ERASMUS EN WIJ
Bij de 400ste terugkeer van zijn sterfdag.
IV.
Humanisme en Calvinisme. ¹)
Erasmus is geen uit de lucht gevallen meteoor in de wetenschappelijke en theologische wereld aan het einde der middeleeuwen, al vormt zijn optreden een nieuw begin in de geschiedenis van het menschelijk denken. ²)
Hij is kind van zijn tijd, voorzoover hij humanist is ; hij brengt iets nieuws, omdat hij aan het humanisme van zijn dagen een nieuwe basis schenken wil. Er is dan ook een onmiskenbaar onderscheid tusschen Erasmus en de humanisten vóór hem.
Reeds in de 14e eeuw was er in Italië een beweging opgekomen, die herstel der Romeinsche glorie beoogde : de z.g. Renaissance, door prof. Pijper gedefinieerd als herleefde bewondering voor de schoone vormen van de voortbrengselen der kunst van Hellas en Rome, en als een streven om in die vormen eigen kunstvoorwerpen te vervaardigen. ^) Als een phoenix herrees in het land van Vergilius de liefde voor de schoonheden der antieke kunst, die in bouw-, beeldhouw-en schilderkunst zich openbaarde. De renaissance verwekte de oude classieke cultuur tot nieuw leven.
Gegrepen door wat de Grieksche geest aan genie had voortgebracht, hebben mannen, die zich humanisten noemden, de beginselen, die in de renaissance werkzaam waren, tot algemeene doorwerking willen brengen. 4)
Oorspronkelijk had dit streven een sterk heidenschen inslag, zoodat de vereering van al wat classiek was bij velen leidde tot openlijke vijandschap tegen christendom en kerk. Bij anderen echter constateeren wij een aanwenden der nieuwe kennis op godsdienstig gebied. In dit verband dient de Broederschap des Gemeenen Levens genoemd, welke congregatie de menschen bij een weinig dogmatisch practisch christendom bepaalde.
Zeker is dan ook, dat de invloed van genoemde broederschap bij Erasmus, die aanvankelijk zeer veel belangstelling toonde voor de heidensche levens-en wereldbeschouwing, later merkbaar is geworden. Van beslissende beteekenis is in dezen zijn omgang met zijn Engelsche vrienden geweest. Door Erasmus' grondige kennismaking met den Bijbel is zijn humanisme allengs geworden tot een bijbelsch humanisme, dat eenerzijds wel afrekent met het paganisme, maar dat anderzijds niet weten wil van Luther's opvattingen van zonde en genade. ^) In deze „verzoening" tusschen christendom en heidendom ligt het nieuwe, dat Erasmus typeert. Al ging er reeds een eeuw van humanisme aan zijn komst vooraf, toch is hij voor zijn tijd nieuw. Hij volbracht de verbinding van Oudheid en christelijken geest (Huizinga). Hij moge daarin in zijn soort groot zijn, — wezenlijk wordt zijn optreden gekenmerkt door nivelleering, door verdoezeling der scherpe tegenstellingen en door vervaging der grenzen Haar alle zijden. En zulk een methode is altoos bedenkelijk! —
Een kleine bloemlezing uit Erasmus' theologische en godsdienstige opvattingen moge thans volgen.
Van nature is de menschelijke natuur christinne ; Gods vaderliefde gaat over alle schepselen in universeele goedheid ; de ziel van Horatius of Vergilius is van meer beteekenis, dan die van een onwaardig christen; vrome heidenen kunnen beter christen zijn dan pausen en priesters ; wanneer alle menschen vrede, reinheid des harten en zachtmoedigheid nastreefden, dan zou het Koninkrijk Gods op aarde komen; Jezus Christus is de „aanbiddelijke christelijke wijsgeer", die den bijnaam van de epicurist verdient; de philosophie der ouden werkt eigenlijk niet anders dan de philosophie van Christus; Christus is ons een leermeester; Zijn heilswerk is het door Hem gegeven voorbeeld; Zijn genade is Gods ondersteuning van onze landelijke daden; Christus beteekent eigenlijk niet anders dan liefde, eenvoud en geduld ; in heidensche boeken is zeer veel te vinden, wat met de leer van Christus overeenstemt; overal woont Christus; onder ieder kleed wordt de vroomheid gediend, als maar de gezindheid niet ontbreekt; door kruisiging van eigen begeerten, gaat men zich steeds meer met Christus één voelen ; tusschen den God der joden en den God der christenen is een groot onderscheid ; een groot deel van het Oude Testament is verderfelijk, als het niet op allegorische wijze wordt uitgelegd ; er is een tegenstelling tusschen wet en evangelie ; het wezen der zonde is niet meer dan geneigdheid tot zondigen ; de mensch heeft een vrijen wil; de hervormers waren pseudo-evangelici; het geloof wordt door de liefde gewerkt, enz.
Dat het in deze uitspraken al humanisme is, wat de klok slaat, behoeft niet nader betoogd. Reeds tijdens ziin leven oogstte Erasmus ontzaglijken bijval. Hij sprak voor het forum der gansche wereld en — er werd naar hem geluisterd. Hij was de verlichter van zijn eeuw. Hij trok als 't ware voor zijn tijdgenooten aan het groote orgel der menschelijke expressie tal van nieuwe registers open, gelijk Rousseau het twee eeuwen later zou doen. Als , inleider" en „inweider" ontving hij uit alle deelen der wereld dagelijks talrijke brieven, die hem bewierookten om de gaven van wetenschap, die hij der menschheid geschonken had. 6)
Maar ook later vond hij instemming, met name bij de Remonstranten, die met hem de zucht naar verbinding van christendom en cultuur, de hooggeroemde verdraagzaamheid, het leggen van allen nadruk op den ethischen kant van het godsdienstig leven gemeen hadden. Socinianen en allerlei secten voelden zich aan hem verwant. Voorts valt Erasmus' invloed te speuren bij de Libertijnen der 17e eeuw ''), zoo goed als bij piëtisme en rationalisme der 18e eeuw. En het Vrijzinnig Protestantisme van onze dagen telt Erasmus nog gaarne onder zijn geestelijke vaders, als een der oudste en grootste. 8) Erasmus behoort dus tot hen, die leven nadat zij gestorven zijn. Steeds is er na hem een richting geweest, die het op prijs stelde, hem als haar coryphee te eeren. En zij is er vandaag nog. Dat wij onze houding tegenover deze richting bepalen !
Het ging tegen het einde der middeleeuwen in den diepsten grond om bevrijding uit de boeien van scholastiek en kerkelijke overheersching. Met geweldige stuwkracht trachtte het geestesleven van die dagen zich te wringen uit het keurslijf, dat het omhulde. In den geest der zaak worstelden vrijheid en gebondenheid om de suprematie. De heerschappij van het Roomsche instituut maakte het leven in staat en maatschappij ondragelijk, terwijl het tevens alle ontwikkeling in den weg stond. Het ging om de vrijmaking van den individu. In onderscheidene bewegingen openbaarde zich de vrijheidsdrang, waarbij als belangrijke factor in rekening moet gebracht, dat allerlei ontdekkingen op het terrein der wetenschap de ontkluistering begunstigden. Amerika werd ontdekt. Nieuwe horizonnen openden zich. Perspectieven werden geschouwd. Het nieuwe leven, dat in den boezem van Europa's cultuurvolkeren bruiste, eischte nieuwe wegen, waarlangs het zich zou kunnen ontplooien.
Uit dit proces werd het humanisme, dat allen nadruk op 's menschen kennen en kunnen legt, geboren. Het moge ten deele z.g. religieus ingesteld geweest zijn, — in wezen verwachtte het heel de vernieuwing van het cultuurleven van den mensch en zijn prestaties. Het menschelijk intellect vierde ongekende triumphen in het wegdragen van de lauweren, die geoogst werden op het terrein van kennis en wetenschap. Dat in deze roes 's menschen afhankelijkheid van God in den hemel ver te zoeken was, spreekt voor zichzelf. Ook feitelijke kennis van het wezen der zonde, zooals de H. Schrift die teekent, ontbrak geheel. De mensch is zijn eigen norm, en stelt zichzelf in het centrum van alle geschieden.
Waarom zou hij ook niet ? Hij is toch immers zichzelf tot een god ? Ook de z.g. bijbelsche humanisten vallen, welbeschouwd, onder dit oordeel, omdat men, wanneer men zich niet onvoorwaardelijk stelt onder het absoluut gezag der H. Schrift, noodwendig uitkomen moet bij de vergoddelijking van den mensch en bij de vermenschelijking van God. Er zijn maar twee wegen : God is souverein, of de mensch verheft zichzelf tot een god. Tot de laatste conclusie besluit de brutaalste openbaring van het humanisme ; het gematigde humanisme leidt er noodwendig toe. Of het zulks wil of niet.
Welk een tegenstelling met het reformatorisch beginsel, waarvan het Calvinisme de zuiverste expressie is ! Ook Calvijn stond in de branding van zijn veelbewogen eeuw. Hij was voorwaar geen vreemdeling in het labyrint van geestesstroomingen in dien tijd. Doch hij greep, Gode zij dank, den moed om temidden van de verwarring op schier elk gebied, zijn toevlucht te nemen tot God en den troon Zijner genade. Alleen in het christendom, zooals de H. Schrift dat openbaart, zag Calvijn de oplossing van alle problemen, die zich aan 's menschen geest opdringen. Ook al blijven er moeilijkheden, die een menschenkind nimmer ontraadselen zal.
Niet alleen het humanisme, maar óók het Calvinisme kwam tot vrijheid. En dat niet langs een weg van vermeende zelfbevrijding des geestes, maar na een bange worsteling des geloofs, welke strijd ingezet werd door een diep zondebesef en de erkenning van Gods vrijmacht. God moge den mensch een groot vernuft geschonken hebben, — want dat hééft Hij ! — desniettegenstaande is hij van oogenblik tot oogenblik afhankelijk van Hem, die allen het leven geeft. Slechts is het den mensch vergund al zijn prestaties, die in gehoorzaamheid aan Hem verricht zijn, te leggen aan de voeten van Hem, die op den troon zit. Want Hem alleen komt de heerlijkheid, en de eer, en de dankzegging toe. Te roemen in eigen majesteit is den mensch niet oirbaar. Het Soli Deo Gloria van het gereformeerd belijden staat tegen het menschverheerlijkend streven van het humanisme over.
Ook thans weer, in het vierde eeuwjaar van Erasmus' sterfdag en Calvijn's Institutie, leven wij in een crisis, die, hoewel geheel andersoortig dan vierhonderd jaar geleden, geenszins minder hevig is. Weliswaar hebben vele toestanden op kerkelijk, maatschappelijk en staatkundig terrein zich radicaal gewijzigd, doch 's menschen geest is in wezen gelijk gebleven. AL heeft de ervaring der laatste vijf en twintig jaar den mensch op verschillend gebied bedachtzamer en minder arrogant gemaakt.
Het humanisme, dat zich op de illusie van den mensch, die God wil zijn, verlaten heeft, is in onze dagen vastgeloopen in de consequenties van eigen streven. Men heeft gesproken van het einde van de humanistische illusie. Al zal het op grond van den aard der menschelijke natuur, die zich verbindt met bepaalde ideologiën, waarvan men, toch is deze uitspraak van den modernen mensch van belang, s) Ook het volgende citaat van vrijzinnige zijde heeft zijn beteekenis : „De gevaren van het z.g. christelijk humanisme liggen echter, naar het mij voorkomt, hierin, dat het zich verbindt met bepaalde ideologieën, waarvan de belangrijkste wel deze zijn, dat de mensch goddelijk van aard zou wezen en dat de ontwikkeling van de menschelijke cultuur met de ontplooiing van den goddelijken geest zelf zou mogen worden vereenzelvigd", i")
Deze uitspraken te kunnen citeeren, is verblijdend. , Maar van een algemeene omhelzing der Calvinistische beginselen is intusschen geen sprake. i^) Ook onder degenen, die zich gaarne op Calvijn beroepen, is het niet alles goud wat er blinkt. Bedachtzaamheid zij geboden ! Niet op een Calvinistische terminologie komt het aan, maar op de volledige erkenning van de grondgedachten van den reformator. Daarin alleen is de zekerheid gegeven, dat men de kloof, die Calvinisme van Humanisme scheidt, en die niet te overbruggen is, ook werkelijk ziet. En waar het tegenwoordig in de theologie vooral gaat over de interpretatie van diverse dogmata — als twee hetzelfde zeggen, is het nog niet hetzelfde ! — daar is onderscheidingsvermogen noodig om het humanisme te onderkennen, óók wanneer het zich in Calvinistisch gewaad gehuld aandient.
Het Calvinisme mag door verdoezeling van grenzen niet aan geestkracht en godsvrucht inboeten. Dat mag nóóit, maar zeker niet in dit eeuwjaar, waarin wij op velerlei wijze worden teruggeleid naar een rijk verleden, dat ook thans nog inspireeren kan en moet tot reinhouding der beginselen, die naar de H. Schrift zijn.
D.
d. Z.
¹) Opzettelijk spreken wij niet over Erasmus en Calvijn, als De Banier, omdat het gerucht als zouden beiden elkaar een keer ontmoet hebben, niet te controleeren is. Toen de Institutie van Calvijn verscheen — hij was toen 26 jaar — sloot Erasmus weldra zijn oogen. Omdat geen omgang en brieven tusschen beiden bekend zijn, lijkt het ons beter te spreken van Humanisme en Calvinisme. Het gaat over de beginselen.
2) Dr. J. Lindeboom, Erasmus, (proefschrift). Leiden 1909, blz. 121 en 112. 3) Handboek, blz. 368.
4) Dr. J. Severijn, Het gezag der Heilige Schrift, Maassluis 1920, blz. 3 v.v. Ds. R. 'Bartlema, Humanistische invloeden en gevaren, Utrecht z. j., blz. 4 v.v.
5) Dr. J. Lindeboom, Erasmus van Rotterdam, A''dam-Utrecht 1936, blz. 24 v.v. 6) 'Dr. J. Huizinga, Erasmus, 3e dr.. Leiden 1936„ Mz. 206 v.v.
7) 'Zie de studie van dr. H. A. Enno van Gelder over: Humanisten en Libertijnen. Erasmus en C. P. Hooft in: Nederl. Archief voor Kerkgesch, nieuwe serie dl. 16, den Haag 1920, blz. 35 v.v.
8) Lindeboom, blz. 44 van het in noot 5 aangehaalde boekje.
9) Dr. J. Severijn, De souverein 4-teit Gods en de cultuur in: Tweede Internat. Congres van Gereformeerden (C a 1 v.), den Haag 1935, blz. 41 v.v.
10.) Dr. G. Sevenster, De liefdeprediking in Evangelie en Humanisme, Assen 1933, Wz. 29.
11) Dit kan ook eigenlijk niet, want te leven naar de beginselen, die Calvijn aangaf, is Gods gave.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juli 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juli 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's