De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

ERASMUS EN WIJ

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ERASMUS EN WIJ

Bij de 400ste terugkeer van zijn sterfdag.

11 minuten leestijd

III.
Zijn verhouding tot Luther en de Reformatie.

Zijn verhouding tot Luther en de Reformatie. Alleen wie zijn onderwerp volkomen beheerscht, is in staat om naar aanleiding van Erasmus' correspondentie het volgende (zijn leven in één enkele zin saam vattend) te zeggen : „De lezer zal hier Erasmus ontmoeten in al de wisselingen van zijn moeizamen levensloop. Als dichterlijk jongeling in het klooster, als worstelend litteraat in Parijs, als nieuweling op het veld der Godgeleerdheid; , als wereldberoemdheid, als onwillig medespeler in het drama der Hervorming, als het licht, dat in Bazel onderging. ^)
Over het gedeelte, dat wij in deze opsomming gespatiëerd lieten drukken, zal dit artikel handelen. Inderdaad is Erasmus „contre coeur" bij de Hervorming betrokken geworden.
Erasmus noemt den strijd van Luther een tragedie, o.m. omdat naar zijn meening door Luther's ruw optreden de zaak der goede letteren bedorven is. Vandaar, dat Erasmus getracht heeft zich van elken „blaam" te zuiveren, als zou hij in zijn streven met Luther op één lijn gesteld kunnen worden. Op feilen toon richt Erasmus zich tegen het verwijt, als zou hij met Luther gemeene zaak gemaakt hebben.
Toch was Erasmus aanvankelijk milder gestemd jegens Luther dan later. Op 30 Mei 1519 schrijft Erasmus aan Luther in antwoord op een vleienden brief, dien hij van hem ontving, dat zijn scherpzinnigheid hem (E.) zeer wel beviel. Naar het woord van prof. Huizinga is deze brief te beschouwen als een hoofdartikel om het publiek met zijn positie tegenover de Luther-kwestie bekend te maken. ^) Reeds aanstonds wijst Erasmus er op, dat hij in het tot stand komen van Luther's geschriften geenszins de hand heeft gehad. Dat wist Luther natuurlijk wel, doch, waar brieven in dien tijd veel meer een publiek karakter droegen, — wij wezen daarop reeds vorige maal — wilde Erasmus op deze wijze in het openbaar alle relatie met Luther tegenspreken. Herhaaldelijk hooren wij Erasmus van Luther verklaren : „Ik ken den mensch niet, en ik heb zijn geschriften nog niet eens gelezen". Waar deze echter zooveel stof hebben opgewaaid, daar zou Erasmus het betreuren, wanneer Luther's optreden de wederopbloei der letteren zou schaden, vandaar Erasmus' vermanend en tot voorzichtigheid aanmanend woord.
In steeds duidelijker bewoordingen meent Erasmus elke relatie met Luther te moeten loochenen. Hij doet dit op 19 Oct. 1519 in een schrijven aan den Kardinaal aartsbisschop van Mainz, Albert van Brandenburg, en zegt o.m.: „In de eerste plaats moet dit vooropgesteld worden, dat Ik met de zaak van Luther nimmer iets van doen heb gehad. Luther ken ik minder dan wien ook; ik heb nog geen tijd gehad zijn boeken te lezen, behalve dat ik van enkele hier en daar oppervlakkig kennis heb genomen. — Ik betreur het dat de boeken van Luther zijn uitgegeven ; toen ik weet niet welke werkjes voor het eerst begonnen te vertoonen, heb ik er naar mijn krachten toe medegewerkt te verhinderen dat ze gedrukt werden, vooral daarom, omdat ik vreesde, dat er beroering uit zou ontstaan." Inzake zijn tot kalmte en bescheidenheid aanmanenden aan Luther gezonden brief (zie boven), zegt Erasmus: „Dit hebben die groote dwazen nu zoo uitgelegd alsof ik Luther bijsprong".
Nadat in April 1521 het wereldhistorisch moment : Luther op den rijksdag te Worms, gekomen was, waar Luther's veroordeeling had plaats gehad, welke ook Erasmus' goedkeuring niet kon wegdragen, schrijft hij, om zich geheel van Luther te vervreemden, aan een Engelsch geleerde o.m. het volgende : „Mocht aan deze geschiedenis, die Luther ter kwader ure voor ons is begonnen, een god van boven een gelukkig einde bereiden !" Zoozeer wijst hij alle gemeenschap met Luther af, dat hij zegt: „Ik mag sterven, als er in de werken van Luther ook maar één syllabe van mij voorkomt, of als er één lasterlijk werk van mijn hand verschenen is ; van het minderwaardige houd ik mij opzettelijk verre. — Over den geest, waarin hij heeft geschreven, kan ik mij niet genoeg verbazen, de bevorderaars der goede letteren heeft hij geweldig gehaat gemaakt. Intusschen .heeft hij veel goede lessen en waarschuwingen gegeven". Men ziet het ook hier weer : het belang der schoone letteren gaat Erasmus bovenal. ^)
Na deze citaten, die ons een kijk geschonken hebben op Erasmus' oordeel over Luther, een en­kel woord over de wijze waarop Luther Erasmus bezag.
Dat Luther met den voornaamsten vertegenwoordiger van het christelijk humanisme in conflict is gekomen, ligt voor de hand. Luther, in de eerste plaats de man van de ervaring en het gevoel, kon geen vrede nemen met de bloot verstandelijk ingestelde Godsdienstige overwegingen van Erasmus. Niet omdat Luther te „middeleeuwsch" was om ze te waardeeren, maar veeleer omdat hij zich van meetaf eigenlijk bewust geweest is, dat het tusschen hem en Erasmus een principieel conflict gold. De waarachtige kennis van de religie van den Christus en haar wezen miste Erasmus. In zijn streven om het christendom in de cultuur te betrekken, moest het uiteraard op een veralgemeening van het bijzondere uitloopen. Luther daarentegen begreep, al is hij later aan zijn principieel uitgangspunt weleens niet volkomen trouw gebleven — dat alleen de geloofskracht, die het oudste christendom bezielde, opnieuw onderscheid kan en moet maken tusschen Kerk en wereld. We hebben bij Luther en Erasmus met niet minder dan met tweeërlei visie op Schrift, openbaring, geloof enz. te doen *). Luther aarzelt dan ook niet om ten gunste van zichzelf te beslissen, wanneer het gaat over het staan op de bres voor de Waarheid Gods. Hij had een afkeer van zoeken en twijfelen, en beide meende hij bij Erasmus te moeten constateeren. Luther hield van den eerlijken, dapperen tegenstander ; derhalve meer van Eck dan van Erasmus. Ook was hem daarom Melanchton liever. 5)
Evenmin bekoorde Luther Erasmus' methode van bijbelverklaring, vertaling en  onderzoek. Zij was hem te technisch en te zakelijk, te koel en te veel zonder gevoel. In zijn oog behandelt Erasmus den tekst van het Nieuwe Testament teveel als een oud voorwerp uit een museum en te weinig als een levend geheel. „De man vertaalt", zegt Luther, „maar hij heeft geen gevoel", 6)
Al laten zich enkele dezer ver-en geschillen voor een deel herleiden tot gevoelsoverwegingen, — toch blijkt dat Luther heel andere doeleinden najaagde als Erasmus.
„Het is (weer) de schaduwzijde van Erasmus' bijbelsch humanisme, dat het, hoe goed ook bedoeld, het Evangelie te veel waardeerde van uit den mensch, met menschelijken maatstaf, en te weinig als Genadegave Gods, openbaring. Dit scheidde hem van de Kerkhervormers, wier diep besef van zonde en schuld hij te weinig kon waardeeren, wier godsdienstig pessimisme hij onvoldoende begreep. '^) Al zouden wij een en ander wellicht anders uitdrukken — met name tegen dit „godsdienstig pessimisme gaat ons bezwaar (besef van zonde behoeft daartoe nog geenszins te leiden !) — toch gaat het principieel verschil tusschen Erasmus en Luther in deze door prof. Lindeboom aangegeven richting.
Slechts éénmaal scheen het alsof Luther zich wilde scharen aan de zijde van het nationale Humanisme, toen hij ook in 1520 zijn geschrift aan den Duitschen adel uitgaf. Spoedig heeft hij zich echter weer aan die beweging onttrokken, s)
Staat dus vast, dat Erasmus en Luther elkaar aanvankelijk niet ongenegen waren, — toen zij elkander beter kenden, bleek al spoedig dat beiden verschillende idealen nastreefden, waardoor hun verhouding tenslotte een vijandige is kunnen worden. De tegenstelling, die wortelde in een verschil van zienswijze inzake verschillende theologische en Kerkelijke aangelegenheden, moest tenslotte uitloopen in een openlijken kamp, waarin elk der beide partijen eigen positie moest bepalen.
Wij hebben hier te doen met het veel omstreden vraagpunt, of Erasmus wel den moed heeft gehad om voor eigen overtuiging uit te komen; of Erasmus 't soms uit gebrek aan durf heeft nagelaten om zich aan de zijde der Hervormingsbeweging, die door Luther was ontketend, te scharen. Men heeft Erasmus moed om voor zijn overtuiging uit te komen in twijfel getrokken, ja, hem, zelfs lafheid verweten.
Als resultaat van ons onderzoek meenen wij deze onderstelling van de hand te moeten wijzen. Het komt ons voor, dat het niet juist is. Erasmus van
dubbelhartigheid ten opzichte van de Hervorming te beschuldigen. Veeleer gelooven wij, dat Eras mus welbewust niet de zijde van Luther heeft gekozen, omdat hij het met diens beginselen in den grond van de zaak in 't geheel niet eens was. Toegegeven moet, dat er in de bestrijding van Luther's methoden steeds onduidelijkheden gebleven zijn, doch dit was meer een zaak van tactiek, die op zichzelf aan bedenking kan onderhevig zijn.
Wij durven dan ook onderstellen, dat een zóó scherpzinnig man als Erasmus was, van meetaf het verschil in uitgangspunt en doel gezien heeft. En waar het hem bijna alleen te doen was om herleving en bevordering der klassieke letteren, welke hij weliswaar aan een bijbelsch christendom naar eigen stijl wilde dienstbaar maken, daar was het gaan in de richting, die Luther aanwees voor hem ten eenenmale verboden. Wij nemen dan ook aan, dat Erasmus de kloof, die hem van Luther scheidde, zeer wel gezien heeft, en dat hem op dit punt geen oneerlijkheid ten laste moet worden gelegd. Welbewust heeft hij geen martelaar willen zijn, zegt hij ergens in zijn brieven. Hoe men ook over dit standpunt oordeelen moge, — het is een standpunt!
Het is een fout Erasmus en Luther te beschouwen als een paar geestverwanten, die feitelijk hetzelfde wilden, maar die vanwege allerlei misverstand niet aan hun doel zijn gekomen. Zij waren in het minst geen geestverwanten ! 9)
In veel opzichten kunnen wij dan ook accoord gaan met prof. Heering als hij opmerkt: „De intensiteit van het reformatorisch geloof als volstrekte erkenning van Gods majesteit, recht en genade, lag niet in zijn aard en overtuiging. Hij had een ander Godsbegrip en een andere geloofsopvatting, meer katholiek, minder rigoureus en streng, gematigd en indulgent. Een geloofshervormer kon en wilde hij niet zijn, alleen een zuiveraar van het kerkelijk en godsdienstig leven". 10)
Tenslotte een enkel woord over Erasmus' ge^ schrift tegen Luther; Over den vrijen wil.
Al had Erasmus een twistgeschrijf met Luther lang zoeken te vermijden, eindelijk kwam het er toe. La het belang van den vrede der christenheid meende hij den voorthollenden Luther, die allerwegen tweedracht en verwarring bracht, een „halt" te moeten toeroepen. — Wij treffen hier bij Erasmus een roep om vrede aan, die ook onder de christenheid van onzen tijd nog weleens opgeld doet. Toch is een polemiek, die tot afbakening van beginselen bedoelt te komen, te prefereeren boven een valschen vrede. Daarom verdiende Luther's optreden geenszins de kwalificaties, die Erasmus het verleende.
Teneinde van „succes" zeker te zijn, koos Erasmus een onderwerp, waarvan hij zeker wist, dat het Luther prikkelen zou. In vele opzichten stemden Luther en Erasmus in hun critiek overeen. Maar een bij uitstek theologisch onderwerp als „de vrije wil" was, moest Luther wel in het harnas jagen en uit zijn tent lokken. Want met de philosophische, niet op de H. Schrift gefundeerde opmerkingen van Erasmus zou Luther zeker niet instemmen. ^^)
Dat dit geschrift, dat de Pelagiaansche opvattingen der wilsvrijheid verdedigt, en waarin hij humanistisch redeneerde vanuit den mensch en diens natuurlijke vermogens ten goede, Luther naar de pen zou doen grijpen, stond bij voorbaat vast. Met klem betoogde deze dan ook, dat 's menschen wil knechtelijk is, en gebonden aan zonde en ongerechtigheid. Alleen Gods genade is machtig om den mensch uit zijn gevallen staat te verlossen.
In het stellen van dit probleem op den bodem en in het licht der H. Schrift ligt Luther's verdienste. Of hij echter over dit geweldige probleem, waarin vele andere moeilijkheden culmineeren, het laatste woord heeft gezegd, meenen wij te mogen betwijfelen. Doch zijn uitgangspunt moet ook het onze zijn, wanneer wij speuren naar meerdere klaarheid in deze belangrijke kwestie. Initium a Deo : bij God beginnen !
Spore Luther's exempel ons aan om niet op onze theologische lauweren te gaan rusten !
O.

d. Z.


1) „Woord vooraf" van prof. Huizinga in: Dr. O. Noordenbos en T. van Leeuwen, Erasmus in den spiegel van z ij n brieven, Rotterdam 1936, blz. XI.

2) Prof. dr. J. Huizinga, Erasmus, 3e herziene druk, Haarlem 1936, blz. 156.

3) Deze brieven zijn te vinden, in de in noot 1 aangehaalde uitgave.

4) Karl Holl, Gesamm. Aufs. zur Kire hengeschichte, I Luther, i& u. 5e Aufl., Tubingen 1927, S 109.

5) Holl, a.a. O. S. 411, 415, 417.

6) Holl, a.a. O. 6. 550, 552, 577.

7) Dr. J. Lindeboom, Erasmus van Rotterdam, Adam—Utrecht 1936, blz. 31.

8) Dr. F. Pijper, Beknopt handboek tot de Geschiedenis des Christenoms, 's-Gravenhage 1924, blz. 365 en 413.

9) Lindeboom, t.a.p. blz. 15 v.v.

10) Ochtendblad C pag. 4 Nieuwe Rotterdamsche Courant 27 Mei 1936.

11) Huizinga, Erasmus blz. 173 v.v. Met de conclusies op blz. 176 (2e alin.) kunnen wij het niet in alle opzichten eens zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juli 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

ERASMUS EN WIJ

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juli 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's