MEDITATIE
EEN GEBED UIT DE DIEPTE
Een lied Hammaaloth ! Uit de diepten roep ik tot U, o Heere! Heere, hoor naar mijn stem, laat Uwe ooren opmerkende zijn op de stem mijner smeekingen. Zoo Gij, Heere ! de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan ? Maar bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt. Psalm 130 vers 1—4.
EEN GEBED UIT DE DIEPTE
Psalm 130 is een lied Hammaaloth, zooals het opschrift vermeldt. Het is dus één der liederen, die gezongen werden door hen, die bij het naderen der groote feesten opgingen naar Jeruzalem. Over het algemeen zijn de liederen Hammaaloth opgewekt van inhoud, omdat de feestgangers ook verblijd waren als ze zich mochten opmaken om naar Gods huis te gaan. In het hart van den waren Israëliet leefde het brandend zielsverlangen naar 's Heeren voorhoven. Wat de dichter van den 42sten en den 84sten Psalm beschreef als een zieleheimwee naar Gods woning, was den waren pelgrim naar Sion uit het hart gegrepen.
In tegenstelling nu met de vreugde, die u tegenkomt uit andere liederen Hammaaloth, vangt de 130ste Psalm aan met een klacht uit de diepten. Het schijnt wel, dat de dichter door smart op smart getroffen is ; want het is zeker niet zonder reden, dat hij spreekt in het meervoud, niet van diepte, maar van diepten. Over de oorzaak van zijn ellenden kunnen wij slechts gissen. Wij weten verder niets van den persoon van den dichter en zijn omstandigheden af. Het is ons ook genoeg te weten, dat hier een ziel in diepten van ellenden is verzonken en haar gebed uit die diepte tot God opzendt.
Van dezen dichter geldt, dat de nood hem leert bidden. Veelal moet er eerst nood in ons leven komen, voordat we ons met smeeking en gebeden tot God wenden. Zoolang het in het leven voorspoedig gaat, drijft de mensch over de levenszee met wat uitwendige godsdienst en een werktuigelijk gebed. Daarom is een leven met veel verdrukkingen meestal vruchtbaarder voor het geestelijke leven. De christen groeit onder den druk.
Doch niet allen worden door den nood tot gebed gedreven. Als een mensch geen genade bezit, zal de nood des levens hem eerder doen murmureeren, ja, zelfs doen opstaan tegen den hoogen God en Hem ter verantwoording roepen over Zijn doen.
De smarten des levens openbaren dikwijls of wij genade 'bezitten en het kruis in zelfverloochening op ons kunnen nemen, dan of wij slechts een gedaante der godzaligheid hadden zonder de wezenlijke kracht daarvan.
Onze dichter nu wordt in den nood tot God uitgedreven en uit de diepte zendt hij een ontroerende smeekbede omhoog : Heere, hoor naar mijne stem ; laat Uwe ooren opmerkende zijn op de stem mijner smeekingen.
Deze woorden kunnen alleen opwellen uit het hart, dat met diepen ootmoed jegens den hoogen God is vervuld en er van overtuigd is, dat wij bij God geen aanspraken kunnen doen gelden. Hier is een ziel, die haar nood en ellende diep gevoelt en beseft, dat de Heere alleen door vrije gunst bewogen moet worden om den bidder te verhooren.
Onderzoeken wij ons bij ons naderen tot den hoogen God of wij deze gestalte der ziel bezitten.
Als de Psalmist zich nu in zijn ootmoedig smeekgebed voor het aangezicht van den hoogen God stelt, lost zijn gebed zich niet op in een roepen om verlichting van het kruis of redding uit zijn diepe ellende. Gesteld onder Gods heilig oog, gevoelt hij diep en smartelijk de verdorvenheid van zijn gansche wezen en zich zelf veroordeelend, spreekt hij het uit: „Zoo Gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan ? " Als een boeteling staat de dichter voor den Heere. Onder het heilig oog des Heeren gekomen, ligt het hem niet meer zoo vóór op de tong om uit zijn ellende gered te worden, neen, hij zinkt als een verbrijzelde neer voor den heiligen God, voor Wien geen zondaar kan bestaan. Nu gaat het niet om zijn behoud en welzijn in de eerste plaats. Zijn eigen „ik" valt nu weg en hij ziet Gods heiligheid en Gods recht en zich zelf als zwart van zonde. Indien de heilige God Zijn recht aan hem wilde voltrekken. Hij zou hem kunnen verdoen.
Hier is een ziel, die bij de klacht uit de diepte ook kent de klacht over zijn zonde, die de eerste oorzaak is van alle ellende. Ach, werd er bij de vele wederwaardigheden des levens, die de klachten soms zonder tal doen oprijzen uit ons hart, meer afgedaald naar de diepere oorzaak van al ons leed. Dan zou de klacht over onze verdrukkingen vaak verstommen en wij zouden moeten belijden : Heere, Gij straft ons, maar naar onze zonden niet.
In onze tegenwoordige dagen is de lucht vervuld met allerlei klachten, murmureering en wrevel, doch zoo zelden verneemt men de toon van verootmoediging, schuldbelijdenis, zelfveroordeeling. Laat ons Jeremia's woord ter harte nemen, die ibij de verwoesting van Jeruzalem vermaande om niet te klagen over de kastijding, waarmede de Heere het wederhoorige volk van Israël kwam bezoeken, doch aandrong om te weenen over zijn zonde. Laat het kruis en 's levens smarten ons brengen tot ware verootmoediging, wederkeer tot God met de belijdenis : Wij hebben overtreden, wij zijn weerspannig geweest; daarom hebt Gij niet gespaard.
Een ziel nu, die zoo onder Gods recht verbrijzeld, zich zelf veroordeelt, wordt vertroost. De Heere heeft immers geen lust in den dood des zondaars, maar daarin, dat hij zich bekeere en leve. Ook de ziel van den dichter ervaart dit. In de duisternis zijner zondekennis en zelfveroordeeling gaat hem het licht op: Er is bij God vergeving. Neen, de Heere heeft geen lust in verderven, maar in behouden. Wie zich onder Gods recht als een verlorene leert kennen, wordt levend gemaakt door Zijn genade.
Welk een ommekeer in het gemoed van den dichter. Zijn Psalm begon als een klacht uit de diepte. Het wordt een schreeuw uit de verlorenheid. Doch dan wendt de Heere zich tot zijn ziel, die in vele benauwdheden is, in ontferming, en doet 'Zijn rijke vergeving ondervinden en de Psalm eindigt met een jubelzang over de verlossingen des Heeren.
Aan den Psalmist is getoond en verzekerd geworden, dat er (bij God vergeving is. Veel klaarder dan aan den Psalmist nu heeft de Heere op Golgotha in Zijn Zoon, die als het Lam Gods voor de zonde is geslacht geworden, getoond dat Hij gedachten des vredes heeft over een verloren geslacht. Is uw oog er reeds voor open gegaan ? Wee u, indien gij op zulle een duren prijs van de offerande van den Zone Gods geen acht geeft.
Er is hij God vergeving. Heerlijk Evangelie. Waartoe is die vergeving ? Is het om den verlorene van uit zijn oordeel te redden ? Zeker, er waren hij God innerlijke bewegingen van barmhartigheid met den zondaar in zijn deerniswaardig lot. Doch de Psalmist wijst ons op een ander doel met de vergeving. Er is vergeving, opdat de Heere gevreesd worde. Vergeving is er, opdat in het hart des zondaars weer geboren worde die ware kinderlijke vreeze des Heeren, die met diep ontzag en heiligen eerbied opziet tot den Heere en met het gebed leeft: Vereenig mijn ziel tot de vreeze Uws Naams. Leer mij Uw welbehagen doen.
Onstwedde
A. Luteijn
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juli 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juli 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's