De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

NATUUR EN GENADE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

NATUUR EN GENADE

7 minuten leestijd

Het bovengenoemde onderwerp is den laatsten tijd gedurig ter sprake gekomen.
Op de A.R. Partijconferentie te Den Haag, den 31 October van het vorige jaar gehouden, is het onderwerp ingeleid door dr. F. W. Grosheide, professor aan de V. U. te Amsterdam. Het referaat verscheen onder den titel Natuur en genade, in het bizonder bezien in hun beteekenis voor het staatkundig leven, bij Kok te Kampen en werd eveneens opgenomen in het maandelijks verschijnend tijdschrift Antirevolutionaire Staatkunde.
Op een onlangs gehouden vergadering is ook door prof. Haitjema van Groningen over dit onderwerp gesproken. In de bladen verscheen een kort verslag van het gesprokene, maar voor zoover mij bekend is de lezing zelf nog niet verschenen.
De actueele beteekenis van het onderwerp hangt ongetwijfeld samen eenerzijds met het optreden van de z.g. Zwitsersche theologie, welke theologie zich bizonder concentreert om het vraagstuk van de openbaring Gods en die zich daarom niet onttrekken kon aan de vraag, welke beteekenis in die openbaring toegekend moet worden aan de geschapene dingen (zie art. 2 van de Ned. Gel. Bel.) en welke beteekenis in het ontvangen der openbaring toegekend moet worden aan de natuurlijke vermogens van den mensch, die hem krachtens schepping gegeven zijn. Anders uitgedrukt werd door de Zwitsersche theologie de verhouding van schepping en herschepping ten opzichte van de goddelijke openbaring aan de orde gesteld en omdat velen meenden, dat die verhouding hier anders gesteld, werd dan In de gereformeerde theologie van ouds was gedaan, gaf dit aanleiding tot een levendige gedachtenwisseling, waarbij zelfs de vertegenwoordigers der Zwitsersche theologie niet eensgezind bleken te zijn en er een breuk ontstond tusschen Brunner en Barth.
Zooals het in de hervorming gegaan is om de beteekenis van den Christus voor het leven van Gods Kerk, zoo gaat het in onze dagen om de beteekenis van het werk van den H. Geest. Reeds in onze eerste lezing op een vergadering van den Gereformeerden Bond over het wezen des geloofs hebben wij daarop gewezen en de loop der historie heeft deze gedachte bevestigd. Het opkomen van de Zwitsersche theologie met haar pogen om de theologie los te maken uit de doodelijke omarming van humanisme en subjectivisme laat dat duidelijk zien, want heel deze theologie is niet anders dan een poging om het werk van den H. Geest zoowel in de openbaring Gods .als in de verlossing der Kerk nader te verstaan en te gronden. Daarom moest naast de vraag aangaande de verhouding tusschen schepping en herschepping in de openbaring Gods voor deze theologie ook aan die orde komen de vraag naar de heiligmaking als de vraag naar de verhouding tusschen schepping en herschepping in de bekeering en het geloof. Staat het leven des geloofs, waartoe de christen door Gods genade gebracht wordt, los naast het natuurlijke leven, waarin de mensch door zijn geschapen-zijn geplaatst is of is het ten nauwste daarmede verbonden en kan het alleen midden in dat natuurlijke leven tot openbaring komen? In deze vragen vindt men kort samengevat heel de kwestie, waar het in deze theologie om gaat en duidelijk zal een ieder zijn, hoe in het onderwerp Natuur en Genade mede van deze dingen gehandeld wordt.
Aan de andere zijde zijn de algemeene tijdsomstandigheden mede oorzaak, dat dit onderwerp actueel geworden is. Het hangt samen met de verhouding van Kerk en Staat zooals die door den loop der historie als een der meest belangrijke vraagstukken naar voren is geschoven. En dan op een andere wijze als in de vorige eeuw gedurig is geschied. Toen ging het telkens om de verhouding van den Staat en de Kerk als instituut genomen en als instituut in het volksleven verschijnend. En er is een worsteling geweest om de Kerk vrij te maken van de overheersching van den Staat en den Staat vrij te maken van de overheersching van de Kerk. Voor een vrije Kerk in een vrije Staat is het pleidooi gevoerd en in verband daarmede is zelfs geijverd voor het losmaken van de zilveren koorde, die in ons vaderland herinnerde aan een 'verhouding uit vroeger dagen, die men in het bizonder om der wille van de Kerk niet terug verlangde.
Het is echter aan onze dagen eigen om de problemen tot aan hun diepsten grond aan de orde te stellen. Gebleken is bizonder door het voortschrijdende atheïsme, dat in Rusland door middel van den Staat naar de heerschappij grijpt, dat de verhouding tusschen den Staat en de Kerk als instituut genomen tot den omtrek en niet tot de kern van de aan de orde gekomen vragen behoort. Aan de verhouding van den Staat tot de Kerk als instituut genomen gaat vooraf de vraag naar de verhouding tusschen den Staat en de Kerk als het lichaam van onzen Heere Jezus Christus, als de vergadering der ware christgeloovigen, die met hart en mond belijden, dat Jezus Christus de Heere is, die naar lichaam en ziel Hem toebehooren, voor tijd en eeuwigheid en daarom heel het leven Hem gewijd wenschen te zien. Voor welke gansch andere vragen men hier gesteld wordt kan daaruit blijken, dat zij die in de verhouding tusschen den Staat en de Kerk als instituut genomen voor een scheiding tusschen Kerk en Staat het pleit voeren, juist waar het gaat om de verhouding tusschen den Staat en de Kerk als het lichaam van Christus van zulk een scheiding niet willen vreten, maar integendeel dan belijden, dat Staat en Kerk niet gescheiden kunnen en niet gescheiden mogen worden. Om deze laatste reden meenen zij zich niet aan het politieke leven te mogen onttrekken, wijl zij achten, dat de Kerk des Heeren niet alleen tot taak heeft het volksleven te kerstenen in dien zin, dat ook het zedelijk en maatschappelijk leven des volks onder het juk van Gods wet wordt gebracht, maar dat eveneens het evangelie, dat de Kerk in deze wereld omdraagt en waaruit zij leeft, een kracht is tot heiliging van het staatkundige leven, zoodat ook op staatkundig terrein God geheiligd en verheerlijkt wordt.
Het spreekt wel haast van zelf, dat ik voor de lezers van de Waarheidsvriend het onderwerp niet In allen omvang wensch te behandelen. Niet alleen, dat mij daartoe de tijd en de bekwaamheid ontbreekt, maar ik zou dan tevens allerlei theologische kwesties met de daaraan verbonden fijne onderscheidingen moeten ter sprake brengen, waaraan de gewone lezer weinig of niets heeft.
Daarom heb ik mij voorgesteld enkele grondleggende gedachten naar voren te brengen, die bij de bespreking van ons onderwerp van de grootste beteekenis zijn. Mogelijk, dat deze en gene daardoor in staat wordt gesteld zich nader te oriënteeren ten opzichte van het onderwerp en wanneer het aan de orde komt een zoodanige positie in te nemen, dat men niet onmiddellijk door allerlei schoon schijnende leuzen wordt meegesleurd. Want het is niet voldoende van goeden wille te zijn, maar wij hebben ons te oefenen in de waarheid, opdat wij mogen weten, welke de goede en welbehaaglijke wille Gods zij. Van hoe groote beteekenis dat is, zal daaruit blijken, dat naar onze meening een schriftuurlijke beschouwing der dingen nooit tot een definitie als in ons onderwerp gegeven is, kan leiden. Aan de definitie van ons onderwerp, die historisch gegroeid is, ligt een onschriftuurlijke gedachte ten grondslag.
O.a.d.IJ.
Woelderink.

Het noodzakelijk verweer eenige weken geleden tegen prof. Visscher gericht, wenschen wij niet te vervolgen. De hoogleeraar heeft ons woord op zulk een wijze beantwoord, dat wij meenen daarop niet nader te kunnen en te mogen ingaan. Van een zakelijk debat was geen sprake. Zijn antwoord is zoo persoonlijk, wordt, nu hem in het publiek de waarheid is gezegd, gedragen door zulk een nijd en haat, dat ik zou vreezen, indien ik daarop moest ingaan, de noodige lijdzaamheid te missen en meegesleurd te worden door die toorn des mans (welke Gods gerechtigheid niet werkt) die prof. Visscher in zijn stukken zijn eigen schande doet opschuimen.
Mochten er onder onze lezers zijn, die zich niet vereenigen kunnen met enkele beschouwingen uit mijn artikelen, dan zal ik ten allen tijde met belangstelling kennis nemen van hun bezwaren en zoo mogelijk trachten die weg te nemen. Ook ben ik niet ongenegen mij te schikken naar het onderwijs van hem, die mij d.en weg Gods bescheidenlijker kan uitleggen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juli 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

NATUUR EN GENADE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juli 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's