De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

Wankelmoedig- en toch onwankelbaar

7 minuten leestijd

David zegt van iHem : „Ik zag den Heere ten allen tijde voor mij ; want Hij is aan mijn rechterhand opdat ik niet bewogen worde. Handelingen 2 : 25.

David was niet bang, vooral niet toen hij jong was. Moedig als "n leeuw, dacht hij — de herder - niet aan vluchten. Er was geen sprake van om het veege lijf te bergen.
Zoo was het aan het begin, maar later werd dit anders.
Zoo was het nog toen hij voor geen reus, voor geen Goliath zelfs op zij ging. Zoo was het telkens als hij de Filisitijnen sloeg, waardoor tenslotte Israels rijksstaat op zijne lauweren rustte.
En toch, die David , hoe wankelmoedig was hij. Hoe kroop hij weg voor Saul, bang een dezer dagen nog door zijn hand, nog door verraad te vallen. Dat David zich op 'n afstand hield, hoeft ons niet te verwonderen. Hij wist dat hij op diens hulp niet hoefde rekenen. David, hoe moedig op het veld, waar hij de schapen hoedde, hoe moedig ook op het oorlogsveld, — hij was beducht voor menschen die zijne ziel zochten. Dan school hij weg — ja achter wien zou hij zich schuilen, dan school hij in zijn God. Dan deed hij als Gods Kerk, die in den Christus wegschuilt en die weet dat, al is Christus uit het oog verloren, al is Hij ook gestorven, dat Hij is opgestaan.
Naar Petrus' verklaring zijn Davids psalmwoorden hier in de tekst een stellige profetie van Christus en van Zijn opstanding. Wij hooren, doordat hij Christus zelf laat spreken, niet meer de persoon van David, maar Christus' eigen woorden. De zanger van Psalm 16 is hier profeet, die boven zichzelven uitgaat. Hij aanschouwt de heerlijkheid van den Messias, die in zijn lendenen besloten was.
Daar het leven zoo anders was dan rust en veiligheid en donkere wolkgevaarten telkens opdoemden en zijn horizont ontnamen, daarom riep David uit, als het hem anders bang, zelfs doodsbenauwd was : „ik stel den Heere geduriglijk voor mij ; om.dat Hij aan mijn rechterhand is, zal ik niet wankelen". Aan Davids troon werd hard toch aan geschud. Het was des Heeren hand, die den eenen zoon na den anderen hem ontnam. Om zijner zonden wil was het een huis, dat tegen zichzelf verdeeld was, een huis dat niet bestaan kon evenmin als eens het huis van Saul.
David, zoo zeer begenadigd door zijn God, hij wist zeer goed, dat hij die genade geheel en al verbeurd had.
Maar dat hij vasthield, als het hem bang was, vast niet aan zichzelf, ook niet aan eigen huis, maar aan de beloften over eigen huis, vast aan de beloften des Heeren, dat maakte dat hij, neen, niet van schrik versmolt. Hij stelde de beloften Gods voor oogen, waarin hem toegezegd was, dat zijn huis in eeuwigheid niet zou wankelen.
Hoewel de toestand verre van rooskleurig was en de toekomst van zijn huis zich zeer ongunstig liet aanzien, zoodat zijn hart van vreeze moest vervuld zijn, tenslotte dan borg de oude man zich in zijn God, in Wien hij geborgen was voor tijd en eeuwigheid. En dit te mogen en dit te kunnen doen is immers een geloofsdaad. Toen hij zichzelf en God vergeten had, en daardoor de eerloosheid ten prooi was, toen vrienden in hem waren teleurgesteld en vijanden hem bespotten en zoodoende niemand had, zei hij : bij U schuii ik, Heere. Hem stond niets anders voor dan dat God de goddelooze rechtvaardigt door de verlossing die er in Christus is. Dat was ook Petrus' toevlucht, de toevlucht van gansch Gods Kerk, die zich als zondaar heeft leeren kennen. Petrus, toen hij werd aangevallen, en met 'n kleine schare Gods zaak verdedigen moest, toen vluchtte hij, als apostel, in de spelonk van David. Hij de apostel, door 's Heeren Geest bezield, hij greep toen naar het psalmwoord. Hij voerde hem aan, die op zijn stervenssponde juichte over dood en graf en nog met brekende oogen het licht van Gods lieflijk aangezicht in Zijnen Christus zag, waardoor hij met heilig verlangen de stonde zijner ontbinding verbeidde om eeuwiglij'k volle verzadiging van vreugde voor het aangezicht zijns Gods te genieten. De apostel getuigde met de vromen van den ouden dag. Ofschoon uit Davids eigen geestelijk leven deze psalm is voortgesproten, toch was hij zich bewust dat hij door den Heiligen Geest van den toekomstigen Christus sprak en van iets, dat eerst in dien Christus ten volle vervuld zou worden. En zonder Davids eere daarmee te na te komen, kon Petrus zeggen, dat zijn psalm in het diepst van zijn wezen op een ander zag. Want neem Christus eens weg dan kon David zoo niet spreken. Dan valt heel de psalm ineen.
De gemeente des Heeren mag zoo zingen en het geldt zeer zeker hen. Maar neem Christus eens weg en dat volk des Heeren is niets. Het kan niet meer zingen, is zonder hope. Evenals Petrus zonder levende hope was, als Hij niet opgestaan was. Dan waren alle psalmen en elke prediking ijdel — ijdel ons geloof !
Christus, die zooveel het vleesch aangaat uit David voort zou komen en naar den geest in hem gezongen heeft. Hij is alleen de overwinnaar van den dood. Hij is de Eerstgeborene uit de dooden. En door Hem mag Zijn gemeente het Hem nazingen, waar Hij is voorgegaan. Waar de Farizeën met een deel der Joden wel 'n opstanding der dooden ten laatsten dage geloofde, maar geen gedachte had aan 'n sterven en opstanding van den Messias, was het noodig en liet Petrus het hun hier uit de profetie gevoelen, dat de Christus uit de dooden opstaan moest. Als Hij niet opgestaan was, dan ware Davids levenszon met Christus nog in den nacht geëindigd. Als dat niet voor hem vaststond, vastlag in zijn God, dan had hij het moede hoofd niet rustig kunnen nederleggen. Maar hij hield Hem voor oogen, dan had. hij niets te vreezen. Hem stelde hij voor oogen, temidden der belagers. Hem die al zijn vijanden door het heilig recht des Heeren zou maken tot 'n voetbank zijner voeten.
Want ondanks zichzelf en eigen huisgenooten en ondanks zooveel zonde, zou zijn huis op gerechtigheid gegrond zijn.
Christus stond hem voor oogen, die al zijn en Gods vijanden in het stof vertreden zou. En omdat dat hem voor oogen stond, hem zeker in het geloof was, zou hij niet wankelen. Omdat Hij aan mijn rechterhand is, zal ik niet wankelen. God vlak naast mij, daarom kan ik niet wankelen.
Ik lag en sliep gerust, van 's Heeren trouw bewust. Tot ik verfrischt ontwaakte, Want God was aan mijn zij. Hij ondersteunde mij, In 't leed dat mij genaakte. Ik zal vol heldenmoed, Daar mij Zijn hand behoedt. Tienduizenden niet vreezen,
In Davids leven de hand des Heeren staat daar gedurig achter, de Zone Davids die hem straks volgen zal en Die reeds voor hem uitgaat. In schaduwen zag hij den Christus reeds, hij zag de hand des Heeren. De hand des Heeren zag hij, hij voelde hem aan zijne rechterzij, als het hem donker werd rondom, wanneer hij wankelde.
Mijn lezer, God hield ons staande tot op dezen dag. Donkere schaduwen legerden zich misschien ook over uw woning. Als de Heere komt en Hij komt met Zijn oordeel, wie zal dan niet bewogen worden ? Als Hij schudt aan ons levenshuis! Gewen u aan den Heere om — als eenmaal de doodsnacht komt — Hem te kennen in de kracht Zijner opstanding. Al is het hier dan een gestadig sterven — de Heere leeft, want Hij is opgestaan.
Mastenbroek

P. Hakkesteegt

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juli 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juli 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's