De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

WAT DE PERS TE LEZEN GEEFT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

WAT DE PERS TE LEZEN GEEFT

7 minuten leestijd

Begraven of verbranden ?
Uit „De Wekker", Chr. Geref. Weekblad, nemen wij met instemming over wat ds. Kremer daar schrijft over Lijkverbranding.
„Vooreerst", aldus ds. Kremer in de Vragenbus, „zij opgemerkt dat het niet juist is, te meenen dat met het al of niet vasthouden aan het begraven van onze dooden de christelijke belijdenis van de wederopstanding der dooden staat of valt. Ook bij de asch van haar verbrande martelaren, die soms naar de vier windstreken verstrooid was, belijdt de Kerk : „Ik geloof de wederopstanding der dooden" ; „ik geloof de wederopstanding des vleesches en, een eeuwig leven" Oók is het niet juist te zeggen, dat verbranden alleen heidensch en begraven alleen christelijk zou zijn.
Oók de heidenen kenden de begraving der dooden. Wèl is het zóó, dat, naarmate het christendom als een zout 't leven doortrok, daar, waar het verbranden in zwang was, dit meer en meer plaats maakte voor de christelijke wijze van begraven.
Dat er sinds het laatste kwartaal van de vorige eeuw , zoo ijverig propaganda gemaakt wordt voor de moderne wijze van verbranding, in de crematie of verassching, is niet uit de doorwerking van het christendom te verklaren, maar eer als een bewijs van invloed van terugkeerend modernheidensche beschouwingen te zien.
Over het algemeen heeft het christendom zich dan ook van meetaf tegen deze oude nieuwigheid verzet.
Dat in ons land de lijkverbranding oogluikend wordt toegestaan, vindt zijn oorzaak in het feit, dat er in de Begrafeniswet van 1869 een leemte is, waardoor het juridisch niet mogelijk schijnt dit als „strafbaar feit" tegen te gaan. Wat zegt nu in dezen de Heilige Schrift ?
Een uitdrukkelijk gebod voor begraven heeft en geeft zij niet. Evenmin als dat Gods Woord een uitdrukkelijk verbod tegen verbranding heeft en geeft.
In bepaalde gevallen kent de Schrift de geoorloofdheid der verbranding. Zoo in Jozua 7 ; Lev. 20 vers 14 en 21 vers 9. Toch blijft hier de vraag, of dit te zien is als een bepaalde vorm van lijkverbranding. Veel meer staat hier de uitvoering van een vonnis op den voorgrond.
Al heeft de Schrift geen letterlijke uitspraak in deze materie, zij toont ons wel een doorgaande gedachte. En dan staat het vast, dat het begraven der dooden door haar ^s regel gekend wordt. Een andere wijze van doen wordt door haar als uitzondering geteekend. Ja, als een oneer. Jeremia 16 vers 6.
Eigenaardig is de bepaling in Deut. 21 vers 23, waar voor den gehangene uitdrukkelijk geëischt wordt, dat hij begraven zal worden. Rabbijn S. Ph. de Vries wijst er in zijn „Joodsche Riten en Symbolen" op, dat, zoo wij naast dezen eisch tot begraven van den gehangene stellen, de ons in Genesis 40 vers 19 medegedeelde gewoonte der Egyptenaren ten aanzien van de gehangenen, hier dan toch wel een nadrukkelijke eisch tot begraven is. Inderdaad staat het daar zeer nadrukkelijk : begraven, begraven zult gij hem. Bij ons vertaald: gij zult hem zekerlijk begraven. Met Egypte achter zich en de gedachte, dat het maar een gestrafte was, zou men gemakkelijk zulk eenen de begrafenis kunnen onthouden. God beveelt echter met nadruk, met hem niet anders te doen dan met alle andere gestorvenen.
Ook in het Nieuwe Testament is de gedachte aan het begraven der dooden altijd vastgehouden. Geen wonder dan ook, dat begraven christelijke traditie geworden is en het loslaten daarvan, in de crematie, gezien wordt als anti-christelijk.
Inderdaad schuilt er dan ook in de begrafenis een bevestiging van de christelijke belijdenis, die de crematie absoluut mist.
Een bevestiging naar meer dan een zijde. Allereerst is het gaan begraven van onze dooden een ootmoedige onderwerping aan het oordeel en het gericht dat God over ons om der zonde wil heeft uitgesproken : Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeeren. Zeker, de crematie heft dit oordeel niet op; maar zij grijpt er wel eigenmachtig bij in, en maakt het in haar oven tot een proces, waarbij zij zelf de leiding heeft. De Christen, die zijn dierbare afgestorvenen aan het graf toevertrouwt, legt de voltrekking van het oordeel Gods aan hun lichamen in de hand Gods en treedt dan zelf terug. Zoo wordt het begraven een religieuse handeling met een zin, die de crematie mist.
Bovenal denken wij aan het graf van Christus. Het opkomen van de gedachte : Christus en het crematorium, is voor ons gevoel reeds heiligschennis. Hij heeft het graf geheiligd voor de Zijnen en niet de oven en het columbarium. Een Christen wenscht daarom begraven te worden. Heeft niet de opstanding, waarbij hemellingen in het graf werden aangetroffen, het gepredikt, dat het graf nu van karakter veranderd is ? Het werd door Christus' borgwerk de stille rustplaats van Gods dooden, waar zij in hope rusten.
Vooral deze christelijke hoop ten opzichte van de lichamen der gestorvenen is het, die door de begrafenis ondersteund wordt. In 1 Corinthe 15 wordt met het oog op de heiliging van het graf door Christus van de christelijke begrafenis als van een zaaien gesproken. Het verderfelijke wordt gezaaid in hope van de opstanding daarvan in on verderfelijkheid. In de crematie wordt het hopelooze gedemonstreerd. Wat totaal waardeloos is, wordt verbrand; men geeft het over aan het vuur. Zoo is het naar christelijke belijdenis met ons lichaam niet. Het is door Christus gekocht en heeft toekomst door Hem, ook in het graf.
Ik weet, dat hier ook hygiënische en andere motieven worden aangevoerd, maar die zijn voor den Christen in dezen niet beslissend.
Met Gods Woord in de hand is de crematie anti-christelijk en menschonwaardig.
Daarom blijve ons protest tegen haar van kracht.

„Wat Antwerpen leert."
De Standaard schrijft: „De sociaal-democratische pers ten onzent verdedigt het gebeurde in de haven van Antwerpen.
Waaruit weer blijkt, dat de sociaal-democratie principieel niet is veranderd. Zij is revolutionair gebleven. Vertrouwen kan men haar niet. In bepaalde situaties verliest zij spoedig haar evenwicht. Dan moet zij concurreeren met de communisten.
De staking is aanvankelijk niet door de sociaaldemocratische vakorganisaties geleid. Eerst later heeft deze de „leiding" — och arme! — overgenomen. Er is geen rekening gehouden met de geldende contracten. Er is niet vooraf behoorlijk over noodzakelijke wijzigingen onderhandeld. Een dergelijk revolutionair optreden mag niet vergoelijkt worden.
Wel wekt het bij ons geen verbazing, dat er sociale onrust in België komt. De loonen zijn er heel laag. De devaluatie bracht voor de arbeiders een belangrijke verhooging van de kosten van het levensonderhoud. De socialistisch en communistisch opgevoede massa kreeg den indruk, dat de geestverwante vakbeweging uit politieke overwegingen nu veel „rustiger" was in haar critiek dan vóór het optreden van de sociaal-democraten in het kabinet-Van Zeeland. Vandaar, dat degenen, die tot onorganisatorisch handelen opwekten, een kans kregen. De socialistische vakvereenigingsleiders, die uit hun, beginsel geen kracht konden putten, zagen zich daarop genoodzaakt om het gebeurde te sanctionneeren.
Men heeft in den laatsten tijd van meer dan één zijde België aan ons ten voorbeeld gesteld. Daar ging het toch zoo goed, dank zij de devaluatie, het plan-De Man, etc.
De uitslag der verkiezingen bracht hier en daar reeds ontnuchtering. De sociale onrust in de haven van Antwerpen kan nog meer deze oogen openen.
De christelijke, wil men roomsch-katholieke, vakorganisatie heeft in de groote haven van België weinig te beteekenen. Ook dat feit verklaart veel.
Merkwaardig schijnt de houding te zijn geweest van den sociaal-democratischen burgemeester van Antwerpen. Hij deed niets voor de bescherming van werkwilligen. Hij liet vrij spel aan de terroristen.
En dan ontkent men nog, dat de sociaal-democraten door hun optreden aan het fascisme wind in de zeilen blazen!”

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juni 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

WAT DE PERS TE LEZEN GEEFT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juni 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's