De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

13 minuten leestijd

DE NIEUWE BROCHURE
De rij van de brochures en geschriften vanwege den Geref. Bond uitgegeven is weer met een nieuw boekske uitgebreid.
We hebben ons Gedenkboek —dat wij nog altijd ten zeerste aanbevelen bij de leden van onzen Geref. Bond en bij degenen, die in het leven van onzen Bond, met z'n beginsel, ontstaan, uitbreiding en werkzaamheden, belang stellen. Voor de geringe prijs van ƒ 1.70 is het bij de Administratie van „De Waarheidsvriend" te Maassluis te verkrijgen.
Dan is er de belangrijke brochure : „Ons Kerkelijk standpunt", waaruit men zien kan wat het Standpunt van onzen Bond altijd geweest is en nog is. Recht door zee — is onze leus.
Het boekje : „Over de leervrijheid in de Ned. Herv. (Geref.) Kerk" blijft van belang. Wat men anders hier en daar lezen en verzamelen moet in zake de Synodale Besturen-organisatie, de pogingen tot afschaffing van de belijdenis en de pogingen tot handhaving daarvan, met allerlei belangrijke adressen, bescheiden, antwoordden en weder-antwoorden — vindt men hier bij elkaar gebundeld, opgediept uit de officiëele bescheiden. En men weet, dat dit mi juist weer aan de orde is, zoowel in als buiten onze Herv. Kerk.
Dan liggen er de mooie boekjes : „Separatisme en wereldgelijkvormigheid", „Belijdenis doen" en „De Afscheiding en wij".
Ook het boekje over : „De Richtingen in de Ned. Herv. Kerk".
Het boekje : „Beginselen van Geref. Kerkrecht" met een bespreking van de oudste Kerkorde : de Wezelsche Artikelen, is ter beschikking van ieder, die in deze dingen belang stelt en de oorspronkelijke beginselen van Geref. Kerkrecht wil leeren kennen.
Ook is er een boekje over : „Het duizendjarig vrederijk op aarde" of „de leer van 'het Chiliasme".
En nu is er bij gekomen het mooie, fijne Referaat door ds. Woelderink gehouden op de laatste, druk bezochte Jaarvergadering te Utrecht: „De Geestelijke nood van dezen tijd".
Wij verheugen er ons over, dat men nu in staat gesteld is om dit ernstige, degelijke woord van ds. Woelderink nog eens rustig thuis te lezen en dat men dit boekje nu gemakkelijk op breede schaal kan gaan verspreiden.
Er is een behoorlljke oplage van gemaakt, omdat wij vast gelooven, dat velen, zéér velen dit woord willen lezen, overdenken en bespreken. En daarom rekenen we er nu op, dat de leden van onzen Bond en de lezers van „De Waarheidsvriend", de verspreiding van deze brochure aanstonds zullen ter hand nemen.
Men wil natuurlijk zelf dit boekje hebben. En men zal geen gelegenheid laten voorbijgaan, om deze lezing anderen ter hand te stellen !
Het Hoofdbestuur rekent er vast op, dat de verkoop van dit referaat aanstonds vlot van stapel zal loopen.
Wie wil ons in deze helpen ?
De Administratie te Maassluis wacht uw orders !
En de Heere zegene dit woord aan veler harte.

KOHLBRUGGE.
Het bouwen en vertrouwen op de heiligmaking:
(1).
Het moeilijke stuk bij Kohlbrugge is de heiligmaking, het heilig leven des christens. De vruchten van de heiligmaking mist de geloovige zoo dikwijls. En als hij op de heiligmaking bouwt en vertrouwt „dan zal men zich kruit verzameld hebben, waarmede men in de lucht vliegt, zoodra de eerste vonk van de begeerlijkheid des vleesches daarmede In aanraking komt" (Twee leerredenen over Pilipp. 3, tolz. 7).
De Apostelen hebben — aldus Kohlbrugge — de Gemeente een ander fundament ter zaligheid willen geven, om ze geduriglijk eenig en alléén bij dat fundament te houden en te bewaren ; en dat fundament is de rechtvaardiging des goddeloozen zonder de werken der Wet door het geloof in Jezus Christus, den Heere onze Gerechtigheid.
Dat wil niet zeggen, dat de Apostelen niet gesproken hebben over de heiligmaking en de goede werken ais vruchten der dankbaarheid. Maar nooit als grond voor de zaligheid van een geloovige, die met Paulus telkens moet uitroepen (want Rom. 7 geldt den bekeerden Paulus en ziet niet op den onbekeerden Paulus) : „ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods”.
Zoo kan de heiligmaking nooit de grond, ook niet een stukje van het fundament worden. Dat is de rechtvaardigmaking. „En bij de rechtvaardigmaking moeten we gedurig blijven, om uit kracht daarvan in waarachtige heiligmaking voor God en menschen te wandelen". Onze gezindheid en onze wandel zal voor God moeten worden geregeld uit kracht van de rechtvaardigmaking, maar hoe zullen wij in den rechten staat voor God zijn en blijven, in overeenstemming met de Wet Gods zijn en blijven : door de heiligmaking of door de rechtvaardïgmaking ? Waar ds de geloovige, die steeds gezond in het geloof is ? Zal hij zich niet dikwijls krank bevinden in het geloof ? Maar voor de zoodanige heeft de rechtvaardigmaking niet haar kracht verloren. Want de rechtvaardigmaking in Christus is voor den goddelooze, zonder de werken der Wet, door de toegerekende gerechtigheid van den Borg aan den zondaar, die alleen maar schuld heeft en geen penning om bij te passen, zelfs geen zucht en geen traan. Daarom moet voortdurend gepredikt worden het geloof en de geloovige tot het geloof aangespoord worden, en daarbij steeds gewezen worden op de rechtvaardiging uit het geloof, opdat hij niet tevergeefs geloopen zal hebben.
Wee de geloovige, wee de Gemeente, als men zich van de rechtvaardiging des zondaars enkel en alleen door 't geloof, afwendt, om zich op andere dingen toe te leggen, 't welk toch de vrome mensch o ! zoo gaarne en o ! zoo dikwijls doet.
„Dezelfde dingen aan u te schrijven, is mij niet verdrietig, en het is u zeker" zegt de Apostel Paulus (Filipp. 3). Hij weet dat men de schapen in een kuil jagen wil. Men gaf aan de Filippenzen dit misleidende en op een dwaalspoor brengende antwoord : „Gij moet u laten besnijden, gelijk God door Mozes geboden heeft". En een deel der Gemeente schonk er geloof aan. Men loochende met de rechtvaardiging door het bloed van Christus, maar dat was niet genoeg voor vélen en men begon andere .dingen na te jagen. En zich afkeerend van „de rechtvaardiging alléén", begon men zich op andere dingen toe te leggen. „Trouwens" zoo zegt Kohlbrugge „het moet ons wel duizendmaal gezegd worden, dat wij goddeloozen zijn met al onze aanmatiging van kunnen en moeten; en dat wij als goddeloozen voor God gerechtvaardigd worden in de toegerekende Borggerechtighedd van Christus. En het is eene geweldige liefde (zooals Paulus had), die niet het geduld verliest, om ons steeds dezelfde dingen te zeggen en ons bij het rechte geloof te houden, waar zij ons telkens opnieuw in het Roomsche geloof aantreft, dat n.l. de mensch zalig wordt, voor een grooter of kleiner deel, of geheel, door zijne werken. Het verdriet echter de liefde niet, het oude, het eenvoudige en ware, het alleen zaligmakende steeds opnieuw in te scherpen; en de geloovige wordt des te zekerder in de hoop der heerlijkheid, en des te vaster in de volharding bij het goede werk, hoe meer hij hiervan verzekerd is, dat bij daarboven een genadigen God en Vader heeft. Die hem om Christus' will al zijne zonden vergeven heeft”.
Dat is de gezindheid, welke men hebben moet van binnen, om zalig te worden; dat nu is de grond, waarop alles vast staat en groeit, wat tot de Gode welgevallige vrucht behoort; de hemelsche Landman verheugt Zich, als Hij deze vruchten des Geestes ziet bij Zijn kinderen, die roemen in toet kruis; dat is de regel voor allen, die den goeden, heiligen, volmaakten wille Gods betrachten mogen.
„De Gode welaangename wandel is : dat wij alles overboord geworpen hebben, wat der Wet is, alles overboord geworpen hebben, wat wij ais ónzen roem zouden willen aanmerken, en waardoor, wij een houvast in ons zelven en voor anderen zouden wenschen te vinden — derhalve overboord werpen alle zelfheiliging en eigene heiligheid; al datgene, waarmee een mensch zich als uit de werken meent te kunnen rechtvaardigen voor God.; — dat wij daarentegen zoeken de overvloedige kennis van Jezus Christus, en er naar staan, dat wij in Hem mogen gevonden worden, opdat wij zoo gewaar worden aan ons , en in ons de zalige vruchten en gevolgen, welke deze kennis van Christus en dat „in Hem gevonden worden" medebrengt.
Wij moeten ons daarbij niet houden voor dezulken die uitgeleerd zijn in deze kennis van Christus. Wij hebben veeleer ons te gedragen als degenen, die in de loopbaan loopen, welke den uitgeloofden prijs brachten te verwerven en deswege hoe langer zoo meer hun loop versnellen en zich uitstrekken, om den eindpaal te bereiken. Zóó moeten wij ons uitstrekken en inspannen om te komen in den weg des geloofs om de eene gerechtigheid tot de andere gerechtigheid in Jezus Christus en wij hebben daarop uit te zijn, dat wij in deze rectvaardiging als goddeloozen, in Christus Jezus als arme zondaren blijven, opdat wij de vrucht des levens en de kroon der gerechtigheid in dien weg mogen verkrijgen. Deze groote zorg moet niet zijn er zelf wat aan te kunnen en te mogen toevoegen, tot eere en glorie van den mensch, maar ons worstelen en strijden moet zijn, om te mogen bezitten, te mogen vasthouden, wat we in Christus hebben.
„Het kan niemand, die de eigene verdraaidheid en de ondankbaarheid des harten tegenover de liefde van Christus heeft leeren kennen, bevreemden, dat hij vroeger de woorden des Apostels (Filipp. 3 : 11—14) zóó opgevat heeft, als leidden zij van de rechtvaardiging tot eene zoogenaamde heiligmaking — want hij heeft het bij zichzelven ondervonden, dat het moeten en kunnen in den mensch zich handhaaft, zoolang de mensch niet door de Wet der Wet gestorven is, om Christus Jezus te leven". Maar is bij daartoe gekomen, dat hij geleerd heeft, dat hij der Wet geen enkele .gerechtigheid kan toonen, dood en onvruchtbaar zijnde uit en van zich zelf — dan komt het „om Christus te leven". En is hij daartoe gekomen, dan ziet hij zich door de verzen 10—14 weer tot de woorden van vers 9 teruggeleid : „En in Hem gevonden worde, niet hebbende mijne rechtvaardigheid, die uit de Wet is, maar die door het geloof van Christus dus, namelijk de rechtvaardigheid, die uit God. is, door het geloof" (Pilipp. 3:9). En is hij daartoe gekomen en tot de reehtvaardigmaking door het geloof teruggeleid, dan mag hij daarin steeds dieper worden ingeleid, om uit te roepen : „O diepte des rijkdoms en der wljsheid, der ontferming Gods over ons in Christus Jezus!" (Twee leerredenen: Fipp. 3, blz. 1).
(Wordt voortgezet).

De geestelijke ontwikkeling van Groen en de ontwikkeling van ons Volksonderwijs. (4)
Zoo zou van der Brugghen dus de leiding inzake de Onderwijswetgeving en de oplossing van het .Schoolvraagstuk op zich nemen (1856).
Wat is dat op een bittere teleurstelling voor Groen — en waarlijk niet voor Groen alleen — uitgeloopen. Temeer pijnlijk, omdat van der Brugghen te voren het een eer zich rekende deel te hebben in den smaad der Antirevolutioniairen en als Vriend van Groen mede een vriend van het christelijk onderwijs was (oprichter van de eerste christelijke school te Nijmegen, van „De Klokkenberg" enz.). Hoe had hij niet met Groen gestreden tegen de verontchristelijking van het volksonderwijs! En nu werd door den vromen Mr. van der Brugghen, die zoo geheimzinnig deed op Oud-Wassenaar, toen hij de opdracht tot Kabinetsformatie in de zak had, een wetsontwerp ingediend, waarover Groen tranen geschreid heeft. Want het was een ontwerp, dat in hoofdstrekking geheel overeenkwam met de wet van Van Reenen, uit het ministerie Van Hall ons bekend, tegen welke wet ook van der Brugghen zijn stem had verheven met kracht! Het Ministerie, dat zijn ontstaan (1856) dankte aan de krachtige actie tegen de gemengde Staatsschool met haar kleurloos en waardeloos Christendom boven geloofsverdeeldheid (mag van een cirkel gezegd worden, dat zij niet rond mag zijn of van een vierhoek, dat zij geen vier zijden mag hebben ? ) diende nu eenzelfde wet in, „waarin de natie werd vastgeklonken aan een school, waaruit alles waarin de voorliefde van den Nederlander of Christen zou worden bespeurd., als „verboden waar" moest worden geweerd.”
Dezelfde hoofdgedachte van de vorige wet; ja, eigenlijk , ging het nog scherper dan bij de vorige wet in tegen Groen's gedachte. Want er was nu geen schijn of schaduw van mogelijke splitsing der openbare school naar gezindheden. In de vorige wet was sprake van „een eerbiediging van de godsdienstige begrippen dier gezindheden waartoe de schoolgaande kinderen behooren", waardoor het z.g.n. „leerstellig godsdienstonderwijs" naar de overtuiging der ouders op de gesplitste openbare school nog tot uiting kon komen, 't Werd nu : absolute neutraliteit voor de Overheidsschool. Al telt de school niets dan Roomsche kinderen of niets dan Gereformeerde kinderen, toch is de absolute neutraliteit eisch. Want art. 23 zegt 't onverbiddelijk: „De onderwijzer onthoudt zich van iets te leeren, te doen of toe te laten, wat strijdig is met den eerbied, verschuldigd aan de godsdienstige begrippen van andersdenkenden." Maar „voor de leus" wordt dan het woord „christelijk" gebruikt — aldus Groen — want bij „volstrekte neutraliteit" op alle scholen (in Roomsche en in Protestantsche streken van ons Vaderland) bij absolute negatie van alles wat op karakter-Christendom, en karaktergeloof gelijkt, moet men daar het onderwijs (en welk!) dienstbaar maken „aan de opleiding der kinderen tot alle Christelijke en maatschappelijke deugden".
Groen streed als een gewonde leeuw om ons land voor zóó heilloos eene regeling van het schoolwezen te bewaren. Wie leest wat deze christen-staatsman zegt in zijn strijdschrift „Over het Ontwerp van Wet op het Lager Onderwijs", 's-Gravenhage 1857 — voelt hoe zwaar de rampvechter van het christelijk onderwijs bij het optreden van zijn „vriend" Van der Brugghen heeft geleden, 't Ging niet om personen te treffen, maar om voor de beginselen op te komen, dat Groen in 't strijdperk trad. Droeviger, dramatischer moment kent onze parlementaire historie schier niet dan de strijd, van Groen tegen Van der Brugghen, van wien Groen in z'n bovengenoemd strijdschrift zegt: „De
gestadigheid zijner ongestadigheid geeft te meer bewijs voor wat ik in de 2de Kamer zeide : hij is een exceptioneel mensch en kan doen wat in een ander onoprecht zijn zou, zonder onoprechtheid".
Men ziet: Groen wist den persoon van Van der Brugghen hoog te houden ; hij tastte zijn karakter niet aan (voorbeeld van hoogstaande polemiek). Maar vriend en vijand moest toch eigenlijk zeggen : dat het onbegrijpelijk was, dat Van der Brugghen op die manier handelde.
Mr. W. J. van Weideren baron Rengers schrijft in z'n Schets eener parlementaire geschiedenis van Nederland van 1849—1891, 2de dr. Den Haag 1907, Deel I blz. 159 : „Dat deze verklaring van een staatsman (n.l. van der Brugghen), die drie jaren geleden als vertegenwoordiger van de antirevolutionaire richting, naast Groen in het parlement zitting had genomen, groote verbazing teweeg bracht, behoeft geen betoog".
Waar er zijn (o.a. jhr. mr. J. de Bosch Kemper) die zeiden, dat Groen ten onrechte van Van der Brugghen een Schoolwet in christelijken zin verwachtte, want dat men te voren kon weten, dat zulks niet zou komen — daar blijft Groen beweren, dat Van der Brugghen die zich te voren tegen het wetsontwerp van Van Reenen had verzet en bij de bespreking met Groen over de Cabinetsformatie zich van Groen's medewerking wilde verzekeren in zake de onderwijsregeling, niet had mogen komen met een voorstel, dat Van Reenen bijviel en tegen Groen inging.
En nu behoeft men nog niet te spreken van „de renegaat der Christelijke partij en bondgenoot van Thorbecke", maar Van der Brugghen heeft toch z'n geschiedenis en z'n vorig optreden verloochend en heeft ons een Schoolwet gegeven, waaronder ons volk heeft moeten zuchten en die een zee van rampen over ons land heeft uitgestort. Zij heeft dezelfde beginselen in zake het schoolonderwijs — en de opvoeding aldaar ~ gehandhaafd en bekrachtigd, die zelfs godsdienstige ouders hebben doen besluiten om het Vaderland te verlaten en naar Amerika te gaan, waar men vrijheid voor het kerkelijk leven (denk aan de jammeren uit de dagen van De Afscheiding) en vrijheid voor het schoolonderwijs hoopte te vinden.
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juni 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juni 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's