GEESTELIJKE OPBOUW
Voorwerpelijke en Onderwerpelijke Prediking
II.
Het komt mij voor, dat in de practijk zoowel het één als het ander geschiedt. Wat van deze drie naar mijne meening het meest in overeenstemming met het Woord Gods, naar den eisch der tijden en naar de behoeften van het volk des Heeren is, dat zal u, hoop ik, allengs wel blijken.
Allereerst een enkel woord over de voorwerpelijke prediking. Daarin wordt de nadruk gelegd op de ontvouwing van de waarheid Gods. De prediker, die op deze wijze spreekt, en de gemeente, die hem gaarne hoort, worden gedragen door het besef van de kostbaarheid der goederen, 'ins van de vaderen overgeleverd; in de formatie is het licht wederom op den kandelaar gezet; voor den schat der gereformeerde belijdenis hebben de voorgeslachten gestreden, om hem te bewaren hebben zij goed en bloed gewaagd en niet te kostelijk geacht.
En er zijn er. Gode zij dank; nog velen, die dat oude niet verouderd achten, maar de waarheid, voor 4 eeuwen als opnieuw aan het licht gebracht, eeren en liefhebben. Zij willen de beginselen zien vastgehouden, de lijnen doorgetrokken, en de waarheid zuiver voorgesteld.
Daarnaar streeft dan ook de voorwerpelijke prediking. Zij beweegt zich om de voornaamste stukken der gereformeerde leer, en spreekt over de verkiezing, over de vrijmacht Gods, over de heerlijkheid der schepping, den staat der rechtheid en den val des menschen, over zijn onvermogen tot het waarachtig goed; zij heeft het over de volkomenheid van het werk van den Middelaar; over de genoegzaamheid van Zijn verzoenend en borgtochtelijk lijden ; zij verzuimt niet te wijzen op de noodzakelijkheid der wedergeboorte, en den eisch van bekeering en geloof te doen hooren; zij handelt van de rechtvaardigmaking, de heiligmaking en verheerlijking; zij verheerlijkt de genade van den Heiligen Geest, door Wiens machtige werking de doode zondaar wordt levend gemaakt, en de blinde oogen geopend.
Ieder, die nog eenigszins onderwezen en thuis is in de gereformeerde leer, kan zelf Wel aanvullen wat ik niet noemde. En hij Weet, dat de voorwerpelijke prediking in dezen gedachtenkring zich beweegt. Niet zelden blijft zij zóó strikt voorwerpelijk, dat zij zeer in het algemeen spreekt, on-Persoonlijk het heeft over „den mensch", den zondaar", enz., zij gaat niet op den man af, maar houdt een vertoog als over de hoofden heen. Zij behandelt de onderscheiden waarheden in den 3en, niet in den 2en persoon.
Laat ik het nu maar eens eenigszins overdrijven, en het zoo zeggen: de man van de voorwerpelijke prediking in haar uitersten vorm heeft minder van een huisvader, die met liefdevolle hand aan zijne kinderen het brood uitdeelt, waarvan zij en hijzelf leven moeten, of van een zorgzaam en teeder herder, die de kudde leidt aan zeer stille wateren, waarbij zoo goed hijzelf als de hem toevertrouwde schapen verkwikking kunnen vinden, dan van een notaris, die mededeeling doet van een belangrijke, inhoudrijke akte.
Hij kondigt af, hij deelt mede, hij legt de waarheid daar neer; hij geeft een verhandeling, een vertoog ; maar men zou niet zeggen, dat het erom te doen is, een blijde boodschap te brengen den gebogenen en uit te roepen het jaar van het welbehagen des Heeren.
En toch zal ik de laatste zijn, om het belang en de beteekenis van zulk een voorwerpelijke prediking zelfs in haar meest starren vorm, te betwisten. Integendeel. De grondwaarheden onzer belijdenis blijven hierin aan de orde gesteld; de band aan een rijk en groot verleden blijft bewaard; alles, wat God gedaan heeft om Zijn heil te bereiden voor Zijne Kerk, en wat Hij voortgaat te doen om Zich de gemeente te vergaderen, die ten eeuwigen leven verkoren is, en in Christus haar Hoofd heeft, vindt vermelding. En als dit geheel of ten deele wegvalt, valt alle grondslag weg, waarop een zondaar bouwen kan.
Ik ontken dus allerminst de waarde van het voorwerpelijke. Zelfs zou ik geneigd zijn te zeggen: het ware te wenschen, dat de gemeente er meer van te hooren kreeg. Niet op deze wijze, dat in iedere prediking nóg meer stukken der waarheid zouden moeten worden opgenoemd. Want dat mag den hoorder, die de waarheid verlangt te hooren, een gevoel van veiligheid geven; en het mag den prediker een roep van getrouwheid verschaffen, zóó bedoel ik het toch niet. Zooveel in iedere preek, en altijd weer in dezelfde woorden, zou het niet het gevaar meebrengen van afstomping? Hij, die de uitdrukkingen, die ieder voor zich een ontzaglijke waarde vertegenwoordigen, gebruikt, en zij, die ze hooren hanteeren ze zonder te beseffen, wat zij wel beteekenen. Het worden bekende en vertrouwde klanken, waarbij de ziel eerder insluimert dan dat zij ze gretig opvangt, en opspringt van vreugde.
Neen, ik zou wel wenschen, dat ieder der onderdeelen der waarheid op zichzelf eens uitvoerig en zorgvuldig werd behandeld. Meent gij, dat velen verstaan, wat eigenlijk het stuk der rechtvaardigmaking in heeft ? Of dat menigeen, die niet tevreden is, als hij de verzoening in Christus niet heeft hooren noemen, beseft, wat eigenlijk met de verzoening wordt bedoeld ? Maar dan zou het niet moeten blijven bij een opnoemen van deze en andere dingen. Zij moesten niet behandeld „bij hoopen", zooals een kantoorbediende een stapel bankbiljetten door zijn handen laat gaan zonder dat ze hem eigenlijk belang inboezemen en hij zich rekenschap geeft van hun waarde. Doch stuk voor stuk, met liefde en inzicht. Dan zou de kennis der waarheid misschien weer wat toenemen, die in onze dagen zoo jammerlijk aan het afnemen is, ook in die kringen, waar men voor de waarheid strijdt.
Niet gaarne dus zou ik het voorwerpelijke in de prediking willen missen. Het sluit zich aan bij de H. Schrift, put uit de volheid van het Woord, en bevordert de kennis Gods, zonder welke, naar het profetisch Woord, het volk des Heeren verloren gaat.
Wanneer ik een groote, mij onbekende stad bezoek, dan kan dat op tweeërlei wijze gebeuren. Ik kan er onverwachts komen, en mijn weg zoeken; op goed geluk er door heen, hier en daar vragend, als ik mijn doel niet kan vinden, stilstaand, zoodra iets mijn aandacht trekt, speurend, onderzoekend, bewonderend. Dan zal het gaan, maar waarschijnlijk met veel vergissing en omdwalen; en veel zal niet worden opgemerkt, dat mogelijk het belangrijkst is.
Of ik kan van te voren lezen over hetgeen die stad bezienswaardigs heeft, mij verdiepen in haar geschiedenis, mij op de hoogte stellen van haar voornaamste schoonheid; haar plattegrond bestudeeren, om te weten, hoe haar straten en wegen loopen. Dan werf ik er niet als een vreemde om, verspil niet mijn tijd en ga aan het opmerkelijkste voorbij. Maar ik zal er gemakkelijker den weg vinden, en wat ik, bij mijn bezoek, door aanschouwing leer kennen, is mij van te voren reeds eenigszins bekend.
De man nu der strikt voorwerpelijke prediking is als één, die den plattegrond doet kennen, die de schoonheid der stad aantrekkelijk zoekt te schilderen, die den weg afteekent en het gewichtigste aanwijst voor ieder, die er ooit komen mocht.
„Juist, dat is het, waarop het aankomt", hoor ik hier iemand zeggen, die voor een onderwerpelijke prediking pleit; „behoor ik tot de burgers van Zion ; mag ik zeggen, daar geboren te zijn, daar thuis te behooren ? Waar het boven alles op aankomt, is de zekerheid, dat ik Christus ben ingeplant, Hem eigen ben.
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juli 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juli 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's