De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

11 minuten leestijd

PROF. VISSCHER NAM AFSCHEID
De lezers van „De Waarheidsvriend" hebben het gemerkt, uit een enkel regeltje van de hand van prof. Visscher, dat hij afscheid genomen heeft van ons Bondsorgaan. Hij houdt op zijn medewerking te verleenen aan de redactie en zal geen .artikelen meer schrijven. Het tafellaken is doorgescheurd. Hij wil geen gemeenschap meer met ons hebben.
Waarom prof. Visscher heengaat en zijn werk bij óns afbreekt ?
Hij heeft er niets van gezegd of geschreven. Noch in „De Waarheidsvriend", noch in een buitengewoon kort, nietszeggend schrijven aan het Hoofdbestuur van onzen Gereformeerden Bond. Geen enkele verklaring of opheldering heeft hij ons gegeven. Hij breekt de connecties af. Hij gaat uit ons midden wèg. Uit!
Toch zal ieder het wel voelen en wel begrijpen.
En daarbij willen wij het dan ook maar laten.
Zoo dikwijls heeft de Hoogleeraar van wege onzen Gereformeerden Bond ons aanleiding gegeven tot schrijven. Hij heeft ons telkens uitgelokt, bijna gedwongen. Maar wij zijn nooit op zijn grove, beleedigende, onware, schampere en lasterende uitvallen, beschouwingen en verklaringen ingegaan. Theologen van vroeger en van nu hebben toch al helaas ! dikwijls de naam van „razende vechtersbazen". Maar noch de Kerk, noch de theologie, noch het volk, noch de Staat heeft van die ruziemakende theologen veel heil en zegen ontvangen.
Wij vermoeden, dat de beschouwingen en de beschuldigingen aan 't adres van „Korach, Dathan en Abiram" nog niet tot een einde zijn gekomen. Maar de Hoogleeraar behoeft niet bang te zijn, dat wij hem ook maar in iets in zijn ruzieachtige polemiek zullen stijven. Wij hebben telkens geweigerd dit te doen. Wij doen het ook nu niet. Wij gelooven, dat de Heere regeert — hoewel we ook gelooven, dat ieder mensch, ook prof. Visscher, verantwoordelijk is voor wat hij doet en schrijft.
Het moet ons daarom nu even van 't hart, dat wij het verloop van deze dingen wel heel tragisch vinden voor den hooggeleerde.
Met veel moeite en inspanning is hij door goede samenwerking van het gereformeerde volk in 'de Ned. Hervormde Kerk — we denken aan den toen pas opgerichten Geref. Zendingsbond — tijdens het Ministerie Kuyper, tot professor in Utrecht benoemd. De baanbreker. En groote dankbaarheid was er bij velen in den lande. Hooggespannen waren de verwachtingen en talrijk de beloften.
Maar het 25-jarig jubileum heeft het niet kunnen halen, hoewel de Heere talenten en krachten en volop gelegenheden, pracht gelegenheden, gaf. De Professor had er genoeg van. Was over alles en nog wat ontevreden, was gedisilluslonneeid en teleurgesteld. Hij zocht een andere werkkring. Hij koesterde andere idealen, hij meende andere perspectieven te zien. Hij koos de politiek en werd op eigen aanbieding tot lid van de 2d« Kamer gekozen. Maar als er één ding een totale mislukking is geworden, is het de 'politieke loopbaan van dezen professor in de godgeleerdheid, die van God een plaats had ontvangen in Utrecht, een bevoorrechte plaats, — maar hij koos liever andere wegen, bezield met andere verlangens.
Die hem gewaarschuwd hebben, hebben helaas ! gelijk gekregen door het treurig verloop van de feiten. Die hem tot deze dingen mee geadviseerd hebben indertijd, hebben daarvan later grootelijks spijt gehad.
Jammer dat bij al het tragische en teleurstellende in den levensgang en het levenswerk van den hoogleeraar, enkel en alleen anderen schuld hebben. Nooit is er iemand geweest, die knapper was dan hij. Nooit zag iemand het zóó helder en klaar als hij. Nooit was iemand beginselgetrouw, als hij. Nooit was er iemand, die het meer zonder bijoogmerken, die het meer belangeloos deed, dan hij. Nooit is er iemand geweest, die zóó veel voor z’n beginsel overgehad heeft. Nooit is er iemand, die méér schade geleden heeft, dan hij. Nooit is er iemand, die knapper werk geleverd heeft, dan hij. Nooit is er iemand geweest, die méér miskend en méér gepasseerd is, dan hij. En dat gaf een tragisch leven, met wrok en bitterheid. Dat doet vooral de laatste jaren grof en bitter uitvallen, waarbij ieder het moet ontgelden. En 't meest geniet men dan zelf, als het maar grof en beleedigend gezegd wordt!
Dat doet ons leed.
Stuk voor stuk is nu afgebroken. En dat, waar dit leven zoo vol beloften was, vooral voor de theologie. Van al de studie, van al de colleges is zoowat niets overgebleven. En het laatste groote werk, dat ondernomen is geworden, om drie deelen te schrijven over De Schepping, is ook in 't moeras blijven zitten.
Wat nu?
Wij sluiten ons gaarne aan bij 't geen ds. Woelderink onlangs, zoo waardig en zoo waar, schreef, waar deze eenvoudige, knappe theoloog, die zoo veler waardeering mag genieten, de hoop uitsprak, dat prof. Visscher de jaren, die de Heere hem nog moge geven, zal gaan gebruiken voor rustigen arbeid in de studeerkamer, om ons mogelijk nog een of meer werken te geven — waarvoor de bouwstoffen naar we hopen aanwezig zijn — die de jongeren en de ouderen nog tot blijvenden zegen kunnen zijn.
Laten zijn vrienden, die nog eenigen invloed op hem mogen hebben, hem daartoe aanzetten, waar de Heere daartoe bekwaamheid gaf. Want het zou wel heel tragisch zijn wanneer ook de laatste jaren in bitterheid en boosheid worden doorgebracht, waardoor ze onvruchtbaar worden en blijven voor het nageslacht.
De Heere Zelf sture dezen weg in gunste en geve gewilligheid, in stilheid, om met liefde en met ijver te doen, waartoe de Heere jaren geleden reeds zoo kennelijk heeft geroepen.

ONS ADRES AAN DE SYNODE
De ontvangst van ons Adres aan de Synode inzake de Russisch-gezlnde predikanten dr. Snethlage en ds. Boers, is op de meeste Classicale Vergaderingen besproken, al was de ontvangst verschillend.
In zooverre hebben wij dus ons doel bereikt. En onze indruk is, dat men over 't algemeen gevoeld heeft: zóó kan en mag het toch niet in de Hervormde Kerk toegaan ! Zelfs in de classis Hoorn is dat uitgesproken. In Noord-Holland boven het IJ !
Hiermee zijn we er nog niet. Natuurlijk niet. Want wij weten veel te goed, dat hier de moeilijkheden vele zijn. Als het nu maar gevoeld wordt: zóó kan en mag het niet blijven !
Verschillende Classicale Vergaderingen hebben ons Adres aangenomen en overgenomen. Rotterdam b.v. met algemeene stemmen ! Nadat tevoren een zeer breede en ernstige discussie had plaats gehad, waarvoor, bij de weinige werkzaamheden die er overigens waren, nu mooi de gelegenheid was, welke ook is waargenomen en benut. Vrucht van die discussie is o.a. dat aan de Synode gevraagd is toch alles te willen bevorderen, dat onze Hervormde Kerk weer als belijdende Kerk in haar wettige vergaderingen kan uitkomen straks.
Wat wij nu nog willen vragen is dit:
Aan alle Kerkeraden hebben we een verzoek gericht; en wel dat alle Kerkeraden ons Adres aan de Synode steunen willen.
Daarvoor is het nu de tijd.
Nu de Classicale Vergaderingen voorbij zijn, komt de vergadering van de Synode in 't zicht.
En daarom willen wij nu vragen : laten alle Kerkeraden — voor zoover zij het nog niet gedaan hebben — dat verzoek aan de Synode nu verzenden, waarin dan door de Kerkeraden gevraagd wordt, of de Synode ons Adres wil behandelen straks.
De stem van de Kerkeraden hebben we noodig.
En dat moet nu geschieden.
Wil men er om denken ?
Bij voorbaat onze vriendelijke dank.

De geestelijke ontwikkeling van Groen en de ontwikkeling van ons Volksonderwijs. (5)
De kennisneming van de correspondentie („Hoe de Onderwijswet van 1857 tot stand kwam") doet zien wat bitter zielelijden aan Groen bezorgd is door hetgeen Van der Brugghen inzake de schoolkwestie gedaan heeft. Nooit zijn wellicht in ons Parlement droever, bitterder, meewariger woorden gesproken dan die welke Groen tot schreiens toe bewogen, met bloedend hart zijn vroegeren medestander toevoegde : ,, uw regeling van het openbaar schoolwezen is met de behoefte en het recht vian alle gezindten, met het geloof der natie, met het volksgeweten, in strijd. — Uwe volksschool neemt met het kruis het Christendom weg. — Vereenig Jood en Christen op ééne volksschool, zoodat gij ter wegneming van het kenmerkend-christelijke verplicht zijt, en geef dan die onchristelijke schoolgemeenschap den christelijken titel, dit noem ik heiligschennis. Uwe christelijke leuze is een onzedelijk woordenspel, dat ontheiliging door heiligschennis verbloemt".
Zóó stond Groen tegenover 't geen Van der Brugghen nu wilde. Groen zag zich het schoolwezen, de schoolgemeenschap, het volksonderwijs aldus : men sprak heel lief en verdraagzaam ; men wilde de kinderen van allen vereenigen op één school, door de Overheid opgericht, ingericht, bestuurd', beheerd, geregeld ; de Jodenkinderen, de Roomschen en de Protestanten bij elkaar, om één onderwijs te ontvangen ; de Overheid zou al die kinderen opvoeden als staatskinderen en hun maatschappelijke deugden leeren ; — maar als dan de rechten van de gezindheden in zake den godsdienst kwamen, dan mocht de Jood niets van zijn Joodschen godsdienst verwachten, want over de Joodsche religie te spreken zou voor de Joodsche kinderen welkom zijn, maar zou de Roomschen en de Protestanten niet tot genoegen zijn; daarom geen Joodsche religie. Maar Roomsche religie kon en mocht ook niet op de volksschool, want dat zou een ergernis zijn voor de Joden en voor de Protestanten. Van Protestantsche godsdienst, van Gereformeerd geloof 'kon en mocht ook geen sprake zijn en geen melding gemaakt worden, want dat zou den Joden ergernis geven en dat zou door de Roomschen niet worden geduld.
­En dus : geen godsdienst; geen geloofszaken !
Zoo zou de openbare volksschool voor Joden, Roomschen, Protestanten ingericht worden en geen godsdienst hebben, geen geloofszaken behandelen ; geen christelijke religie......
En als men dat nu eerlijk gezegd had: al 't christelijke blijft hier buiten om de wille van de schoolbevolking, die over de breedste linie door de Overheid genomen en verzorgd wordt, dan was men eerlijk geweest.
Maar dan had men ook één schoolgemeenschap, één volksschool gehad, waaruit weggenomen was het kenmerkend christendom, omdat de Protestant, de Gereformeerde, den Jood en den Roomsche en den atheïst sparen moet. (Want men moet eerlijk zijn, en ook doen wat men beloofd heeft: zwijgen over het kenmerkende van ons geloof !)
Zoo zou men krijgen (want men moet eerlijk zijn !) een onchristelijke schoolgemeenschap, zonder gebed (denk aan den Jood, den Roomsche, den atheïst!), zonder bijbellezen (want men moet doen wat men beloofd heeft: zwijgen).
Zoo zou men een volksschool krijgen, één gemeenschappelijke volksschool voor alle kinderen — maar dan wordt het oneerlijk, als men die schoolgemeenschap gaat noemen een christelijke school, als men die ééne ongedeelde, ongesplitste volksschool, door de Overheid in stand gehouden, waar men alle kenmerkende dingen van het christelijk geloof, het kruis van Christus niet te vergeten, uit verwijderd heeft, met christelijke school betitelt.
Dat noem ik — zegt Groen — heiligschennis.
Uwe christelijke leuze — zegt Groen — is een onzedelijk woordenspel, dat ontheiliging door heiligschennis verbloemt.
Jammerlijke geschiedenis!
En tot op heden gaat dat „onzedelijk woorden­ spel" voort, om de „ontheiliging" van de school, door het wegnemen van het kenmerkend-christendom, te „verbloemen". Nog altijd doet men aan deze „heiligschennis", welke men dekt met valsche woorden van „christelijk", als men juist het „christelijke" verbannen heeft.
De Wet-Van der Brugghen werd aangenomen.
En toen toch die wet aangenomen werd — verliet Groen onmiddellijk de zaal en berichtte den Voorzitter, dat hij „met smart, doch uit persoonlijk plichtsbesef en na rijp beraad zijn ontslag nam als lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal".
In zijn „Brief aan de Kiesvereeniging „Nederland en Oranje" te Leiden, welk district hem afvaardigde, heeft Groen, vol weemoed, de redenen van zijn ontslag nader ontvouwd als hij het noemt „een daad, die aan elk gesproken of geschreven woord klem geeft; een kreet der smarte, wegens de ramp door toegeeflijkheid aan wanbegrippen over het Vaderland gebracht".
Hoe anderen deze dingen meevoelden, als van het grootste belang te zijn voor volk en vaderland, bewijst een schrijven van Merle d"Aubigné, de eerwaardige prediker uit de dagen van het Reveil, aan Groen gericht, waarin we lezen : „Uw aftreden is een handeling, wier herinnering u zoet moet zijn op het oogenblik van uw verscheiden en als de Heere u zal zeggen: „Geef rekenschap van uw rentmeesterschap". Het was voor uw land een kwestie van leven of dood, van zijn of niet te zijn ; gij hadt 't met den mond reeds gezegd, maar 't was goed het ook met de daad te zeggen".
(Wordt voortgezet).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juli 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juli 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's