De geschiedenis van het Calvinisme in Nederland na de Hervorming.
IV.
Het meest algemeene bezwaar dat men inbrengt tegen het Piëtisme, dus tegen de 18e eeuwsche schrijvers, is, dat zij de menschen leerden rusten op hun bevindingen en gestalten, en het zal ook wel niet ontkend kunnen worden dat hun preekwijze, dat hun vermaningen om „zich reis op reis, met de uiterste vlijt en aandacht, door en door te onderzoeken" (aldus Van der Groe) dit euvel in de hand gewerkt hebben. Juist wanneer het geloof zwak is, klemt het zich zoo gemakkelijk aan ijdele steunsels vast. Het herhaaldelijk spreken over „gevoelige genadens", het nadruk leggen op de geloofs genieting, meer dan op het geloof als vertrouwen (Schortinghuis) heeft medegewerkt aan die mistoestand in de kringen van het Piëtisme, dat men ging leven op gevoelige aandoeningen.
Maar niemand meene, dat de mannen der 18e eeuw zulks goedkeurden. Zelf waarschuwen zij er herhaaldelijk tegen. Ook Schortinghuis erkent, dat het „een algemeene zwakheid in des Heeren volk is, 'dat zij al te veel van gevoelige genade afhangen, en als zij die missen, hun geheele staat verwerpen. Daar wil de Heere hen wat meer van losmaken, om toen niet alleen op gevoel, maar op geloof te doen leven, opdat zij niet ziende en gevoelende, evenwel leeren gelooven, ja, als zij in het duister wandelen en geen licht hebben, dan nog evenwel vertrouwen op den Heere en steunen op hun God". (Jes. 50 : 10).
Hij keurt het af, dat „deze zielen alleen letten op de hartstocht en de gevoelige bewegingen, ja, de Mare openbaringen van God aan de ziel, dit oordeelen zij alleen het leven der genade en als zij dat dan niet vinden, gelijk het zeker zoo dikwijls niet zal bespeurd worden, dan meenen zij, dat zij verachteren...., ja, dat zij geen geestelijk leven hebben " Daarom moeten de geloovigen leeren (aldus S.) „geen al te groote liefkozingen omtrent gevoelige en hart-verruimendte vertroostingen te hebben". „Kleingeloovigen", zegt S., „bouwen te veel op hun gestalte, denken en verlaten zich daarop dat als zij de eene hebben, de andere er ook als in een onverbrekelijke schakel op volgen zal". ^^)
Toch vrees ik, dat de manier, waarop Schortinghuis voortdurend spreekt over de geloofsgenietingen, onbedoeld dat kwaad niet afdoende vermeden heeft. Het valt dan ook op, dat hij zich zoo zwak uitdrukt, wanneer hij zegt, dat de Heere de geloovigen wat meer wil afbrengen van het leven op gevoel.
Om niet te vervallen tot dat steunen op het gevoel, is het zeker van belang om te denken aan wat ook Ealph Erskine (een Schotsch prediker en schrijver, tijdgenoot van Schortinghuis) eens schreef aan een vrouw, die in twijfel was over de oprechtheid van haar geloof. - " Ook hij zegt daar : „Vele menschen zijn geneigd meer gewicht te leggen op de gevoelige kracht en den zoeten invloed, waarmede de belofte aan hun geest vertegenwoordigd wordt, dan op de belofte zelve, en wanneer dan die kracht en invloed wordt teruggehouden, dan is hun geloof zoek, en dan kunnen zij niet op het bloote Woord van God afgaan. Deze gesteldheid in eenige Godivruchtige zielen is voornamelijk toe te schrijven aan de treurige overblijfselen eener wettische gemoedsgestalte, welke hen den grond van hun geloof en hoop meer in zichzelven en in hetgeen door hen gewerkt wordt, doet zoeken, dan door af te zien van zichzelven en geloovig te beschouwen, wat de Heere in zichzelven is en wat Hij voor hen gedaan en tot hen gesproken heeft. Het geloof is dan sterk, wanneer het kan leven op een bloote belofte, zonder behulp van het gevoel".
Hij zegt dan ook, de grond des geloofs, waarop de geloovige moet bouwen, is „Christus, sprekende in Zijn Woord" ; anders gezegd „het Woord der genade en der waarheid". Alles bij elkaar genomen, kunnen we van de 18e eeuwsche vroomheid in de piëtistische kringen wel dit zeggen, dat men den grond des geloofs heel vaak ging zoeken in het gevoel, 'Of in de bevindingen (vandaar juist de voortdurende waarschuwingen van onze Vaderen) en niet steunde „enkel op dien vasten en onwankelbaren grond van Gods genadige beloften in het evangelie" (aldus Van der Groe). Voorts werd er (evenals nu) veel geklaagd, dat zoovele Christenen verkeerden in een toestand van blijvende bekommering. Daaraan zal het voortdurend vermanen tot nauw zelfonderzoek en het noemen van zoovele kenmerken der genade niet onschuldig geweest zijn.
c. Alexander Comrie.
Dat men door de piëtistische geestesrichting van lieverlede afgeweken was van de leer der Hervorming, heeft ook Alexander Comrie, vriend en geestverwant van de gebroeders Erskine, beseft. Comrie was in Schotland geboren, studeerde in Holland en is predikant geweest te Woubrugge. Schortinghuis stierf in 1750, Comrie in 1774, dus toen de werkzaamheid van Schortinghuis was afgeloopen, stond Comrie nog in volle kracht.
Met zijn boezemvriend Holtius, predikant te Koudekerk, heeft hij in woord en geschrift geijverd voor de leer der Hervorming. Iemand als Schortinghuis beroept zich zelden op Calvijn, Comrie grijpt op hem terug en roept de Nederlandsche Kerk terug tot Calvijn en de belijdenis van Dordrecht.
In de Piëtistische geestesrichting zag 'hij vele gevaren voor de leer der rechtvaardigmaking van den zondaar, door het geloof, uit enkel genade. Met alle kracht verdedigde hij de rechtvaardigmaking van den zondaar, den goddelooze, en daarom bestreed hij alle vrome werkzaamheden van 'Of in den mensch als grond der rechtvaardigmaking. Hij zag als gevaar, dat men met een ladder van kenmerken over den muur wilde klimmen, inplaats van door de deur Christus in te gaan. In zijn Catechismusverklaring waarschuwt hij zeer uitdrukkelijk tegen hen, die beweren dat de mensch eerst eenige hoedanigheid in zichzelven moet bespeuren, op grond waarvan hij dan de vrijmoedigheid mag hebben, de vergeving der zonden, de eeuwige gerechtigheid en zaligheid te aanvaarden. Zoo drijft men de arme menschen, aan „om in zichzelven na te gaan of ze wel die hoedanigheden bezitten, die hun een gepast voorwerp voor de genade maken, daar niets in ons ons gepast daarvoor maakt, als dat wij verlorene nakomelingen van Adam zijn".
Hoe Comrie gestaan heeft tegenover het Piëtisme van Schortinghuis, kunnen wij opmaken uit zijn „Brief over de Rechtvaardigmaking" (Uitgave 1761).
Ds. Hartman, van Zwolle, was éen der felle bestrijders van het „Innige Christendom" van Schortinghuis, maar Comrie verklaart van Vader Hartman (zooals hij hem noemt), dat hij hem hoogschat, als een „zuiveren voorstander van de leer der Protestanten in het algemeen en die der Hervormden In het bijzonder". Met instemming citeert Comrie een werk van Hartman, waarvan hij vreest, dat men het uit eenig vooroordeel wegens het „Innige Christendom", niet gelezen zal hebben. Wij mogen Comrie daarom nog geenszins een tegenstander van Schortinghuis noemen, maar er blijkt toch wel uit, dat hij er niet kritiekloos tegenover gestaan heeft.
Maar niet alleen richtten Comrie en Holtius hun vermaningen tot de Gereformeerden, bovenal hebben zij felle aanvallen gedaan op de, toen in onze Kerk overheerschende geest der Tolerantie, der verdraagzaamheid.
Dordt had in 1618/'19 het humanisme der Remonstranten veroordeeld en de Remonstranten geschorst, maar daarmede was die geestesrichting nog niet uitgezuiverd ! Vervielen vele Gereformeerden tot dorre schoolsche geleerdheid (scholastiek), zoodat de leer een begrippenspel werd, daartegenover herleefde steeds sterker de geest der oude Libertijnen, die alweer den steun der regenten ontvingen, welke dan ook voortdurend den wensch der strenge Gereformeerden tot samenroeping van een Nationale Synode verhinderden.
Reeds in den strijd tusschen Voetius en Coccejus bleek - dat meer dan duidelijk. De Coccejanen, die .meer en meer onder invloed van den humanistischen wijsgeer Descartes kwamen, vonden „hun Oldebarnevelt" in den toenmaligen, anti-Oranje gezinden Raadpensionaris Johan de Wit. Er kwam dan ook van hoogerhand (1694) een gebod om de geschilpunten te laten rusten en elkander te verdragen. Zoo bleven de twee beginsels. Humanisme en Calvinisme, doorwerken. De „linkerzijde" bleef in naam rechtzinnig, maar was het geenszins. Hun Verdraagzaamheid vloeide voort uit lauwheid tegenover de belijdenis der Kerk, ja, lauwheid is te zwak gezegd, het was innerlijke vervreemding van die belijdenis.
Tegen dien geest der Tolerantie richtten Comrie en Holtius hun felle aanvallen. Die z. g. n. tolerantie was volgens hen een „poging om de leer van Dordt met de aldaar veroordeelde leer der Remonstranten te vereenigen" en daarom wilden zij „de liefhebbers der waarheid" waarschuwen om niet door de „vleiende namen van liefde en verdraagzaamheid van de zuiverheid des Evangelies afgeleid te worden". Maar deze heldhaftige verdediging van de belijdenis der Kerk heeft aan Comrie bijna het ambt gekost, ja, in 1760 legden de Staten van Holland hun het zwijgen op. Hun geschrift, waarvan reeds de 10e aflevering verschenen was, mocht niet langer uitgegeven worden.
Zoo was dus de toestand in de Vaderlandsche Kerk omstreeks 1750. Het aantal Gereformeerde voorgangers was klein geworden, de Gereformeerde belijders hadden zich in vele plaatsen teruggetrokken in Conventikels, waar men preeken van a Brakel, Comrie e.a. las. De Kerk was hoe langer hoe meer vervallen tot lauwe, zelfvoldane verdraagzaamheid. Het was de tijd van den braven burger. Van de leer der Kerk, inzonderheid van de gehate „leer van Dordt", moest men niets hebben.
Toen in 1819, het 2e eeuwfeest der Dordtsche Synode, de Leidsche predikant Schotsman het waagde het voor de Dordtsche Synode op te nemen, toen Büderdijk zich aan zijn zijde schaarde en openlijk waardeering uitsprak voor de Dordtsche Leerregels, toen Da Costa in 1823 zich in denzelfden geest openbaarde en in zijn „Bezwaren tegen den geest der eeuw", die geest der laffe verdraagzaamheid aanviel, kende de onverdraagzaamheid der „verdraagzamen" geen grenzen meer, maar Gode zij dank, as er gedurende een eeuw wederom een terugkeeren naar de belijdenis, die naar Gods Woord is, helaas in een tot op dezen dag toe, versplinterd kerkelijk leven. Wij moeten terug tot de Schrift en zoo weer de belijdenis onzer Kerk niet als een doode rechtzinnige belijdenis beamen, maar er zelf uit gaan leven. Dus gaan leven uit den schat der Hervorming, die de schat is van Christus' Kerk, de belijdenis : „de rechtvaardige zal uit het geloof leven".
19) Het allerbekendst is Schortinghuis om de z.g.n. 5 dierbare nieten (Ik wil niet, ik kan niet, ik weet niet, ik heb niet, ik deug niet), maar die nemen in zijn werk toch niet die plaats in, die men er vaak aan toekent. Volgens het uitvoerige register in zijn boek, spreekt hij er slechts één keer over, en dan nog maar terloops. De z.g.n. 5 dierbare nieten, als de bevindelijke belijdenis van den begenadigde, zijn ook niet oorspronkelijk, maar ontleend aan anderen. 2") Zie G. Wisse „Uit het zieleleven", waarin deze brief staat afgedrukt.
Barneveld
Batelaan
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juni 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juni 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's