MANKE MURK
EEN VERHAAL UIT HET FRIESCHE VOLKSLEVEN
Met toestemming uitgever J. H. Kok te Kampen
Derde Hoofdstuk.
Sinds hun kennismaking had Murk nu in het huis van vrouw Kalma als huisgenoot gewoond en niet één van allen, die dit ooit berouwd heeft, 't Was de weduwe geweest alsof zij besefte, dat die jonge man een zegen in haar woning zou brengen, en het leed geen twijfel, of hij was hier in 's Heeren weg, zoodat zij alles volkomen gerust kon overgeven. Stond daar niet geschreven, dat God een Vader der weezen en een Rechter der weduwen is, die hen in hun kommer staande houdt ? Mocht hij vooral gedurende de laatste dagen de wonderlijke leiding Gods in zijn leven niet opmerken en had hij daarin geen zeker onderpand voor verdere genade ?
Vandaar, dat hij zoo moedig dien eersten morgen met zijn kar het veld inging en gedurende al de jaren, die hij als koopman werkzaam was, ruimschoots zooveel verdiende, dat hij niet alleen voor zichzelf kon zorgen, maar ook nog meedeelen aan de nooddruftigen.
Natuurlijk konden de menschen er niet over uit. De een had dit, en de ander weer iets anders op of aan te merken. Die het goed meenden, vonden het van vrouw Kalma verstandig om op deze wijze in haar behoeften te voorzien, al zou zoo iemand als manke Murk nu wel geen groote voordeelen aanbrengen. Maar commensaals, die het wèl betalen konden, waren nu eenmaal niet genegen in dit huis in de Kerkstraat te gaan wonen, en zij was er ook niet op ingericht om „heeren of dames" te houden. Of de weduwe evenwel verstandig deed met dézen jongen man bij zich te nemen, was een andere vraag. Velen vonden van niet. Murk was immers een stumperd, die mank liep en meer dan genoeg aan zichzelf had, en dan daarbij een heilsoldaat. Men had hem wel eens met een ,,Strijdkreet" aan de deur gehad en Wanneer „het Leger" ergens een landdag of een buitengewone meeting of samenkomst hield, was hij gewoonlijk óók van de partij, en dat sloeg bij de massa nu eenmaal niet in. Kerkelijk waren de meesten niet, al zou men zich beleedigd achten voor goddeloos te worden gehouden, maar van die „halleluja-beweging" moest men óók niets hebben. En dat nu vrouw Kalma, wiens voet tenslotte onder allemans tafel stond, zoo'n man „inhuldigde" ! Dat was zeer bedenkelijk en zou wel eens op groote schade voor haar kunnen uitloopen. Als de dominé hiervan kennis kreeg, zou hij zeker boos worden en nooit weer een voet binnen haar deur zetten, omdat hij nu eenmaal niets verdragen kon, dat zich tegenover hem plaatste. Wilden de menschen niet hij hem naar de kerk gaan, dat was hem goed, maar iets anders tegenover zich te zien, was voor hem onduldbaar.
Vrouw Kalma liep dus kans den dominé tegen zich te krijgen en daarmede de diaconie en de heele kerk, en dat zou haar zeker in haar weduwstaat niet passen. Hoe dan ook de mevrouw van den fabrieksdirecteur er toe kwam, om manke Murk hier bij de weduwe aan te bevelen, leek velen een raadsel, 't Zou wel zóó zijn, dat haar vader op deze wijze van hem zocht af te komen en tevens een armlastige minder zag te krijgen. Weer anderen schreven de komst van Murk in dit huis aan het goede hart van vrouw Kalma toe. Zoo'n stumperd moest toch ook een onderdak hebben ? Tot hiertoe had zij met haar man nergens anders voor geleefd dan voor den arbeid, om geld te verdienen en vooruit te komen. Van den morgen tot den avond hadden beiden met kracht gewerkt en door zuinigheid en spaarzaamheid en overleg velen van huns gelijken achter zich gelaten en daardoor een zekeren welstand verkregen, welke hun door sommigen werd benijd.
Zoo hadden zij hun huisje over gespaard, zoodat dit dus eigendom was, en ook nog wel iets méér, maar vandaar, dat alle aanvragen voor liefdadige doeleinden eenvoudig werden afgewezen, 't Kon er niet af, omdat men maar één ideaal had : vooruitkomen in de wereld.
Nu Kalma overleden was, scheen de wind uit een anderen hoek te waaien, althans de weduwe gaf nu wel eens, waar in vroegere tijden elk, die om hulp vroeg, werd weggestuurd. Wèl een bewijs dus, dat dit het werk van haar overleden man was geweest, en hij blijkbaar niet wilde, dat zij goed deed. Zoo zou dus het opnemen van manke Murk in dit huis een werk van medelijden zijn — waarvoor haar misschien door dezen of genen óók nog wel de handen gestopt werden.
Maar toen het goed ging, toen de handel van Murk zich zienderoogen ging uitbreiden, toen hij 's avonds met steeds grootere vrachten thuis kwam, tengevolge van het inkoopen van allerlei dingen en daartegenover de inhoud van de bovenste afdeeling in zijn kar geregeld vermeerderde, — toen werd het anders.
„Die manke Murk wordt maar een heele koopman", zeiden de menschen. Vóór hij des morgens uittrok, kon het gebeuren, dat een groep nieuwsgierige buurvrouwtjes zich rondom de kar gingen scharen, om den inhoud na te speuren en het daarbij al wederom niet aan de noodige opmerkingen te laten ontbreken. De één vond mooi, wat de ander leelijk noemde, doch niet zelden werd het eerste handgeld vlak bij huis gebeurd, omdat men de verzoeking niet weerstaan kon eenige van de prachtige vaasjes of schilderijtjes, of wat meer ten verkoop aanwezig was, naar eigen kamer te doen verhuizen.
En toen onder al deze bedrijven door vrouw Kalma in denzelfden staat bleef, waarin zij was, en aan niets te merken viel dat de kostwinner was heengegaan, toen duurde het niet zoo lang of er werden onder de ééns zoo beklagende buurvrouwtjes óók wel gevonden, die nog aan iets anders dachten, 't Was alleen maar jammer, vond een hunner, dat vrouw Kalma en Murk nog al wat in jaren verschilden en zij bovendien nog vier kinderen had, die allen den weg door het leven moesten zoeken, .maar anders ? En toen in de anders vrij rustige straat eens een heftige ruzie oplaaide, doordat de kleine meid van de weduwe per ongeluk haar bal door een der ruiten wierp van de woningen aan den overkant, toen kwam ook de naam van Murk al heel gauw voor onder den stroom van woorden, die van de lippen vloeiden der spraakzame vrouwtjes.
Zwijgend hoorde vrouw Kalma de bittere woorden, die aan haar adres gericht waren, aan, en sloot haar deur. Doch juist daardoor vergrimde men temeer tegen haar. 't Was zoo iets ongewoons. Voorheen zou zy om zulke beleedigingen zijn opgestoven en het antwoord niet zijn schuldig gebleven aan wie haar durfde aanranden, vooral in haar eer. Nu zweeg zij en ging stil haars weegs.
Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juni 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 juni 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's