis is niet naar den mensch. Het vernedert zijn hoogmoed en breekt zijn kracht. Daarom is Gods toorn groot over ons en Zijn oordeel blijft op ons.
Neen, door menschenwerk is Hij niet bewogen. Geheel anders klinkt het woord van Paulus : Hij heeft het gedaan, „die rijk is in barmhartigheid". Eeuwige liefde bewoog Hem om zondaren levend te maken. Ja, zóó groot was Zijn liefde, dat Hij Zijn eeniggeboren Zoon niet spaarde. Geen menschen verstand kan dat vatten : Zijn eigen Zoon moest komen in de gestalte van een dienstknecht. Hij, die licht is uit licht, moest gaan op deze verdorven aarde, onder een boos en hardnekkig geslacht. Hij moest gesmaad worden en vervolgd, overgeleverd en tenslotte aan het kruishout geslagen worden als een vervloekte. Ziet, dat is Gods barmhartigheid, zóó waren Zijn gedachten, die hooger zijn dan de onze.
Christus droeg alleen de toorn Gods. „Hij heeft alleen de pers getreden". Maar nu leeft Hij tot in alle eeuwigheid in de hemelen en Hij heeft de sleutels der hel en des doods. En daarom : „Uit genade zijt gij zalig geworden". De Efeziërs hebben zelf het leven niet verworven. Alleen door het geloof zijn zij met Hem gestorven en leven zij met Hem. Door het geloof zien zij Hem aan Gods rechterhand, en weten zij, dat Hij ook voor hen daar plaats bereidt.
Verstaan wij iets van die barmhartigheid Gods? Willen wij leven van genade ? Dat is niet naar ons hart. Immers dat toch wil zeggen, dat wij zelf niets hebben. En zijn wij niet rijk en verrijkt ? Hebben wij niet alles ? Indien dat onze gedachte is, dan leven wij nog als vijanden, dan zijn wij dood in misdaad en zonde. Doch nu is het de tijd der genade. (Nu roept de Heere, opdat wij zullen zoeken het leven buiten onszelf. Nu waarschuwt Hij, opdat wij zullen gaan op de gebaande wegen. „God, die rijk is in barmhartigheid", wil in Christus leven geven. Dat wil dus zeggen : niet door onze werken, ook niet door onze vrome werken. Want Paulus zegt: „Hij heeft ons liefgehad, „toen wij dood waren door de misdaden". Niet voor rechtvaardigen kwam Christus, maar voor zondaren. Gezonden hebben geen medicijnmeester noodig, maar zieken. Zuilen wij dan pleiten op onze werken, op onze ervaringen, op ons deugdzaam leven ? Vergeefs is dan onze bede. Immers in ons is het leven niet. Dat is er alleen door Gods barmhartigheid, niet voor rechtvaardigen, maar voor zondaren, „want anders is genade geen genade meer”.
Waartoe maakt God dooden levend ? Wordt daarin niet Zijn eer en heerlijkheid groot gemaakt ? Geen redenen nam Hij uit menschen om Zich een gemeente te verkiezen, maar uit Zichzelf. Toen Christus' op aarde was en bespot en veracht werd, toen Hij hing aan het kruishout, spotte de wereld. En nog spot zij. Maar 't was Gods heerlijkheid en in Hem had Hij een welbehagen. Zoo is het óok Zijn heerlijkheid, dat zondaren door Hem het eeuwige leven ontvangen, „al in de toekomende eeuwen zal Hij betoonen de uitnemende rijkdom Zijner genade, door de goedertierenheid over ons in Christus Jezus". Dat is, als Christus wederkomt op de wolken des hemels. Dan toch zal Hij Zijn gemeente bijeenbrengen, opdat zij eeuwig Hem de lof en eer en aanbidding toebrengt.
Lezer, wij vierden Hemelvaart en Pinksteren. De wereld deed het óok. Was er verschil ? Was dit het eenige verschil, dat wij niet gingen in de tenten der ijdelheid, terwijl toch ons hart koud en onverschillig bleef ? Hoe moet dan onze bede opgaan : „Kom, Heilige Geest" ; Kom in onze duisternis, kom, om leven te wekken in de duisternis onzer harten. Want is het niet alom donker ? Waar speuren wij het leven, waar het levende geloof, dat uitziet naar de wederkomst des Heeren ? Hoeveel verwachten wij van onze kracht, terwijl vergeten wordt de 'bede : „Och, dat Gij de hemelen scheurdet, dat Gij nederkwaamt". Immers bij Hem is niet de onwil, maar bij ons. Hij wil in onze dorheid door Zijn Geest het leven, het ware leven, wekken. Zijn eeniggeboren Zoon heeft Hij niet gespaard, opdat door Zijn striemen ons genezing zou worden. Op Zijn werk alléén kunnen en mogen wij pleiten. Dan wil Hij hooren en leven geven aan de ziel. Immers Hij heeft het leven, Hij is het leven en Hij geeft het, om niet. Hij geeft het aan zondaren, die niet hebben om te betalen.
Ja, dan geldt het: „Hij heeft ons levend gemaakt met Christus, door Zijn groote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft, ook toen wij dood waren door de misdaden". „Het is een wonder in onze oogen" : de Heilige en Almachtige wil in Christus gebrokenen heelen, gevallenen oprichten, aan dooden het leven geven.
Wel blijven dan strijd en aanvechting, maar eenmaal zal het vrede zijn „in de toekomende eeuwen". Wel is de verzoeking van den Satan groot en de gemeente klein tegenover de wereld, maar toch zal het eenmaal blijken, dat zij groot is, namelijk : „een groote schare, die niemand tellen kan, uit alle natie en geslachten en volken en talen”.
Lopikerkapel.


RECTIFICATIE. De vorige meditatie was van de hand van ds. B. van Ginkel, uit Renswoude.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juni 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 juni 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's