De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VRAGEN BUS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VRAGEN BUS

7 minuten leestijd

Vraag : Wat is de grondfout in de Corintische Gemeente, zooals dat blijkt uit hetgeen Paulus bestraffend en waarschuwend schrijft in zijn brieven aan de geloovigen aldaar ?
Antwoord : Daarover moest demand uit „onze" kring nu eens een „studie" maken en een gedocumenteerd stuk geven. Wat zou dat nuttig kunnen werken ook in onze dagen ! Zooals er zooveel op „studie" wacht, nu, gelukkig, weer algemeen belangstelling getoond wordt voor het Kerkelijk en geestelijk leven, in tal van kringen, ook daar waar men het niet zou verwachten. En dan de vragen van „geest" en „vleesch", van „ziel" en „lichaam", van „tijd" en „eeuwigheid" van „leven"' en „sterven" !
Maar om nu tot de vraag in betrekking tot de gesteldheid van de Corintische Gemeente te komen :
De Gemeente van Corinthe is een echt Grieksche Gemeente. Het Christendom en de Grieksche wereld ontmoeten, kruisen elkaar hier. Nu heeft de Griek als edelste vertegenwoordiger van de Indogermaansche volkerengroep, de bijzondere gave van het enthousiasme en hij is koning op 't terrein der beschouwing. Het "verkeeren in hoogere sfeeren van wijsheid en schoonheid is' den Griek eigen ; wat een mooie deugd is, maar tegelijk vol gevaar. Want het gevaar dreigde altijd, dat men oversloeg in overgeestelijk zelfbewustzijn, met verzaken, verachten en verwaarloozen, van het lichaamsleven, het stoffelijk-en tijdelijk leven ; en daarmee het gevaar van verwaarloozing van de roeping voor het tijdelijk leven.
Om deze gevaren gaat het in de brieven van de Corintische Gemeente.
De heidensche Griek — dezelfde die aan de wereld een voorbeeld gaf van uiterlijke lichaamscultuur en, harmonische levensvorming (beeldhouwkunst, gymnastiek, lichaamsoefening ene.), waardoor hij een voorbeeld en leermeester is geworden voor latere nageslachten, tot op onzen tijd — had welbeschouwd geen bewondering voor het lichaam s leven. Hij miskende de waarde ervan; hij verachtte het zelfs. PIato noemt in eigenaardige woordspeling het lichaam (soma) een (grafsteen (sèma). 't Vleesch, 't lichaaim, 't tijdelijk-aards leven, had geen waarde van beteekenis. Men zocht z'n toevlucht in „hoogere regionen" en zocht troost in het rijk der ideeën, dat min of meer tegenover het aardsche leven staat.
Volgens deze heidensch-Grieksche beschouwing heeft het aardsche geen waarde ; en Is de wereld niet door de zonde bedorven, om door de genade hersteld te worden — maar ze is zondig en slecht in zich zelve, als zoodanig, en moet om haarszelfs wil afgewezen, geweerd en blijvend gemeden worden. Ze is ten doode opgeschreven en moet verdwijnen.
Deze beschouwing der heidensch-Grieksche wereld, die de inslag van het beschouwend leven had en naar hoogere regionen streefde (mysteriën, extase, enthousiasme enz.) sleepte geduchte consequenties met zich mede voor de practijk van het dagelijksche leven. Het lichaamsleven, het aardsche leven, kwam er niet zoo op aan. De mensch moest enthousiast zoeken er boven uit te leven en kon het lagere dan in z'n eigen zondige, slechte sfeer laten uitsterven en uitdooven. „Vlecht rozen in uw haar, want morgen verslindt ze het crematoir" zong men. Zoolang men hier het lichaamsleven had moest men dat maar laten uitzingen, spoedig zou men in hoogere, in geestelijke sferen zijn, waar men geen last meer had van 't vleesch!
De christenen van Corinthe namen van deze dingen veel over; de wateren van het christendom en van de Grieksche heidensche denkwereld vloeien hier saam. Wat was het lichaam anders dan een broeinest van zonde en lagere begeerten ? Wat deerde toet, als het lichaam aan ontucht werd prijsgegeven ? Wat hinderde het hun, als er zonden in de Gemeente voorkwamen (denk het u eens in) „die zelfs bij de heidenen niet genoemd worden ? "
Men redeneerde : 't vleesch is voor 't vleesch. Het lichaam — dit „rotte karkas" zooals overgeestelijke mannen van later dag hebben gesmaald (neen, het Grieksche gevaar is niet bij Oud-Hellas beperkt gebleven!) — deed er niet toe ; als de Geest maar enthousiast genieten kon. „De spijzen zijn voor de buik en de buik is voor de spijzen en de Heere zal deze en die te niet doen". Daarom zei men : het lichaam is toch maar het lichaam, laat het ook maar als lichaam leven, dat is': in zonde, in grove, aardsche, zondige lusten en begeerten. „Vleesch" is nu eenmaal „vleesch" en men kan er toch nooit „geest" van maken ! Wat de deur openzette voor allerlei schandelijkheid. (Denk aan de geschiedenis van de Anabaptisten, uit de dagen van Luther, Zwingli en Calvijn. Die heeten ook: Spiritualisten of Enthousiasten, overgeestelijke menschen. Hun einde is geweest In bandeloosheid en schandelijkheid).
Ware „zwelgpartijen naar den geest" (Enthousiasten, Spiritualisten waren het) worden aangericht in de vergaderingen der Corinthische gemeente, waarbij de „niet-ingelelde" mede-chrdstenen (die wat nuchter van geest waren en door de anderen als mlnder-ingeleidi zijnde wat uit de hoogte werden aangezien) weinig stichting ontvingen en de onbevangen buitenstaander die „toevallig" binnenkwam, heelemaal niets begreep. (1 Cor. 14).
Dit Grieksche-Christendom (waarbij de heidensche geest en de christelijke geest zich vermengden), dat zich aan abstract-geestelijke gedachten vergaapte (wat Paulus heelemaal niet geestelijk achtte) verwaarloosde zijn wereld-en zendlngsroeping en viel uiteen in allerlei „geestelijke" groepjes en kringetjes („ik ben van Cefas, ik van Apollos, ik van Paulus, ik van Christus" enz. enz. met een eindelooze reeks). Het gaf het openbare leven, met al z'n eischen en mogelijkheden, zonder meer prijs.
Van het „strijdperk van dit leven", waarvan de Psalmist gewaagt, had men een ascetische afkeer en de zorgvuldig gekweekte vrome gevoelens waren geenszins als „wapenen" te gebruiken. Die waren veeleer en veelmeer gericht naar „het hiernamaals"", naar „de overzijde" en eschatologisch van inslag ; gericht op „het komende Godsrijk".
Met deze achtergrond' van Grieksche gedachten kan het geen verwondering wekken, dat in diezelfde gemeente met eigenaardige overgeestelijke en individualistische inslag de meening veld won, dat de opstanding der dooden, de opstanding van de geloovigen ten laatsten da g e, niet zoo heel letterlijk moest genomen worden. Zij droeg — meende men — geen lichamelijk (somatisch), maar een innerlijk geestelijk (spiritualistisch) karakter. Ze bedoelde meer wereldafsterving en wereldontvluchting, dan wereldoverwinning en wereldoverheersching en wereldverheerlijking. In die laatste dagen — meende men — zou de wereld eerst recht „ontwereldlijkt" en de geloovigen eerst recht „ontvleescht" en „ont-stoffelijkt" worden ; de opstanding zou beteekenen: een afdanking en aflegging van het aardsche, stoffelijke, lichamelijke. Wat nu „minder-waardig" is en zoolang deze wereld-bedeeling bestaat gedragen moet worden (het lichaam' als „kerker" beschouwd en het aardsche leven ais „ketenen" gedragen) zou dan worden afgelegd en verdwijnen.
Dit alles liet vooralsnog — zoolang het duurde — de heilsfeiten uit het groote verleden onaangestast. De opstanding van Christus b.v. werd geloofd en beleden en verdedigd. Maar ieder voelt, dat, als deze Grieksch-Christelijke (on-Schriftuurlijke) beschouwing (een voortdurend gevaar zijnde voor de oudste Christelijke gemeenten) gingen doorwerken de lichamelijke opstanding der geloovigen (de opstanding des vleesches, de als feit in de Apostolische geloofsbelijdenis is opgenomen) weldra zóó zou worden „omgewerkt", dat het feitelijk op loochening zou uitloopen. Ook daar zou dan de meening postvatten „het vleesch is geen nut". Paulus voelt dit en wordt door den Heiligen Geest (die de „geesten", die niet uit God zijn, wederstaat) gedreven, om voor deze z.g.n. geestelijke beschouwing te waarschuwen. Hij voelt, dat, op deze wijze doorredeneerend, de lichamelijke opstanding van Christus, als een lichamelijk gebeuren straks zal worden prijsgegeven.
Het Gnosticisme (van gnosis = kennis, tegenover pistis = het geloof) is de ver-Grieksching van het Christendom. Het Christendom paart zich met de heidensche filosofie ; 't wordt een onstoffelijk, afgetrokken-, abstracte-, wereld-en werkelijkheid ontvliedende levens-en wereldbeschouwing. En 't komt in strijd met wat Paulus schrijft: dat Christus, gestorven en begraven, maar ook opgestaan en ten hemel gevaren, als Konink heerschen moet! En het christelijk geloof gaat over lichaam en ziel, over het terrein van het volle, breede menschen-en wereldleven. Al die „valsche" geestelijkheid. bederft het gezonde christelijk-geloof. En de Gemeente van Corinthe dreigde in handen te vallen van die valsche leeraars, die afvoerden van het nuchtere, gezonde geloof, dat een kracht Gods tot zaligheid is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juli 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

VRAGEN BUS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juli 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's