De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het Calvinisme en het Heden

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het Calvinisme en het Heden

11 minuten leestijd

III.
(Slot).

De tweede verkeerde gevolgtrekking uit de leer der uitverkiezing, of liever : der voorbeschikking — is het kwaad der valsche lijdelijkheid. Wel komen beide gevolgtrekkingen hierop neer, dat men de handen in den schoot legt en zich niet beijvert voor den naam des Heeren, maar terwijl de eerste gepaard gaat met Schriftverwerping, meent men zich bij de tweede juist op de Schrift te kunnen beroepen. Die tweede gevolgtrekking komt dan ook het meest onder onze Gereformeerde kringen voor. Bij voorkeur wordt dan aangehaald het Schriftwoord : Het is niet desgenen, die wil, noch desgenen, die loopt, maar des ontfermenden Gods (Rom. 9 vers 16). En met dit Schriftwoord wordt dan alle werkzaamheid van den mensch, b.v. doen van goede werken, betrachten der heiligmaking, beoefenen van Evangelisatie, drijven van Zending, bevorderen van Christelijk Onderwijs — veroordeeld. Ook deze „antinomistische" dwaling is al heel oud. In het Nieuwe Testament wordt zij door de apostelen Petrus en Judas reeds bestreden. Maar het latere mysticisme en piëtisme hebben haar opnieuw in de Kerk gebracht. In sommige streken van ons land kan men haar nog hooren. Velen verontschuldigen daar hun thuis Wijven uit de kerk nog met de redeneering : als God wilde, dat ik ging, zou Hij mij ook wel de rechte begeerte schenken. En in dezelfde lijn ligt de redeneering : als God wil, dat ik zalig zal worden, zal Hij mij wel op Zijn tijd bekeeren.
Men voelt wel, dat het eigenlijk de onwil van den mensch is, die hier aan het licht komt, terwijl men het ervoor houdt, dat Gód onwillig Is. Alsof de Heere het kon dulden, dat de mensch in de zonde blijft voortleven ! En alsof Hij niet wilde, dat allen zich bekeeren en tot de kennis der Waarheid komen, om dan ook overal die Waarheid te verbreiden. Het is alweer dezelfde geschiedenis : men rekent gewoonweg niet met Gods geopenbaarden wil en doet, alsof men Gods verborgen wil kende. Maar deze houding moet toch scherp worden afgekeurd. Gods verborgen wil hebben wij te aanbidden, maar Gods geopenbaarden wil moeten wij gehoorzamen. Dat is onze dure plicht.
Het is waar, dat wij uit onszelf tot het geestelijk goede niet in staat zijn. Onze bekwaamheid is uit God. Maar dat ontslaat ons niet van onzen plicht. Het zegt ons dit, dat wij bij het betrachten van onzen plicht, bij het beoefenen der gehoorzaamheid, niet op onszelf moeten vertrouwen, maar op God alleen. Immers het is niet desgenen, die wil, noch desgenen, die loopt, maar des ontfermenden Gods. Ieder voelt wel, dat deze tekst in dit verband beter tot zijn recht komt. Hij mag, net zoomin als de leer der uitverkiezing en der voorbeschikking misbruikt worden om onze traagheid en zorgeloosheid te verdedigen. Dat God alle dingen voorbeschikt heeft, heft onze verantwoordelijkheid niet op. Juist het feit, dat God de middelen, waardoor Hij ons tot zich trekt, mede heeft voorbeschikt, maakt onze verantwoordelijkheid des te grooter.
Er heerscht echter groote verwarring inzake de voorbeschikking op het punt van de verhouding van Gods werk en het onze. Vaak heeft men daar pantheïstische voorstellingen van. Dan meent men, dat óns werk gelijk staat met het werk van God. Men houdt geen rekening met de leer der eerste en tweede oorzaken. Die twee worden eenvoudig geïdentificeerd. En ja, op deze manier blijft er geen ruimte voor de zelfwerkzaamheid van den mensch over. Hij is een willoos werktuig in Gods hand : een stok en een blok. En zoo ontvangt God nog de schuld van het kwade en gaat de mensch vrijuit.
Maar zoo is het beslist niet. De mensch blijft verantwoordelijk. Voor Gods rechterstoel kunnen wij ons niet verdedigen met onze schijnbaar vrome voorwendsels. Daar vallen ze ons alle uit de hand. De mensch is en blijft aansprakelijk. De Heere draagt nimmer de schuld van onze onbekeerdheid en ons ongeloof. Daarom zal eenmaal tot de onbekeerden gezegd worden : niet: ja, gij kunt er niets aan doen, dat gij onbekeerd zijt, want gij waart niet uitverkoren — maar wel zullen zij hooren : Jeruzalem, Jeruzalem, hoe menigmaal heb ik uwe kinderen bijeen willen vergaderen, gelijk een hen haar kuikens, maar gij hebt niet gewild.
Met het derde leerstuk, kenmerkend voor het Calvinisme, n.l. dat der algemeene genade, kan ik korter zijn. Zooals wij zagen, houdt dit leerstuk o.m. in, dat God alle terreinen van het leven opeischt voor Zijn dienst.
Gelukkig zien wij ook in onze Gereformeerde kringen, dat naar dien eisch geluisterd wordt. Het onderwijs staat in het middelpunt der belangstelling. Ook de jeugd wil men de beginselen van het Christendom bijbrengen. En daarom zijn er reeds verscheidene Christelijke Scholen opgericht.
Verder verstaat men ook zijn roeping om op staatkundig gebied het Woord van God in toepassing te brengen. Velen interesseeren zich voor de politiek en trachten er aan mede te werken, dat ons land geregeerd wordt door christen-Staatslieden. De artikelen over „Staat en Maatschappij" in „De Waarheidsvriend" worden met belangstelling gevolgd.
Maar daarnaast ziet men toch ook weer velen, die zich welbewust en met overtuiging onttrekken aan den arbeid tot doorwerking der Christelijke beginselen op elk gebied. Zij sluiten zich op binnen eigen kleinen kring. En daar willen zij dan wèl hun godsdienst beoefenen, maar de wereld moet zelf maar zien, hoe zij terecht komt. Ook deze houding is weer van piëtistische herkomst. Zooals men nu wel begrijpt, strijdt zij geheel tegen de Calvinistische leer der algemeene genade, volgens welke alle terreinen van het leven voor Gods Koninkrijk moeten worden gewonnen, en niet alleen het geestelijke, maar ook het z.g.n. natuurlijke leven moet bestraald worden met het licht van Gods Woord.
Ook in de prediking moet dat laatste tot uiting komen. Ik heb wel gezien, dat, terwijl de predikant sprak over het „natuurlijke" leven, omdat het bijbelgedeelte, dat hij behandelde, hem daartoe aanleiding gaf, er sommigen in de kerk waren, die het hoofd schudden en met ongeduld wachtten tot het z.g.n. geestelijke leven aan de beurt kwam. Dit is niet Calvinistisch, mijne vrienden. Volgens het Calvinisme eischt de Heere ook het „natuurlijke" leven voor Zijn dienst op en hebben wij voor het „natuurlijke" leven evenzoo goed Gods kracht en leiding noodig. Daarom moet in de 'prediking het licht van Gods Woord ook op het „natuurlijke" leven geworpen worden. Trouwens welke breede beschouwingen geeft de Bijbel zelf niet over de natuur en het natuurlijke leven (gezin, arbeid, Staat, enz.). In de prediking zou men al die gedeelten dan maar moeten overslaan? Maar dat zou geen gehoorzaamheid aan Gods Woord verraden. Dat zou niet Calvinistisch zijn.
Eindelijk dan het vierde leerstuk, dat der bizondere genade of der verlossing. Het is die genadige gezindheid, welke God den zondaar in Jezus Christus betoonen wil, en welke hem bereid en bekwaam maakt tot alle goed werk, ter eere van Gods naam.
Terwille van den tijd, kan ik hierover niet lang meer spreken. Slechts één opvatting er van wil ik aanstippen, omdat men haar ook in 't heden nog wel aantreft. Eigenlijk is zij reeds heel oud en gaat zij terug op een Griekschen wijsgeer, met name Aristoteles, die leefde eenige eeuwen vóór de geboorte van Christus. (Men leze hierover het goede boekje van ds. Woelderink, Belijdenis doen, hoofdstuk V). De theologie uit de Middeleeuwen, de z.g.n. scholastieke theologie, is op deze wijsbegeerte van Aristoteles gebouwd. Zij is de theologie der R. Kath. Kerk. Maar ook in het Protestantisme zijn sporen daarvan binnengedrongen.
Eén dezer sporen nu is de opvatting van genade. Volgens de scholastieke theologie is Gods genade geen gezindheid, maar een zelfstandigheid (substantie), die overgereikt kan worden. Het is dan ook geen wonder, dat de R. Kath. Kerk van ingegoten genade (gratia infusa) kan spreken. In de R. Kath. Kerk kan men door middel van de Sacramenten genade verkrijgen, ik zou haast zeggen, zooals men bij den drogist of apotheker geneesmiddelen kan koopen.
Nu komt deze opvatting wel niet in deze vorm in onze Kerk voor. Integendeel, in sommige kringen heeft men eerder minachting voor de Kerk als bemiddelaarster der genade (in zoover de prediking van het Woord Gods, hèt genademiddel, in haar midden geschiedt, dus niet in Roomschen zin), dan dat men die Kerk, zooals de Roomschen, overschat. Maar de beschouwing der genade is toch gelijk. Zij wordt voor een (onstoffelijke) zelfstandigheid aangezien. Dit heeft ten gevolge, dat men rustig wacht en wacht, of God Zijn genade eens zal geven, dat God die genade a.h.w. zal ingieten. U hebt de uitdrukking : die man of die vrouw bezit genade — wel eens hooren gebruiken. Daaraan ligt dezelfde gedachte ten grondslag. Alsof God Zijn genade uit de hand zou geven. En alsof er ware vroomheid mogelijk was, zonder dat God den mensch daartoe van oogenblik tot oogenblik in staat stelt.
Neen, mijne vrienden, het staat met Gods genade zoó, dat zij moet worden aanvaard, aangenomen. Gods genade is geen zelfstandigheid, die, buiten het bewustzijn om, den mensch kan worden ingegoten, maar Zijn genadige gezindheid, die Hij ons openbaart In Zijn Woord, die Hij tot uitdrukking brengt in Zijn beloften (in dat zelfde Woord). En nu wordt van den mensch gevraagd, dat Hij dat Woord gelooft, dat hij zich vastklemt aan die beloften. Wat dat betreft, laat de Bijbel ons niet in het onzekere. Bekeert u en gelooft hot evangelie, zoo lezen we. Eerst langs dien weg kunnen wij deelgenoten worden van Gods genadige gezindheid. Zoovelen Hem aangenomen hebben, heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, n.l. die in Zijn naam gelooven. En nu blijft het waar, dat niemand iets kan aannemen, tenzij het hem uit den hemel wordt gegeven. Maar niettemin blijft de eisch tot aanneming gelden, is de mensch verplicht tot het geloof. Wij mogen ons onvermogen nooit tot verontschuldiging aanvoeren voor ons ongeloof. Dat is weer niet Calvinistisch.
Wij mogen niet zóó redeneeren : „Ik kan niet uit mezelf gelooven, dus: doe ik het ook niet." Dat zou een zich onttrekken zijn aan een goddelijken plicht en ons schuldig stellen voor Gods aangezicht. Er staat immers : wie niet gelooft, is alreede veroordeeld.
Hoe moeten wij dan spreken? Zoó. De Heere zegt tot mij : bekeert u en gelooft het evangelie. Ik zal het dus doen. Maar ik weet, dat ik mij niet kan bekeeren, en uit mijzelf niet tot geloof kan komen. Daarom zal ik de kracht daarvoor van den Heere verwachten, en ik zal het geloof niet aan mijzelf danken, maar aan Jezus Christus, den oversten Leidsman (d.i. beginner) en Voleinder des geloofs. Dat is echt Bijbelsch en Calvinistisch.
Mijne vrienden, ik ben aan het eind gekomen van mijn lezing. Ik heb getracht u door de teekening van vier kenmerkende leerstukken een voorstelling te geven van het Calvinisme als godsdienstige richting. En verder heb ik u laten zien, hoeveel daarvan in het heden nog leeft in onze Hervormde Kerk. Tegelijkertijd moesten wij echter hooren, op welke punten zich misvattingen en afwijkingen daarvan vertoonen bij de Gereformeerde groep in onze Kerk. Ik toonde u ook aan, uit welke bronnen die dwalingen zijn voortgekomen.
Gelukkig echter beginnen de oogen van vele onzer Gereformeerde geestverwanten weer open te gaan daarvoor, en wenscht men terug te keeren tot het zuivere Calvinisme. Een bewijs daarvan vind ik in uw plaatselijke Afdeeling van onzen Gereformeerden Bond, die dezen cursus over het Calvinisme heeft georganiseerd. Ik kan dat niet anders dan als een verblijdend teeken beschouwen. Ik hoop, dat uw belangstelling voor de geschriften van Calvijn door deze lezingen zal zijn aangewakkerd, en dat gij u zult wijden aan het onderzoek onzer Gereformeerde, en zooals u thans weet, mag ik zeggen, Calvinistische belijdenisgeschriften. Hoe meer kennis wij daarvan hebben, des te vaster zullen wij staan in het geloof, en des te minder zullen wij vatbaar zijn voor dwalingen, die niet anders dan schade kunnen toebrengen aan het gezonde geloofsleven.
De Heere zegene uw arbeid in deze en geve, dat daardoor mag worden bijgedragen aan de oprichting van onze oude en geliefde Nederl. Hervormde Kerk uit haar diepen val, maar bovenal, dat Zijn Koninkrijk daardoor mag worden uitgebreid, tot eer van Zijn naam. Ik heb gezegd.
Rijnsaterwoude.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juli 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

Het Calvinisme en het Heden

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juli 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's