KERKELIJKE RONDSCHOUW
MOED VERLOREN, ALLES VERLOREN
De tijden zijn moeilijk en zwaar. Hoevelen onzer ervaren het niet! Alom is zorg en zwarigheid. De 'Heere heeft diepe wegen met ons volk gehouden. En waarlijk niet met ons volk alléén.
Wat nu zoo ellendig is ?
Dat vele kankeraars daar gebruik, of liever, misbruik van maken.
Nu al een aantal jaren hebben ze hun sombere profetieën doen hooren, die altijd hierop neerkwamen : zooals 't nu gaat, gaat het niet goed ; en zooals „men" het nu bestuurt en regeert en leidt, is het allerongelukkigste wat men zich denken kan ! Jaar op jaar heeft men nu het volk verteld, dat we er zóó nooit zouden komen. Wat men vertelde, om dan eigen inzichten en eigen partij aan te bevelen, zeggende dat er dan nog een schoone toekomst wacht, als men zelf maar eens aan 't bewind mocht komen, om de leiding over te nemen. De somberste cijfers verzamelde men. De.somberste verhalen zocht men bij elkaar. Leugen, fantasie, halve waarheden, wist men handig door elkaar te mengen en te maken tot één reusachtige verdachtmaking en leugen aan 't adres van de regeering. En zoo strooide men het zaad van wantrouwen uit, jaar op jaar. En men predikte feitelijk verzet en oproer — om zelf het vertrouwen te winnen, net als Absalom deed in de dagen, toen zijn vader David regeerde.
Kankeraars weten altijd wat, maar het is zelden iets goeds.
Ze bekladden ieder mensch en prijzen zichzelf.
Ze maken alles verdacht en vragen vertrouwen voor eigen zaakje.
Ze grieven menschen en ze hoonen God — doordat ze opzettelijk de oogen sluiten voor het goede, dat de Heere door menschen geven wil.
Velen zijn er, die deze kanker aars volgen met woord en daad. 't Slechte voorbeeld werkt aanstekelijk. En zoo zal het, als de Heere het niet verhoedt, straks slecht met ons volk afloopen. Wij vreezen met een groote vreeze. Want de beproefde stelregel is : verdeel en heersch. Maar die zóó werkt om te verdeelen, zal straks ervaren dat degenen, die wind zaaiden, storm zullen oogsten.
Brekers hebben we genoeg. Bouwers zijn echter beter.
En nu verheugt het ons — ook in deze rubriek willen we er met een enkel woord melding van maken — dat een man als onze Minister-President, die nooit anderen bekladt, noch scheldt, noch verdacht maakt, doch altijd met voorbeeldige trouw en ijver met z'n eigen werk en taak bezig is, in de dagen die nu pas achter ons liggen, mocht getuigen, dat het met het volksleven en het volkswelvaren weer wat beter gaat dan de laatste jaren het geval is geweest.
„Wanneer een Staatsman als Colijn zich zóó durft uiten, dan is het" — aldus De Rotterdammer" — „alsof de aanvoerder van hét maatschappelijk leger tot zijn mannen zegt: het oogenblik is gekomen, om thans met volle kracht voorwaarts te gaan. De voorbereidende maatregelen zijn getroffen. Zij hebben nu reeds hun doeltreffendheid bewezen, en zij zullen, indien geloof en moed samengaan, ons volk, hetwelk werken wil en kan, voeren tot een toekomst, niet vrij van zorgen, maar waarin toch weer de hand van den vlijtige gezegend zal worden".
Neen, we zijn er nog niet. Nog lang niet!
Maar heeft de Heere ons volk en Vaderland, ook in de jaren die achter ons liggen, niet gezegend boven andere volkeren en landen ?
Zeker ! de maatregelen zijn niet zelden straf geweest en streng en ze zijn dikwijls
„diep in 't vleesch" gegaan.
Maar kunnen en mogen en moeten we — tot Gods eer en ook uit dankbaarheid tegenover menschen — niet erkennen, dat wij voorrechten hebben gehad en gehouden boven onze naburen ?
En daarom is nu onze Christenplicht rustig en met vertrouwen onzen weg verder te gaan, de oud-Vaderlandsche spreuk in toepassing brengend : „Eendracht maakt macht".
Geen aankondiging van preeken meer
Op Amerikaansche wijze is men de laatste jaren ook in Nederland gaan werken in betrekking tot de Kerk en het bijwonen van de godsdienstoefeningen.
Luidruchtige reclame met Turksche trom enz. hebben we nog niet. Maar het scheelt niet veel meer. In elk geval ontbreekt de reclame niet en deze is al uitgedijd in de lengte en in de breedte. Alles om het „kerkpubliek" te trekken. De lust bij velen om te komen, ontbreekt. En de „concurrentie" is groot. Veel aanbiedingen — in elke wijk van de stad legio en op een dorp staat kerk en lokaal en schuurtje vlak naast elkaar, overal met ds. die en ds. die als voorganger! — en als dan de liefhebbers niet vele zijn, dan zoekt men naar allerlei attracties, om toch maar de aandacht op zich te vestigen en de menschen „lekker" te maken.
'Zoo was er de laatste jaren ook gekomen een reclame-achtige bekendmaking van de „onderwerpen", die er „behandeld" worden. En dat moeten dan pikante onderwerpen zijn natuurlijk, om nieuwsgierigen begeerig te maken, dat ze komen zullen om te luisteren naar den spreker, die het zoo mooi zeggen kan !
Gelukkig is — en nog wel uit den kring van Vrijzinnig Hervormden — nu de stem gehoord : niet meer doen ! De vrijzinnige predikanten van Drachten, ds. D. Bakker en ds. J. Dikboom, hebben gepubliceerd, „dat zij voortaan het onderwerp van hun preeken niet meer in de courant zullen aankondigen". Zij achten het — gelukkig ! — in strijd met het wezen en de taak van de Kerk". De Kerk is — zeggen ze — meer dan een vereeniging. De Kerk is de bewaarster van de schat der eeuwen. En wij meenen — aldus deze vrijzinnige predikanten — dat het daar bovenal en allermeest om gaat, als wij als gemeente samenkomen, 't Gaat om de boodschap, die ons oordeelt en beschaamt, maar ons tegelijk zegent en roept. En nu maakt het bij ons verschil, of wij ons naar de kerk 'begeven om te hooren, wat éen van ons zeggen zal over dit of dat onderwerp, of dat wij samen leeren opgaan tot den eeredienst voor het aangezicht van Hem, Wien ons leven behoort".
Wij willen op elk woord hier geen onderzoek instellen of het juist is zóó de dingen te zeggen. Maar met de hoofdstrekking zijn we het eens : de Kerk moet de menschen niet trekken door de annonce, dat een of ander onderwerp — en dan natuurlijk een pikant onderwerp — behandeld wordt. Dat is in strijd met het wezen en de taak van de Kerk.
Wij zijn benieuwd, hoe dit nu zal ontvangen worden door de dominees, die het van die onderwerpen hebben moeten. En zulke dominees zijn er, helaas !
We denken aan den dominee, die vroeger in Drachten stond en nu in Rotterdam experimenteert, vooral door reclameborden en meer nog door advertenties, waardoor het onderwerp wordt bekend gemaakt, dat behandeld zal worden. Rondom St. Nicolaas is de duivel dan de zwarte Piet; rondom de Erasmus-herdenkingen doet „het ei van Erasmus, door Luther uitgebroed" opgeld ; en het onderwerp is „het blad, dat de geleerde omslaat, als hij de klok hoort slaan".
Anti-militairisme wordt door oorlogsschandalen gepredikt. Lijkverbranding wordt smakelijk gemaakt. En zoo gaat het telkens weer met een nieuw programma.
Dat presteert de vrijzinnige ds. Westmijse, te Rotterdam, vroeger te Drachten werkzaam.
Maar z'n collega, ds. M. H. A. van der Valk, welbekend, doet niet voor hem onder. Zondag j.l. nog was het pikant! Per advertentie werd den volke bekend gemaakt, dat het onderwerp van den dag zou zijn : „Geen deskundige in Goddelijke rechtsgeleerdheid, maar bewaarschoolkind op Gods genadebank"; met vervolg des avonds : „Verdachtmaking, aanklacht, nederlaag, uiteindelijke overwinning".
Ra, ra, wat is dat ?
Of dit origineel is, weten we niet. Of het geniaal is, weten we ook niet. Maar schandalig vinden we het wel. Onheilig gedoe. Reclamemakerij die verboden moest worden.
Gelukkig, dat men weer gaat spreken over „het wezen en de taak van de Kerk" !
We zullen hopen, dat het een gunstig gehoor zal vinden hier en daar.
Moge het onder ons meer en meer gaan om de prediking des Woords en de bediening der Sacramenten, naar de instelling van Christus !
DE ZON DER GERECHTIGHEID
Het is vooral Calvijn die er op wijst, dat de Heere geleidelijk Zich aan Zijn volk geopenbaard heeft en dat de heerlijkste openbaring is gekomen in Zijn Zoon. Hebr. 1:1: God voortijds vele malen en op velerlei wijze tot de Vaderen gesproken hebbend door de Profeten, heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon".
„Want de Heere heeft", zegt Calvijn, „in het uitdeden van het verbond Zijner barmhartigheid dezen regel en deze orde gehouden, dat hoe nader men, bij het voortgaan van den tijd, kwam bij de volle verwezenlijking. Hij het bij den dag met des te grooter uitbreiding der openbaring verlichtte. Daarom zijn er in den beginne, toen de eerste belofte der zaligheid aan Adam gegeven was, . als het ware slechts kleine vonkjes zichtbaar geweest; daarna zijn die toegenomen en begon zich een grootere luister van licht te vertoonen, dat vervolgens meer en meer te voorschijn is gekomen en zijn glans al breeder heeft uitgebreid, totdat eindelijk, nadat alle wolken verdreven waren, Christus, de Zon der gerechtigheid, de gansche wereld ten volle verlicht heeft. (Institutie, Boek H, hoofdstuk 10, par. 20).
Dit beeld is bij Calvijn zeer geliefd, waar hij spreekt over de voortgaande openbaring van het verbond van Gods barmhartigheid, 't Gaat van schemering tot licht.
God handelt — zegt Calvijn — met den mensch als met den zwakke van gezicht, die allengs aan het licht moet wennen ; of als de geneesheer, die telkens andere en sterkere geneesmiddelen voorschrijft (Inst. n, 11, 14) ; of als de landman, die, naar het jaargetijde, de werkzaamheden regelt (II, 11, 13) ; of, nog liever : als de vader met het kind, dat eerst allengs den vollen rijkdom der vaderlijke barmhartigheid leert kennen en het doel van z'n leven leert verstaan (II, 11, 13 ; Gen. 26 : 2 ; Hebr. 6 : 17 ; Gen. 17:7; Ps. 74 : 19 ; Jer. 44:28).
God is de groote Paedagoog, die Zijn volk opvoedt en Zijn kinderen brengt van het kleinere naar het grootere, om Zijn Kerk hoe langs hoe meer en hoe langs hoe beter te leeren verstaan, wat Hij doet tot eere Zijns Naams en tot zaligheid van Zijn volk, tot opbouw van Zijn Koninkrijk.
Menigmaal noemt de Heere dan Christus : de Zon der Gerechtigheid ; Sol Justitiae ! Tot dat volle licht gaat het en als de volheid des tijds gekomen is verschijnt het Licht der wereld.
Sol Justitiae. Die Naam is ontleend aan Maleachi 4 : 2, en daar teekent Calvijn dan aan (in zijn Praelectiones of Voorlezingen): God heeft altijd Zijn Kerk verlicht, maar Christus bracht het volle licht aan". En zoo is de naam „Zon" op Christus toepasselijk, omdat God de Vader veel helderder in Zijn Persoon licht schonk, dan eertijds door de Wet en de aanhangsels van de Wet. En in dezen zin noemt Christus Zich ook „het licht der wereld". Niet, omdat de vaderen doolden als blinden in de duisternis, maar omdat zij reeds tevreden waren met het morgenrood, of met de maan en de sterren.
Toen de hemelen geopend zijn door het Evangelie is ook de Zon opgegaan, die het volle daglicht schonk."
Van Adam gaat het tot Abraham. Van de Aartsvaders tot de Profeten. En in deze laatste bedeeling, die nu over óns is aangebroken, heeft de Heere tot ons gesproken door den Zoon.
Nu staat de Zon der gerechtigheid aan den hemel.
Sol Justitiae, illustra nos ! Zonne der gerechtigheid, bestraal en verlicht ons !
+ HET COMMUNISTISCH GEVAAR (1)
„Het Communisme", aldus prof. dr. J. Sebestijén, „trad in Hongarije den 21sten Maart 1919 op en duurde tot den Isten Augustus, dus 132 dagen lang".
„Hoe was het toch mogelijk", aldus vroeg men mij, „dat er in Hongarije, waar ruim 4 miljoen Protestanten wonen, de Communisten zoo gemakkelijk, zonder strijd en oppositie, tot heerschappij konden komen ? "
Om dit te begrijpen, moet men Hongarije, het geestelijk karakter van de Hongaarsche maatschappij, de politiek, de Kerk, de school, beter kennen.
De grondoorzaak van Hongarije's ramp en catastrophe is in de ontkerstening van het volk en vooral van de stedelijke bevolking te zoeken, en tevens in het vooruitdringen van den modernen, ongeloovigen, revolutionairen tijdgeest. Tot de 70er en SOer jaren van de vorige eeuw had de Hongaarsche cultuur nog vele mooie karaktertrekken. Zij was Christelijk gezind, krachtig nationaal, eerlijk, ernstig, zedelijk; en deze waren vooral de vruchten van den invloed van , het Calvinisme, dat tot de opkomst van den modernen tijdgeest een zeer groote rol in de ontwikkeling van de Hongaarsche cultuur speelde op velerlei gebied.
Maar sinds 1890, en vooral 1900, kwam het moderne radicale liberalisme door de poorten van de politiek en de pers binnen en heeft met zijn liberalistische geest onze heele cultuur beïnvloed. En vooral, toen de emancipatie of gelijkstelling der Joden is gekomen en het geldwezen en de pers geheel en al in handen van Joden en van door Joden naar voren gebrachte vrijdenkers en revolutionaire vrijmetselaars waren gevallen, was het lot van Hongarije beslist.
De rol van het Protestantisme in het algemeen en van het Calvinisme in het bijzonder kan niet schitterend genoemd worden. Want het Calvinisme is — aldus prof. Sebestijén — aan valsche leuzen ten offer gevallen en heeft het liberalisme versterkt. De mooie vrijheidsideeën van het Calvinisme hebben de moderne radicale elementen misbruikt, om onder deze eeuwenoude toetrouwbare vlag, hun valsche lading binnen te smokkelen onder het volk. En vele leidsmannen van onze Kerken hebben dit niet bijtijds opgemerkt !
Vóór den oorlog was de invloed van de Protestantsche Kerk uiterst zwak. De gansche pers was in handen der Joden, vrijdenkers en radicalen. De Christelijke pers was in het geheel slechts door één enkel Roomsch dagblad vertegenwoordigd, terwijl de Protestanten geen enkel orgaan in het geheeIe land hadden!
Vóór den oorlog ging de politiek bij ons niet om groote beginselen van een wereldbeschouwing (b.v. van geloof of ongeloof). Want heel 't Hongaarsche leven werd sinds 1848 beheerscht door de gedachte : vóór of tegen Oostenrijk. Alle partijen waren liberaal en slechts gradueel van elkaar verschillend. Christelijke politiek op Protestantsch gebied bestond absoluut niet; en de gedachte van een Calvinistische politiek heeft de algemeene publieke meening als bekrompen en reactionair met afschuw gebrandmerkt.
De Sociaal-democraten hebben toen — ofschoon zij toen in het Parlement nog geen enkelen zetel hadden — met allerlei middelen van geweld — werkstakingen, ophitserij enz. — hun wil doorgezet. En met volle bewustheid is het groote ondermijningsproces van 't Hongaarsche Staatsleven door de Socialisten en de radicale revolutionaire elementen begonnen.
De School — en niet alleen de z.g.n. Openbare of neutrale, maar ook zelfs gedeeltelijk de Protestantsche Christelijke School, is met de groote liberalistische strooming meegegaan. Onze leeraars en onderwijzers hoorden steeds de verlokkende woorden : „Gij, Protestanten, gij zijt en waart altijd de leiders der vrijheid, van het vrije onderzoek, van de vrijheid van geweten, enz. Gij moet dus ook nu voor deze rechten strijden en ónze idealen verdedigen "
Zóó kwam het ten slotte, dat in onze scholen het Christelijk karakter door het modernisme geheel verloren ging.
De invloed van de moderne, ongeloovige wetenschap heeft het radicalisme nog vérder geholpen. Van Christelijke wetenschap kon geen sprake zijn. Het eenige, officieele, wettige, een modern mensch en een student waardig standpunt was, dat van de moderne atheïstische wetenschap, natuurwetenschap, philosophie en vooral sociologie, economie en politiek, ging deze richting uit. En van Christelijke zijde heeft men slechts een zeer zwakken dam daartegen kunnen opwerpen.
Het evangelie van de haat werd gepredikt door de Sociaal-democratie. De „bankokratie" van de Joodsche bankiers, die zonder medelijden waren en geen oog en geen hart hadden voor het volk, verbitterde het leven. Materialisme, klassenmoraal, klassenstrijd en daartegenover een zwak en krachteloos Christendom; weinig geestelijk leven.
Zoo was het in Budapest, zoo was het overal. En dat is beslissend geworden voor ons volk. Met de verschrikkelijkste gevolgen. 31 October 1918 kwam de revolutie door de gewetenlooze actie van de revolutionaire elementen.
Aldus prof. Sebestijén in zijn mooie boekje : , ; Het Communisme in zijn ware gedaante". Kok, Kampen 1925, blz. 1—17.
Waarom wij dat hier nog eens even ophalen, wat er in Hongarije is gebeurd ?
Omdat Nederland buitengewoon acht moet geven, anders gaat het dezelfde weg op !
Men wil zoo graag het Christelijke uit de wetenschap, uit de pers, uit de politiek, uit de school wegwerken, onder valsche leuzen van verdraagzaamheid, vrijheid, enz. enz.
En er zijn altijd weer menschen, die voor deze redeneeringen vatbaar schijnen te zijn. Waarbij de Socialistische, Communistische, atheïstische, revolutionaire elementen in de handen klappen.
Hoe zwakker daarbij de Kerk staat in haar Christus-belijdenis, hoe liever dat men 't heeft.
Atheïst, Jood, Communist, Socialist — ze liggen op de loer.
Ook hier in Nederland.
Nederland, let op uw zaak ! 't Communistisch gevaar is niet denkbeeldig ! De revolutionaire elementen roeren zich !
De geestelijke ontwikkeling van Groen en de ontwikkeling van ons Volksonderwijs. (6)
In : „Hoe de Onderwijswet van 1857 tot stand kwam" blz. 195 enz. leezen we een brief van Groen geschreven aan Van der Brugghen op 5 Augustus 1857, waarin we zien hoe bitter ernstig de gang van zaken voor Groen was. We schrijven dezen brief hier af :
Hoogedel Gestrenge Heer ! Uw letteren heb ik eenige dagen onbeantwoord gelaten, omdat de vraag : wat zal ik antwoorden ? mij telkens in verlegenheid gebracht heeft. Een vriend zijt ge mij, in de volle beteekenis van het woord, jaren achtereen geweest; gij zult, althans het is mijne hoop en bede, eenmaal wederom mijn vriend zijn. U in de tegenwoordige omstandigheden dien naam te geven, komt nauwelijks, zoo het iets méér dan een woord is, met volkomen oprechtheid overeen ; Komt vooral niet overeen met den ernst en het hoog gewicht der zaak, die schelding tusschen ons teweeg brengt. Van weerskanten zijn we tot vergeven en tot het reiken van de broederhand gezind; doch meer dan ééne zinsnede in uw schrijiven toont dat de tijd, helaas ! nog niet gekomen is waarop we elkander kunnen verstaan.
Gij meent dat mijne oppositie gekenmerkt werd door onbetamelijke scherpheid ; ik acht dat ik u, oneer wellicht dan mij vergund was, in en buiten de Kamer, gespaard heb.
Gij beroept u op de nakomelingschap; ik ben overtuigd, dat het strenge vonnis der tijdgenooten van bijkans elke richting door tiaar aal worden beaamd. Daarom was het, dat ik in de Tweede Kamer, in het belang, zoo mij toescheen, van uwe nagedachtenis de verklaring eener voortdurende hoogachting en liefde uitsprak ; verklaring die alleen rusten kon op de onderstelling eener oprechtheid waarmee uw gedrag in tegenspraak is, naar het oordeel van allen, die met hetgeen ik mij veroorloofd heb uw exceptioneel karakter te noemen, niet bekend zijn. Later, vroeg of laat, zult gij zelf mij recht doen wedervaren. Als de dag van kalme overweging aanbreekt, zult gij Inzien, dat het mij nooit te doen geweest is om te kwetsen, maar om, zonder aanzien des persoons, getuigenis te geven tegen een handelwijze die, in mijne schatting, onberekenbaar nadeel gesticht heeft.
Wees verzekerd dat ik met christelijke belangstelling aan u denk en, niet minder dan gij, verlangend uitzie naar het oogenblik waarop wezenlijke toenadering zal mogelijk zijn".
Groen bleef, ook buiten de Kamer, voortgaan om met woord en daad op den duren eisch van Christelijke Scholen te wijzen. In elkaar snel opvolgende geschriften lichtte hij ons volk voor, tot predikanten richtte hij onderscheidene adviezen, om toch in hun gemeente ten aanzien van het Christelijk onderwijs hun roeping te verstaan, zijne gaven uit particuliere middelen vloeiden ruim voor bijzondere Christelijke Scholen, wier schreiende behoefte men steeds dieper voelde. Het was en bleef een jagen naar het ideaal, waaraan hij zijn ziel verpand had en dat hij in '57 zoo bitter zag weggeslagen, of hij het thans wellicht nog grijpen kon : christeIijk volksonderwijs voor kinderen eener gedoopte natie.
De in 1860 opgerichte Vereeniging voor Christelijk-Nationaal Schoolonderwijs (C.N.S.) bracht in dit streven meer vastheid van organisatie. Groen was de geestelijke 'vader wan deze Vereeniging. Haar voorzitter is hij niet geweest, wel haar Eere-Voorzitter en in alles de geestelijke motor. Hij leidde haar actie, redigeerde haar Berichten en Bijdragen, verdedigde haar program, ook in petities aan de volksvertegenwoordiging.
Na vijfjarige afwezigheid nam hij weer zitting in de "Tweede Kamer en in 1862 was zijn eerste woord aan de verdediging van zijn standpunt gewijd : „In den feitelijk godsdienstloozen Staat zijn christenen, voor wie ik rechtens de vrijheid ter christelijke plichtsbetrachting vraag".
Toen begon zijn moeizame kamp met Thorbecke voor die christenen, die verstonden en voelden wat hun christelijke plichtsbetrachting was in zake de opvoeding en de onderwijzing hunner kinderen!
„Het is ons niet te doen om aftroggeling van een aalmoes. Wij vragen aan de Kamers en de Kroon, niet als gunst, maar als recht, het handhaven der dierbaarste vrijheden, eigendom der natie”.
En toen Thorbecke staande hield, dat de openbare school niet godsdienstloos was, tenzij men godsdienst opvat in „zoodanige bekrompen beteekenis, dat hetgeen in een of ander boek, onder zekere formulieren begrepen is, alleen godsdienst zou zijn" — toen antwoordde Groen met een stem, die trilde van emotie : „zóó bekrompen zijn wij. Wij hechten nog aan zekere formulieren, wanneer men daarin het eenvoudig en evangelisch geloof van den Christen terugvindt. In onzen Catechismus luidt de eerste vraag niet: hoe velerlei godsdiensten zijn er ? Maar: „welke is uw eenige troost, belde in het leven en in het sterven ? " Wij hechten nog aan de Heilige Schrift. Volgens haar heelt de simpel, niet met handen gemaakt, waar men aanbidt in geest en in waarheid, tot opschrift niet slechts : „Komt allen tot Mij, gij die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven", maar ook : „niemand komt tot den Vader dan door Mij." Velerlei godsdiensten zijn er voorzeker, vooral bij het subjectivisme van onzen tijd. Tallooze godsdiensten van filosoof en ongodist /beiden ; maar voor ons, exclusivisten als wij zijn, is er ééne Godsdienst slechts, die niet „in een of ander boek", maar in de Heilige Schrift, In den Bijbel, in Het Boek, geopenbaard is" (Studiën en Schetsen ter Schoolwetsherziening, blz. 11).
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juli 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juli 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's