Het Calvinisme en het Heden
II.
Laat ons nu zien, in hoever wij bij onze Hervormde Kerk en in 't bizonder bij de Gereformeerde richting daarin nog van Calvinisme kunnen spreken.
Nu moeten wij bij eiken godsdienst en eigenlijk ook bij iedere kerk onderscheiden tusschen den officieelen godsdienst of de bovenstrooming en den volksgodsdienst of de onderstrooming. Die twee stroomingen hebben we ook in onze Hervormde Kerk. En dan kunnen we zeggen, dat onze Hervormde Kerk, wat haar belijdenis betreft, dus officieel nog Calvinistisch, althans Gereformeerd is. De belijdenis-en liturgische geschriften zijn allen ontstaan in den bloeitijd van het Gereformeerd Protestantisme. Onze Nederlandsche Geloofsbelijdenis in 1561, onze Heidelberger Catechismus in 1563 en de Vijf artikelen tegen de Remonstranten of Dordtsche leerregels in 1618/'19.
Nu heeft Guido de Brés bij de opstelling van de Nederlandsche Geloofsbelijdenis tot voorbeeld genomen de Fransche Geloofsbelijdenis. En deze Fransche Geloofsbelijdenis is weer een navolging van de geloofsbelijdenis, die Calvijn zelf in 1557 heeft geschreven. Wij kunnen dus zeggen, dat onze Nederlandsche Geloofsbelijdenis ook Calvinistisch is.
De opstellers van onzen Heidelb. Catechismus, Zacharias Ursinus en Caspar Olevianus, waren beiden navolgers van Calvijn, zoodat we op goeden grond mogen aannemen, en dat trouwens zelf kunnen controleeren, dat onze Catechismus ook een Calvinistischen geest ademt.
Ten derde de Vijf Artikelen tegen de Remonstranten. Deze zijn opgesteld op de Nationale Synode van Dordrecht, gehouden in 1618/'19, en ontleend aan belijdenis en Catechismus. Eigenlijk vormen zij dus geen nieuwe belijdenis, maar een uitwerking op bepaalde punten van de bestaande. Ook deze Dordtsche Leerregels mogen dus Calvinistisch heeten.
Verder hebben wij nog de liturgische geschriften, waarin ook een belijdenis is neergelegd, n.l. de formulieren en de gebeden. Deze gaan eveneens grootendeels op Calvijn terug. Het Avondmaalsformulier b.v. is in bijna woordelijke overeenstemming met dat van Calvijn.
Samenvattend mogen wij dus zeggen, dat onze Hervormde Kerk, wat haar belijdenis, haar officieele godsdienst betreft. Calvinistisch is. En de predikanten daarin, die uit die belijdenis leven en spreken, zijn ook Calvinisten te noemen.
Hoe staat het nu met de onderstrooming, laat ik maar zeggen, de leeken ? Ja, dat is een moeilijker geval. Dat is minder gemakkelijk te beoordeelen. In 't algemeen schrijven zij geen boeken, waarin hun opvattingen kenbaar worden. Maar men kan natuurlijk met hen praten. Dan maakt men kennis met hun godsdienstige denkbeelden. Ook kan men vragen, welke boeken zij lezen, van welk soort literatuur zij houden. Dan blijkt, vooral in onze Gereformeerde gemeenten, dat enkelen b. v. bekeeringsgeschiedenissen en wat men dan noemt „oude schrijvers" lezen. En verder kan men nagaan, bij welke predikanten zij gaarne ter kerk gaan, en ik bedoel nu, bij predikanten van welke richting.
Zooals ik gezegd heb, wil ik mij nu enkel beperken tot de Gereformeerde richting in onze Kerk. Gelukkig zijn er nog velen, die Gereformeerde prediking op prijs stellen en belangstelling toonen voor de Catechismusprediking. Maar daarnaast bemerkt men toch ook, dat vele van diezelfde menschen behept zijn met opvattingen en gewoonten, die afwijken van het zuivere Calvinisme. Sommigen laten b.v. hun kinderen niet doopen. Anderen doen geen belijdenis. Nog anderen maken nimmer gebruik van het Heilig Avondmaal. Daar hadt u Calvijn eens over moeten hooren ! Als in Geneve 's Zondags menschen geen deel genomen hadden aan het Avondmaal, daagde hij ze nog in diezelfde week voor den Kerkeraad om verantwoording te doen van hun nalatigheid.
Waar komen die afwijkende opvattingen en gewoonten vandaan ? Ja, uit verschillende hoeken. Sommigen zelfs reeds uit de Middeleeuwen. Dan hebben de Wederdoopers in de 16de eeuw een schadelijken invloed uitgeoefend. Vele godsdienstige schrijvers uit de 17de eeuw b.v. staan onder hun invloed en ook wel onder die der Middeleeuwsche theologie. Eindelijk krijgt men in de 18de en 19de eeuw invloed van het rationalisme en individualisme.
Daar straks sprak ik even over menschen, die oude schrijvers op prijs stellen. En nu is het wel opmerkelijk, dat zij wel deze lezen, en niet Calvijn, die toch veel ouder is. Een bewijs, dat die geliefde oude schrijvers (gelukkig niet allen) toch niet denzelfden geest ademen als Calvijn, dat zij afwijkende trekken vertoonen, die er beter ingaan dan de zuivere Calvinistische leer. Let wel, hiermee wil ik niet zeggen, dat het verkeerd is om oude schrijvers te lezen. Integendeel, werd het maar meer gedaan. Indien men ze wel in huis heeft, maar ongebruikt in de kast laat staan, wordt men nog niet veel wijzer. Maar laat men een goede keus er uit doen, en ook dan nog met oordeel des onderscheids weten te lezen. Men moet maar niet alles aannemen, wat men vroeger gezegd heeft, ook al klinkt het vroom en degelijk. Velen kunnen den toets van het zuivere Calvinisme niet doorstaan. En iemand, die goed thuis is in de gezonde Gereformeerde leer, kan de afwijkende opvattingen er zoo uitlichten. Het veiligst doet men dus om Calvijn zelf te lezen en geschriften van Gereformeerde predikanten uit den tegenwoordigen tijd, waarin de Heere ons doet leven, predikanten, die zich ontworsteld hebben aan den greep van scholastieke theologie, Doopersche opvattingen en latere dwaalleeringen, en die zich wijden aan de studie van Calvijn.
Helaas zijn er ook nog onder de Gereformeerde voorgangers, die er rekening mee houden, wat de menschen in 't algemeen graag hooren en die daardoor meewerken om onze Hervormde Kerk af te breken, daar zij zoodoende kleine kringen van ontevredenen in het leven roepen, die eigenlijk niet meer in onze Kerk thuis hooren, en dat ook toonen door gescheiden te vergaderen.
Laten we nu eens zien, hoe het gesteld is met de vier genoemde leerstukken in het heden.
Het uitgangspunt van het Calvinisme noemde ik : Gods absolute souvereiniteit. God is alleenheerscher. Om Hem zijn alle dingen, ook de religie. De religie is er niet om den mensch. Toch denken velen in het heden er anders over. Prof. Berkelbach van der Sprenkel vertelde eens, toen hij nog predikant te Rotterdam was, dat hij op huisbezoek kwam bij een man, die, zooals men het dan noemt, nergens aan deed. Als herder en leeraar meende hij hem toch te moeten wijzen op het verkeerde daarvan en op den plicht van den mensch om God te dienen. »Verdien ik er soms een boterham meer mee ? « vroeg de man. »neen, een minder«, was het antwoord. »Nu, loop dan maar door«, kreeg de predikant te hooren.
Kijk, hier hebt u weer die heidensche opvatting van de religie : de religie is er om den mensch. Wordt hij er beter van, dan kan hij de religie gebruiken. Voelt hij geen behoeften, dan wordt de religie over boord geworpen.
Nu komt deze opvatting, in de grove vorm, waarin we haar in dit geval aantreffen, wel niet onder de Gereformeerde richting in onze Hervormde Kerk voor. Het behooren tot een Kerk en eenige belangstelling er voor hebben, bewijst al, dat men godsdienstig is. Maar heeft die godsdienst niet vaak een zelfzuchtig karakter ? Is het hoogste streven daarbij niet dikwijls alleen om in den hemel te komen ? Men hoopt z'n heele leven lang op deze zaligheid, terwijl men daarbij rustig in onbekeerden toestand voortleeft. En men vergeet, dat het wezen en doel der religie is God te verheerlijken in dit leven. Een onbekeerde verheerlijkt God niet. Hij voelt niets voor God. Zelfs vloekt hij Hem. Maar nu vraagt de Heere juist van ons, dat wij die vijandschap laten varen, en dat wij ons tot Hem zullen keeren, om door Hem in staat te worden gesteld Zijn lof te vermelden. En daaraan is tevens de zaligheid verbonden. Wanneer wij onze roeping meer verstonden, om in ons leven Gods naam te verheerlijken, dan zou er minder twijfel, minder onzekerheid, minder slapheid onder ons gevonden worden, maar dan zouden wij vast staan, vast oip een onwankelbaren grond, en dan zou er kracht van ons uitgaan, gelijk eertijds van het Calvinisme met zijn kloeke belijdenis van Gods absolute souvereiniteit.
Wat kunnen wij van het heden zeggen ten opzichte van het leerstuk der uitverkiezing ? Helaas, komt het tegenwoordig wat in het gedrang. Het wordt weinig meer genoemd. En toch kon het de kracht zijn van ons. Gereformeerden in de Hervormde Kerk, zooals het de kracht is geweest van het Calvinisme in zijn bloeitijd.
Nu moet men wel voorzichtig zijn met het noemen der uitverkiezing. Immers men wordt zoo gemakkelijk misverstaan. Vanouds zijn er n.l. twee verkeerde opvattingen, of liever twee verkeerde gevolgtrekkingen van de uitverkiezing geweest. En daar deze twee verkeerde gevolgtrekkingen ook nog in het heden voorkomen, moet ik ze even aanduiden.
De eerste gevolgtrekking komt voort uit licht-zinnigheid. Zij wordt gebruikt, om het leven in de zonde en het ongeloof te verdedigen. »Indien God mij heeft uitverkoren, dan kunnen mijn zonden mij niet buiten den hemel houden. En indien God mij niet heeft uitverkoren, dan is al mijn moeite om in den hemel te komen, mijn bidden en mijn zondestrijd, mijn kerkgaan en mijn ijveren voor den naam des Heeren, toch tevergeefs*. Zoo redeneert men dan.
Nu is de eerste stelling : indien God mij heeft uitverkoren, dan kunnen mijn zonden mij niet buiten den hemel houden — waar, althans in den mond van een geloovige, van iemand, die in Gods kracht met zijn oude leven getoroken heeft. Onder zonden verstaat hij in dit verband dan : de zonden, die tegen zijn wil zijn overgebleven. Een ongeloovige echter bedoelt met zonden : die, waarin hij nog leeft, waarin hij z'n vermaak vindt. En zoo wordt de genoemde uitspraak in zijn mond een leugen. Immers hij toont door zijn leven, niet aan de uitverkiezing te gelooven. God toch verkiest den mensch niet alleen uit tot de lieflijkheên van 't zalig hemelleven, maar tot een leven in Zijn dienst, in strijd met de zonde, ook reeds op deze aarde.
Wat die tweede stelling betreft: indien God mij niet heeft uitverkoren, dan is al mijn moeite om in den hemel te komen, toch tevergeefs — deze is ook onjuist.
In de eerste plaats al, omdat, gelijk wij reeds zagen, het er niet allereerst om gaat, in den hemel te komen.
Ten tweede, omdat niemand op aarde weten kan, of hij niet uitverkoren is. Wie de gedachte in zich voelt opkomen : je bent niet uitverkoren — en daarover benauwd is, kan dat gerust beschouwen als een influistering van den duivel, die hem van het heil in Jezus Christus wil afhouden. Aan zijn verwerping mag zelfs niemand gelooven. De verwerping behoort tot de verborgen raad van God. Niemand kan daarin zien. Wel kunnen wij weten, of wij uitverkoren zijn, n.l. doordat God ons Zijn heilsraad openbaart. Maar het besluit om iemand te verwerpen, houdt de Heere voor zich. Wij menschen hebben dan ook alleen rekening te houden met Gods geopenbaarden wil, en deze is, dat wij ons zullen bekeeren en het evangelie zullen gelooven.
In de derde plaats is van die stelling onjuist, dat ons bidden tevergeefs is. Het oprechte gebed is juist een vrucht der uitverkiezing. Het wordt gewerkt door den Heiligen Geest. En Zijn werk
blijft nooit zonder gevolg. En wat dat andere, kerkgaan enz., aangaat, dus de middelen, welke God beschikt heeft om den zondaar tot Zijn lof bereid en bekwaam te maken, deze gaan niet buiten den raad Gods om, maar zijn er juist bij
ingesloten. Zij zijn dus ook niet vruchteloos.
(Slot volgt).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juli 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juli 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's