De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

6 minuten leestijd

’s HEEREN TROUW
„Ik ben die God van Bethel". Genesis 31 vers 13a.
„Zalig hij, die, in dit leven, Jacobs God ter hulpe heeft ”
Lezer(es), dikwijls reeds hebt ge dit vers gezongen, maar nu de persoonlijke vraag : hoe hebt , ge al die keeren dit vers gezongen ? Was er wel eens een keer, dat uw ziel meetrilde ? !
Welk een diepte.
Welk een vertroosting!
„Bethel" — en we denken aan Jacob ! . „Ik ben die God van Bethel", en we gaan in gedachten terug, een twintigtal jaren vanaf het oogenblik, dat die woorden worden gesproken in dit teksthoofdstuk.
„Bethel” — wie gaat daar door 't eenzame veld, wie is die man, over wien de nachtschaduwen zich gaan legeren — wie, wie is die eenzame zwerver ? Dat is Jacob, de rijke erfgenaam, maar nu, nu is slechts zijn eigendom de reisstaf, die z'n trillende hand omklemd houdt en verder het weinige, dat hem nog werd meegegeven. Alleen — spoedt hij zich voort, en toch niet alleen !
Zwaarder dan de avond-nachtschaduw, die zich allerwegen legert, is de duisternis in zijn ziel, de fluistering : Jacob, bedrieger, roover! 't Is nacht — daar ligt een ellendige zondaar — zie nu, wat Genade is. Uit zulk één formeert de Almachtige Zijn volk. O, dit alles predikt: de Heere begint, zet voort, voleindigt.
„Bethel” — 't nachtelijk duister wijkt — de Hemel opent zich — volle vertroosting kom.t daar tot dien grooten zondaar.
Wondere sprake — Gen. 28 verzen 13, 14, 15.
Ja — 't was een „huis Gods" — èn bemoedigd, verkwikt, vertroost door die verrassende, voorkomende Genade des Heeren, zet de zwerver zijn in ellende aangevangen tocht — nu hoopvol voort!
De tijden snellen heen, ja, roept Job het niet zoo kernachtig uit: als een jachtschip, zóó vliegt ons leven aan ons voorbij !
Twintig jaren snelden heen — èn zooals Jacob z'n ouden vader bedroog, zóó wordt hij bedrogen door Laban.
Zware tijd van dienstbaarheid, van beproeving.
Maar ! de Heere vergeet Zijn beloften niet.
Hij komt! maar — op Zijn tijd.
In ons teksthoofdstuk deelt Jacob aan Rachel en Lea mede, dat de Heere hem verschenen was en gezegd had, dat hij weder moest keeren naar Kanaan — en de Heere bemoedigt Jacob — door Zichzelf te kennen te geven, met dit woord : „Ik ben die God van Bethel".
Kon God troostvoller tot Jacob gesproken hebben, dan waar Hij Zich openbaarde als „de God van Bethel" ? !
Wat lag er niet veel in opgesloten ; kort gezegd dit: „Jacob, Ik ben de Waarmaker van al Mijn Woord".
Ja, het is van denzelfden inhoud, wat de Heere betuigt door den mond van een der Profeten: „Want Ik, de Heere, ' word niet veranderd ; daarom zijt gij, o kinderen Jacobs! niet verteerd" (Mal. 3 vers 6).
Lezer (es), weet ge wat feitelijk de kern is, de diepte van deze verzekering Gods aan Jacob ? Zou het niet zijn, onduidelijk voor oogen te stellen: de Heere begint de Heere zet voort, de Heere voleindigt. Want immers, aan Jacob was de belofte gegeven, maar de Heere weet „hoe zwak van moed, hoe klein Zijn volk is van krachten" en daarom! Hij komt bij vernieuwing, bij verdieping, die Zijnen bepalen bij Zijn eeuwige Verbondstrouw ! En o! wanneer in den smeltkroes der beproeving, te midden van de bestrijdingen: „waar is God, op Wien gij vertrouwdet", opnieuw des Heeren belofte komt, de heenwijzing naar Zijn trouw —dan wordt het „goed", in den waren, diepen zin des woords.
„Ik ben die God van Bethel”.
Zal nu deze goddelijke trouwverzekering ons persoonlijk als zoodanig verkwikken, dan is het duidelijk, dat de ondervinding van een Jacob ons niet geheel en al vreemd moet zijn. Kent de mensch geen „Bethel", zoo kan het woord : „Ik ben die God van Bethel" hem noch sterken, noch troosten.
En neen! 's Heeren wegen zijn geen eenvormige wegen! God is Souverein — óók in het toebrengen van zondaren — maar toch ! daar is wel eenheid in al die wegen, n.l. dat de toe te brengen zondaar (zondares) leert: „al mijn gerechtigheden zijn een wegwerpelijk kleed" ; dat „gekend" wordt, meer of minder : het neervallen op 't vlakke des velds, daar in de eenzaamheid, de nacht, waarin 't zoo donker is.
„’k Wou vluchten, maar kon nergens heen, Zoo dat mijn dood voorhanden scheen. En alle hoop mij gansch ontviel. Daar niemand zorgde voor mijn ziel!”
(Psalm 143).
En — zoo gekneld liggend in banden des doods (Ps. 116) werd het, uit diepten van ellenden een roepen tot Hem, Die heil kan zenden (Ps. 130) — en „toen hoorde God " (Psalm 116). Wanneer gij nu „iets" van deze zuiver Schriftuurlijke bevinding verstaat, hoe is het niet noodzakelijk, dat ge steeds weer, steeds meer bepaald, wordt bij 'des Heeren eeuwige goedertierenheden !
De Heere is getrouw — Hij voltooit Zijner handen werk (Ps. 138) — Hij is: : Die God van Bethel!
Zalig daarom hij (zij) die in dit leven Jacobs God ter hulpe heeft (Psalm 146), dan wordt het beleden : ik kom om, maar de Heere is getrouw; ik moet minder worden, opdat Christus meerder worde; dan is daar een rijke Christus voor een arm zondaar !
O, dan wordt het beleden met een Jacob : „Heere, geringer dan al Uw weldadigheden!"
Lezer (es), welk een getrouw God voor een ontrouw volk, welk een barmhartig Hoogepriester, Christus Jezus, Die ingaat in de ontrouw van Zijn Kerk, om te zijn een volkomen Zaligmaker. Welk een rijke Geestesleidingen, om in de duisternis van de waarachtige ellende-kennis het licht te doen opgaan! |
Zalig hij, die in dit leven Jacobs God tot zijne hulpe heeft.
Slaat dat: „zalig" op u ? ! Ernstige vraag — beantwoordt haar in de binnenkamer !
Is daar reeds „strijd" in uw ziel, komt Satan met zijn : „voor u is 't niet" — o, hoort het dan: waarom was de Heere Jacobs God — terwille van Jacob ? — duizendmaal neen! Jacob was een diep-schuldig zondaar, 't Was enkel Genade God de Heilige Geest leide u steeds meer, als een „arme en ellendige", tot den troon aller Genade, om daar te leeren, Jesaja 66 vers 2 : „op 'dezen zal Ik zien, op - den arme en verslagene van geest".
Zalig hij, die in dit leven Jacobs God tot zijne hulpe heeft — want dat is zaligheid", vandaag, morgen, tot in eeuwigheid — want die God is : „de God, van Bethel!"
„Ik ben die God van Bethel". Genesis 31 vers 13a.
Schl.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juni 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juni 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's