De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

NATUUR EN GENADE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

NATUUR EN GENADE

8 minuten leestijd

II.
In den beginne schiep God den hemel en de aarde.
Dit majestueuze woord, waarmede de Schrift begint, bedoelt niet enkel de oorsprongen dezer wereld voor ons te ontsluiten als een historisch feit, dat in het verre verleden achter ons ligt; het wil tevens den zin en de beteekenis daarvan voor ons onthullen, omdat dit feit de geschiedenis dezer wereld en haar waarde bepaalt.
Dat God de Heere den hemel en de aarde heeft geschapen met al wat daarin is, alle ding in het aanzijn heeft geroepen door het Woord Zijner kracht, bepaalt van den aanvang af de betrekking, waarin deze wereld staat en blijft staan tot God in den hemel, bepaalt dus ook de betrekking, waarin de mensch staat en blijft staan tot zijn God en stelt als zoodanig mede vast het karakter der ware religie.
De leer der schepping is in de leer der christelijke religie, waarin de Kerk van Christus van den aanvang af haar leden heeft onderwezen, (denk aan den catechismus of onderwijzing in de christelijke leer) geen vreemd element of bijkomstig stuk, maar behoort zeer wezenlijk tot haar, zoodat wegneming daarvan haar innerlijk en eigenlijk wezen zou verkrachten.
In de leer der schepping hebben wij dus niet te doen met een wijsgeerige beschouwing over de oorsprongen dezer wereld, gelijk ten allen tijde de wijsgeeren zich met deze vraag hebben bezig gehouden. Zij isi geen gevolg van de aanraking der Christelijke Kerk met de wijsbegeerte van het Westen, geen vrucht van een huwelijk tusschen christendom en wijsbegeerte. Zij komt niet op uit het peinzen van de theologen der Christelijke Kerk om de verborgenheden Gods nader te mogen verstaan. In en met de Schrift zelf is deze leer gegeven. (En dat in het eerste woord der Schrift deze waarheid ons ontsloten wordt, is niet toevallig, maar geeft te kennen, dat deze waarheid heel de Schrift beheerscht en bepaalt. Zij is de hoeksteen van het gebouw der Godsopenbaring; de waarheid, die de sleutel is, waardoor alle andere waarheden geopend worden.
Niet altijd wordt de groote beteekenis van de leer der schepping door onze menschen beseft. De leer der verlossing krijgt vaak een eenzijdigen nadruk. Dat God de Vader de Almachtige is, de Schepper van hemel en aarde, wordt vaak als iets bijkomstigs aangemerkt; men meent, dat het voornaamste van het eerste artikel van ons algemeen ongetwijfeld christelijk geloof is, dat deze God en Vader om Zijns Zoons Jezus Christus' wil ook ons tot een God en Vader is geworden. Maar de bizondere vaderbetrekking, waarin God de Vader zich tot de Zijnen heeft willen stellen, kan niet verstaan en begrepen worden zonder de waarheid, dat Hij het is, die ons geschapen en in het aanzijn heeft geroepen. Wie de leer der schepping niet zuiver bewaart en aan de leer van de verlossing niet ten grondslag legt, moet noodzakelijker wijs ook in de leer der verlossing afdwalen.
Het piëtisme - het zij hier terloops reeds even opgemerkt — is b.v. vrucht van het verwaarloozen van de groote beteekenis van de leer der schepping ; de leer der verlossing wordt hier eenzijdig op den voorgrond gesteld, wijl los gemaakt van de leer der schepping. De verlossing is geen middel tot verwerkelijking van het doei der schepping, maar ontvangt haar doel in zich zelf. Kennis der verlossing wordt daarmede het hoogste en het eenigste, waarnaar de christen heeft te staan. In de kennis der verlossing kan men dan helt gevoelsleven een zeer belangrijke plaats inruimen ; men kan ook het gevoelsleven uitschakelen en alleen van geloof spreken, maar zich verlost te weten is het voornaamste, dat een christen heeft te kennen, wijl in de verlossing Gods werk zijn einddoel heeft bereikt. Dat een christen nog een taak en roeping van Gods wege heeft te vervullen, wondt niet ontkend maar wel als iets bijkomstigs gezien, dat met zijn christenzijn eigenlijk weinig te maken heeft.
In de leer der schepping ligt allereerst onze algeheele afhankelijkheid van God besloten. Afhankelijkheid wordt hier bedoeld als tegenstelling van zelfstandigheid. Wie de wereld door God gevormd ziet uit een stof, die onafhankelijk van God mede eeuwig is, geeft aan deze wereld een zekere mate van zelfstandigheid tegenover God in den hemel. Ook de mensch heeft dan aanspraak op deze zekere maat van zelfstandigheid en als hij zich niet altijd wil laten vormen, zooals God dat wil, moet deze weerbarstigheid verklaard worden uit deze betrekkelijke onafhankelijkheid, die hem van nature eigen is. Het behoeft geen betoog, dat die zoude hier ophoudt zonde te zijn in schriftuurlijken zin.
En wie de wereld naar de leer van het pantheïsme uit het wezen Gods doet opkomen, hij moge de wereld daardoor geheel en al aan God en Zijn wezen binden, hij geeft nochtans aan de wereld en als zoodanig aan den mensch ook een zekere maat van zelfstandigheid, wijl het schepsel hier betrekkelijk op één lijn met den Schepper komt te staan. Het kind, dat door zijn vader verwekt is, mag eerst een tijd geheel van den vader afhankelijk zijn, er komt een tijd, dat dit kind zelfstandig wordt en als een zelfsltandig man tot zijn vader komt om met hem te beraadslagen over een en ander. In de leer van het pantheisme is nimmer plaats voor de leer der zonde naar schriftuurlijk inzicht en daarmede evenmin voor de leer der verlossing, die in het evangelie begrepen is. Ook daar blijkt opnieuw de nauwe samenhang tusschen de leer der schepping en de leer der verlossing.
De afhankelijkheid, waarin de schepping alle schepsel en ook den mensch afhankelijk maakt van God, betrekt zich niet alleen op zijn wording maar ook op zijn bestaan en als zoodanig eveneens op het doel van zijn bestaan. Het kind, dat hier door den vader verwekt is, moge eerst gansch hulpbehoevend, zijn, het groeit meer en meer op en daarmede wordt de afhankelijkheid van het kind ten opzichte van den vader steeds kleiner ; hij wordt meer en meer de even gelijke van zijn vader. Maar de mensch, die door God geschapen en in het aanzijn geroepen is, komt dit onderscheid, dat hiermede gegeven is tusschen God en mensch, nooit te boven. Of hij van een hulpbehoevend kind tot 'n volwassen mensch opwast, doet hier niets ter zake. Hij blijft immer een schepsel en het onderscheid tusschen Schepper en schepsel blij fit immer even groot. Zelfs doet het hier niet ter zake, dat de mensch naar den beelde Gods geschapen is. Daardoor wordt de mensch wel van alle andere schepselen onderscheiden; daarmede wordt wel uitgedrukt, dat in den mensch de hoogheerlijke deugden Gods het klaarst zijn uitgedrukt, maar wij moeten er immer weer aan toevoegen op schepselmatige wijze. Niettegenstaande zijn schepping naar het beeld van God is: en blijft hij een schepsel en op dezelfde wijs mogen wij zeggen : niettegenstaande de verlossing, niettegenstaande de genade hem bewezen, waardoor hij in de eeuwige 'gemeenschap met God wordt opgenomen, is en blijft hij een schepsel Gods. Het diepgaande onderscheid tusschen den Schepper en het schepsel wordt ook door de genade niet weggenomen. Integendeel, waar juist de zonde bedoelde dit onderscheid uit het bewustzijn van den mensch uit te wisschen, is het de taak der genade, die van zonde verlost, deze schepselbetrekking ten diepste in het bewustzijn van Gods kinderen in te griffen, opdat zij God de eere mogen toekennen, die Hem toekomt.
Gansch oppervlakkig is het echter deze betrekking van afhankelijkheid, waarin het schepsel tot den Schepper staat, in hoofdzaak te betrekken op het lichamelijk bestaan van den mensch. Natuurlijk kunnen wij ons zonder Zijn wil roeren noch bewegen, zijn wij in al onze gangen en daden afhankelijk van Zijn onderhoudende kracht; want Hij is het, die den adem en het leven ons geeft, en neemt Gij hun adem. weg, zoo sterven zij. De betrekking van afhankelijkheid, waarin de schepping ons stelt tot den Schepper, moet echter naar schriftuurlijk inzicht dieper worden gevat; zij heeft niet .alleen betrekking op ons kunnen in lichamelijk en geestelijk opzicht, maar zij heeft bovendien betrekking op den zin van ons leven en op het doel van ons leven en bestaan. De zin van ons leven wordt niet door ons zelf bepaald en het doel van ons leven niet door ons zelf gesteld ; beide zijn in en met onze schepping van God gegeven. Dit ligt in het van God geschapen zijn opgesloten. En wij zijn krachtens ons geschapen zijn geroepen deze beide, zin en doel van ons leven en bestaan, te aanvaarden zooals die door onzen Schepper in onze schepping gelegd zijn.
O.a.d.IJ.
Woelderink

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juli 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

NATUUR EN GENADE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juli 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's