KERKELIJKE RONDSCHOUW
KOHLBRUGGE, zijn levensgeschiedenis.
De Tale Kanaans. (5)
Vraag : Hoe weet gij, dat gij op den rechten weg zijt? Die weg is zoo zonderling, het gaat immers door enkel hindernissen heen, en gij schijnt wel geheel alleen uwen weg te reizen?
Antwoord : Ik zie niet op mijn weg, maar op mijn Leidsman ; Die heeft het mij gezegd, toen Hij mij op den weg zette, en mij het einde er van toonde ; want de afgronden en al de hindernissen zag ik toen niet. Hij heeft immers tot mij gezegd : „Dit is de weg, wandel in denzelven ; en wijk niet af noch ter rechter-noch ter linkerzijde" ; en : „Deze weg is smal, en weinigen zijn er, die denzelven vinden" ; toch vind ik somtijds een pelgrim, die dien zelfden weg reist. Hij gat mij ook een kompas en een lamp mede, om de kenteekenen van den goeden weg te onderkennen, welke zijn: smal, oneffen, door weinigen betreden, bezaaid met kruisen en doornenkronen enz. Den verkeerden weg, dien ik somtijds ook wel zou wiUen inslaan, verlaat ik spoedig weer.
Vraag : Wat is dat Kompas?
Antwoord : Zijn Woord, dat niet liegt. Zijn Woord is mijne lamp, ook mijn stok en mijn staf. Vraag : Maar wanneer gij in het duister wandelt?
Antwoord : Dat hindert niet, die lamp brandt in mijn hart. Ook is Hij mij des daags tot een, wolkkolom en des nachts tot eene vuurkolom. Hij, de Heere, is mijn overvloedig licht, juist in het donker en in den bangen nacht; en Hij heeft het ook gezegd: Wie is er onder ulieden, die in de duisternis wandelt, en geen licht heeft ? — dat hij betrouwe op den Naam des Heeren, en steune op zijn God" (Jes. 50 : 10).
Vraag : Zijt gij in het geheel niet bang, dat gij op dezen weg verdwalen of omkomen zult? Antwoord : Somwijlen wel, want dikwijls zie ik niets meer van den weg; — maar wanneer ik een oogenblik stil sta en mij bedenk, dan vrees ik in het geheel niet. Ik heb van den Koning een groot gevolg meegekregen, een machtige schare dienaren. Gij ziet die niet ? O, ik menigmaal óók niet, als ik niets zie dan den vijand, niets dan Ezau met zijne vierhonderd !
Vraag : Noem mij deze dienaars? Antwoord : Wel, het zijn Zijne heilige engelen, — Mahanaïm (Gen. 32 : 1, 2) ; vaak ontmoet ik ook een van mijns gelijken ; dan gaat het gansch eigenaardig op den weg; ook is Hij Zelf dikwijls bij ons, en wij denken er niet aan, dat Hij het is ; maar ons hart is brandende in ons vanwege Zijne onzichtbare zalige tegenwoordigheid. (Lucas 24 vers 13 enz.).
Vraag : Weet gij wel, dat gij nog voor eene opene zee komt te staan, en dat gij nog door eene rivier heen moet, die vol is aan hare oevers ?
Antwoord : Ik heb daarvan wel zoo iets vernomen, ook heb ik het wel overwogen, toen ik den weg insloeg, maar Ik heb Zijn Woord te allen tijde waarheid bevonden te zijn, en het woord van den vijand en van de wereld leugen. Ook in den oven der ellende, en in de hitte van den strijd met het verderf heb ik de waarheid ondervonden van de woorden des Heeren: Vrees niet! Wanneer gij zult gaan door het water, Ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstroomen; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken" (Jes. 43 : 1, 2) ; en : Hij verandert stroomen in het droge. Weet gij hoe ? Het gaat als de Eerste in den stroom, en Hij gaat er ook als de Laatste uit. De Arke des Verbonds vermag meer dan alle vloeden des doods
(Jozua 3).
Vraag: Maar hoe dan, als u eene giftige slang bijt?
Antwoord : Dan zie ik stervende op de koperen slang, — dat is zoo God wil.Vraag: Maar waarom neemt g ij niets uit de wereld mede? Antwoord : Wat God Zelf mij geeft, al schijnt het ook weinig, is meer dan de overvloed van vele goddeloozen. Dat ik eerlijk eet en drink, dat ik mij kleed, naar behooren, en wat verder mijne behoeften zijn, dat alles geeft Hij mij van Zijn aardrijk. De aarde toch is mijns Konings, mitsgaders hare volheid (Ps. 24:1). Van de wereld wil ik echter niets hebben ; mijn erfdeel is daarboven. De duivel heeft niets, hoe veel hy ook belooft. Wie het minst bij zich heeft, die reist het gemakkelijkst; ook heb ik beloftenissen, waarin overvloedig goud gelegen is. Ik reis met een goeden credietbrief, en mijn Koning heeft overal Zijn betaalmeesters.
Vraag: Waar trekt gij dus heen ?
Antwoord : Daarheen, waar reeds mijn wandel is, naar het Jeruzalem, dat geen mensch, maar God Zelf gebouwd heeft voor mij en al de Zijnen, — gebouwd op het bloed des Verbonds.
Vraag: Zijt gij daarvan zeker en gewis?
Antwoord : Ik heb zegel en brief, namelijk den Geest, dien Hij mij geschonken heeft, en Zijn Woord.
Vraag: Maar al die oude zonden? en nog eens, als gij voor dien diepen stroom komt? Gij hebt immers geen bootje, en op dien stroom is er ook geen? Antwoord : Ik moet toch in den hemel !
Vraag: Wat is dan uwe verwachting?
Antwoord: Mijne zekere verwachting is, dat mijn Koning en Heer, mijn Zielebruidegom mij zal tegenkomen aan de poorten Zijner stad. Hij heeft mij het antwoord gegeven op mijn gebed. Hij heeft gezegd : „Ik kom haastiglijk !"
Vraag: Maar hoe komt gij die stad in, die zoo hoog ligt?
Antwoord: Op engelenwagens! Hij Zelf zet mij daarop en dan geene tranen meer! Mijne Geliefden! Dit is nu zoo iets van de sprake Kanaäns.
Die haar niet kan meespreken, ga als een kind in de leer bij den eenigen Profeet. Die haar veracht, wete, dat de Vader, Die Zijne kinderen alzoo leert spreken, hem zoo lang ook veracht. —
Die haar geleerd heeft, bedenke, van Wien hij haar geleerd heeft, opdat hij Hem vreeze, en Hem eerbiedig aanbidde. Het spreken evenwel maakt niet zalig, zoo het hart er niet bij is. Schibböleth alleen komt over den stroom. Daar het heet: Voorwaarts! haast u, behoud u om uws levens wil. Amen.
(Wordt voortgezet).
De geestelijke ontwikkeling van Groen en de ontwikkeling van ons Volksonderwijs. (3)
Tyrannie was het wat het liberalisme vrijheid noemde. De vrijheid van den geknechte, wien zelfs het ademhalen bemoeilijkt wordt.
Groen heeft dien dwingeland, dien tyran, in het aangezicht wederstaan en gaf tegen niemand pardon.
Er moest na de Grondwetsherziening van 1848 — door de revolutiebeweging in Europa afgedwongen —een nieuwe Onderwijswet komen, die met het nieuw erkend beginsel van „vrijheid van onderwijs" rekening zou houden. Het Christelijk Nederland vooral wachtte met angstige spanning welke regeling de wet van 1806 zou vervangen.
Het Ministerie Van Hall-Van Reenen — vrucht der Aprilbeweging — diende het eerste ontwerp in, waarin als regel werd voorgesteld de gemengde School, voor alle gezindheden brulkbaar. Dat was en bleef 't ideaal : de gemengde Openbare Staatsschool voor alle gezindheden : Roomsch, Jood, Protestant, geloovig en ongeloovig, saam bruikbaar !
Als uitzondering en aanvulling kwam dan de vrijheid : waar de plaatselijke omstandigheden het toelieten, mochten afzonderlijke Openbare Scholen komen, die werden ingericht voor kinderen van dezelfde gezindheid. Dus : Openbare Scholen voor Roomschen, voor Protestanten enz. De Overheid zou dat regelen : in het Zuiden b.v. Roomsche Openbare Scholen; elders een Openbare School voor Protestanten, naast een Openbare School voor Roomschen, enz.
Gematigd als het was, stond het dus „facultatieve splitsing" toe als uitzondering. Maar de groote meerderheid der Kamer verzette zich zóó tegen dit Ontwerp, dat het werd ingetrokken.
En toen kwam 30 December 1855 het 2de Ontwerp, dat de mogelijkheid van splitsing prijs gaf. Er zou slechts één onverdeelde gemengde Volksschool zijn, „waar het onderwijs wordt dienstbaar gemaakt aan de bevordering van godsdienst en zedelijkheid en de onderwijzers zich onthouden van iets te onderwijzen, te doen of toe te laten, kwetsend voor de godsdienstige begrippen der gezindheid of gezindheden, waartoe de schoolgaande kinderen behoorden".
Het ideaal was en bleef dus : één onverdeelde gemengde Openbare Staatsschool, waar kinderen van alle gezindten onderwijs ontvangen en noch de Roomsche, noch de Protestant, noch de Jood, noch de geloovige, noch de ongeloovige mocht iets leeren of doen wat een ander zou kunnen „kwetsen". Er zou dus moeten zijn een „geloof" boven alle geloofsverschillen, een „Christendom" boven alle geloofsverdeeldheid verheven, wat een Christen geen „geloof" en geen „Christendom" kan en wil noemen. Wamt „geloof" en „Christendom" hebben nu eenmaal een bepaalde inhoud, zooals een cirkel rond moet zijn. Iemand, aan wien men niet kan merken of hij. Jood, Roomsch, Protestant, geloovig of ongeloovig is, is niets. En daarmee moesten dan de kinderen van ons volk het maar doen, met onderwijzers en onderwijzeressen, die „niets" zijn.
Christelijk Nederland, dat z'n Bijbel liefheeft, ontwaakte. Vlugschrift op vlugschrift verscheen, om het rampzalige van deze regeling in 't licht te stellen. En het is merkwaardig om Groen's geschrift te lezen, dat getiteld is : „De Tweede Kamer en de Verzoekschriften", Utrecht, 1856). Groen was onvermoeid in den strijd. Hij zei telkens, dat op onze Volksschool op die manier verloren ging wat de Schrift leert („Er staat geschreven") en wat de geschledenis leert („Er is geschied, "), doordat men „neutraal" moet onderwijzen en niemand moest kunnen merken wat de onderwijzer gelooft of niet gelooft, of hij Roomsch of Protestant of Jood is. Die neutraliteit zou ons volk te gronde richten; en dat onder den schijn van eenheid te hebben voor iedere gezindheid; zelfs onder den schijn van eerbied, te hebben voor den godsdienst! Met een kniebuiging leidde men den godsdienst buiten de school en zette den godsdienst buiten alle onderwijs en opvoeding door den onderwijzer te geven aan de kinderen van ons volk!
De belijders van den Christus der Schriften verklaarden zich in grooten getale eensgezind met Groen en waren mobiel om te verhoeden, dat niet door de Openbare Volksschool Nederland zou worden geneutraliseerd en geliberaliseerd. Daar verricht Koning Willem III een daad, die volgens Groen „de schoonste bladzijde uit zijn levensboek vormt". Hij legt de verklaring af, dat hij aan die Wet nooit zijn Koninklijke sanctie zou geven !
Het Ministerie Van Hall—Van Reenen dient daarop z'n ontslag in.
Wie zou nu de man worden, die tot oplossing van de moeilijkheden inzake de Onderwijs-wetgeving door den Koning zou worden geroepen om in een nieuw Ministerie zitting te nemen ? Groen, wiens bede in 1842 was afgewezen, die in 1848 zich verlaten zag van tal van medestrijders, wachtte op een verzoek van den Koning om tot Kabinetsformatie over te gaan, en hij zou, onder biddend opzien tot God, zich voor deze huiveringwekkend zware taak hebben willen geven. (Mr. Titus de Vries: mr. G. Groen van Prinsterer, Utrecht 1908, blz. 116 enz.). Maar inplaats dat hij een brief ontvangt van den Koning, ontvangt hij van mr. Van der Brugghen een schrijven, waarin Groen wordt uitgenoodigd eens bij hem te komen op Oud-Wassenaar. En daar hoorde Gr oen, dat niet hij, maar Van der Brugghen door den Koning met Kabinetsformatie was belast — wat voor Groen een pijnlijke en grievende teleurstelling was.
Bij deze conferentie op Oud-Wassenaar, die anderhalf uur duurde, zijn natuurlijk de beginselen voor een nieuwe Schoolwet besproken, maar het schijnt (de voorstellingen, ten opzichte van het besprokene bij dit gesprek „onder vier oogen" verschillen nogal) dat Van der Brugghen, terwijl hij zich in nevelachtige breedsprakigheid „op de vlakte" en „in de ruimte" hield, van Groen de verzekering wilde verkrijgen, dat deze hem, als hij als Minister zou zijn opgetreden, zou helpen en bijstaan. Maar juist omdat Van der Brugghen zich in nevelen bleef hullen, kon Groen tot zijn smart (want hij rook aanstonds lont) niet met een hartelijke verklaring tot samenwerking voor den dag komen. Doch telkens antwoordde Groen: „Handelt ge overeenkomstig mijne u bekende beginselen, dan zijt ge van mijne bereid vaardige medewerking zeker — doet ge dit niet, dan kunt ge geen lijdelijkheid verwachten" (Mr. Groen v. Prinsterer : Hoe de Onderwijswet van 1857 tot stand kwam. Amsterdam 1876, blz. 35 enz.).
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juni 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 juni 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's