De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

WAT DE PERS TE LEZEN GEEFT

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

WAT DE PERS TE LEZEN GEEFT

7 minuten leestijd

Illusie ? »Dat gij moogt eensgezind zijn !«
Waarover ook in den kring der Christenheid te roemen valt, zeker niet over een te veel aan eendracht en eensgezindheid, waardoor het gezamenlijke optreden gekenmerkt wordt. Integendeel.
Wie niet willens blind is voor de rauwe werkelijkheid en zijn oogen niet moedwillig sluit voor de tastbare feiten-van-den-dag, kan niet anders dan de droeve klacht slaken, dat telkens weer blijkt, hoe het gemis aan eendracht zoo ontstellend groot is bij hen, die krachtens roeping en belijdenis de wederzijdsche betrekking van den broederband 't allermeest moeten gevoelen.
O zeker, we weten 't wel, dat 't anders zijn moet.
Onze theorie is wel goed !
We preeken en spreken heel dierbaar over de eenheid van het „lichaam van Christus".
En aandoenlijk klinkt ons lied :
Al, ziet, hoe goed, hoe lieflijk is 't, dat zonen. Van 't zelfde huis als broeders samen wonen. Daar 't liefdevuur niet wordt verdoofd !
Maar deze zang vertolkt toch eigenlijk meer den roep om een gewenschten toestand dan het constateeren van den gemeenschapszin, zooals deze zich onder de Christenheid openbaart.
Want niet alleen, dat het „één Heere, één geloof, één doop" allerminst de harten der Christusbelijders samenbindt, maar ook waar verschillend inzicht in de heilswaarheden tot onderscheidene groepeering der geloovigen leidde, is zelfs binnen den kring der theoretischgelijkgezinden de practische beleving der geestelijke eenheid al te vaak zoek.
Zou hierin ook niet de groote belemmering liggen op den weg naar meerdere eenheid?
Dat de kloof tusschen de Roomsche en Protestantsche Christenheid kerkelijk niet te overbruggen valt, is 't ergste niet.
Ach ware die scheur in het kerkelijk kleed, dat het „lichaam van Christus" verhult, slechts de éénige !
Doch dat de Protestantsche Christenheid In groepeeringen zonder tal uiteenvalt, en dat elke gezindte-op-zichzelf het tegendeel van een eenheidsbeeld vertoont — dat is de groote jammer, waaronder de Christenheid zucht: de vloek, waardoor haar kracht verteerd wordt.
Van allen kant roept men om „meerdere eenheid !"
Men weet zeer wèl, dat velerlei verdeeldheid in Gods heilig oog niet bestaanbaar is ; óók, dat vleeschelijke redenen dikwerf uiteen deden gaan en gescheiden houden wat geestelijk - en daarom ook kerkelijk - één zijn moest.
Vandaar de roep om eenheid.
„Gij behoort bij óns !" en : „wij behooren bij ü !" — zoo klinkt het herhaaldelijk.
„We moeten feitelijk één zijn !" — heet het over-en-weer van kerk tot kerk.
Toch komt er niets van, en kan er niets van komen, omdat de eenheid in eigen kring hopeloos zoek is.
Ook hier beginne alle arbeid „van Jeruzalem uit" ; dat wil hier zeggen : herstel de eenheid allereerst in eigen kerk en onder eigen broederkring, vóór ge de eenheid zoekt met andere kerkelijke gemeenschappen.
't Is droef, dit te zeggen. Maar de werkelijkheid is niet anders.
Wie geen vreemdeling is in de kerkelijke pers van onze dagen, weet, dat er heel wat persoonlijk gekrakeel is en de coteriegevoeligheid hoogtij viert !
In stee van samen voort te bouwen op denzelfden grondslag, verliest men zich in onderlinge polemiek, en houdt men wekelijks een requisitoir tegen den mede-broeder !
Hierin is veel kleinheid en een zichzélf zoeken; veel hoog houden van eigen standje, eigen positie, eigen eer, eigen wetenschap, eigen meening.
We noemen geen namen : zulks wordt in den regel niet in dank afgenomen !
Maar we stellen de vraag : meent men inderdaad, dat door al dat twistgeschrijf, dat rusteloos azen op al of niet vermeende „fouten" van den mede-broeder, dat steeds maar publiekelijk ten toon spreiden van de „vuile wasch" uit eigen kring op een kruispunt van verkeerswegen ; de zaak, waarom het gaat; waarom 't ons gaan moet — Gods zaak ! — ook maar eenigszins gediend wordt ?
Als de voorgangers van ons volk — de „leiders", nietwaar ? — niets beters weten te doen dan elkander week op week te bestoken, waarbij de broederlijke toon ontbreekt, dan hebben zij wel een heel zonderlinge opvatting van hun levenstaak, ja, zij geven blijk die niet te verstaan !
De Heilige Schrift wijst 't zoo heel anders uit!
De Hoogepriester onzer belijdenis slaakte eens de zielaangrijpende bede, vóór Hij het donkere Kedron-dal doorging : „opdat zij allen één zijn, gelijkerwijs Gij, Vader, in Mij en Ik in U, dat ook zij in ons één zijn ; opdat de wereld geloove dat Gij Mij gezonden hebt" (Joh. 17 vers 21).
En het Apostolische vermaan om de eenheid te betrachten onder de broederen, komt in een der meest ontroerende vormen aldus tot ons : „Indien er dan eenige vertroosting is in Christus, indien er eenige troost is der liefde, indien er eenige gemeenschap is des geestes, indien er eenige innerlijke bewegingen van ontfermingen zijn, zoo vervult mijne blijdschap, dat gij moogt eensgezind zijn, dezelfde liefde hebbende, van één gemoed en van één gevoelen zijnde. Doet geen ding door twisting of ijdele eer, maar door ootmoedigheid achte de een den ander uitnemender dan zichzelven. Een iegelijk zie niet op 't zijne, maar een iegelijk zie ook op hetgeen des anderen is, want dat gevoelen zij in u, hetwelk ook in Christus Jezus was. (Philipp. 2 vs. 1—5).
Maar men leest hierover heen; men neemt zulks voor kennisgeving aan : een mooie tekst om over te preeken", niet — om in toepassing te brengen !
Toch kan, wien waarlijk het „heil van Sion" ter harte gaat, niet aflaten rusteloos te wijzen op den eisch der broederlijke liefde, en steeds weer den duren plicht op het hart binden om „eendrachtelijk" te zijn, zooals het in de beste tijden der Christelijke Kerk is geweest.
Feitelijk is er maar één omstandigheid, welke 't meest alle tweespalt doet verstommen en tot eendracht noopt, te weten : als de vervolging daar is ; als de Christelijke Kerk de spitsroeden van lijden en strijd moet doorloopen ; als de litanie der martelaren om Gods Naam en zaak dagelijks wordt gehoord !
Dan brengt de drukking der melk boter voort !
Dan ontluikt aan den doornigen stam de schoonste roos !
Dan is er saambinding. Dan heeft de tweedracht uit! Dan is er „geen tijd" voor twistgeschrijf !....
Is het staan naar de onderlinge eendracht een illusie?
Moeten we wachten, tot we tezamen gezweept worden door 's drijvers geweldige roede, vóór we elkander „in Christus" vinden?
Wee onzer, indien zulks het geval ware.
Maar wee ook de zaak van Christus, welke alsdan geschaad wordt, ondanks onze vrome woorden en vrome bedoelingen!
Dat we zoo weinig zijn het „zoutend zout", en dat het Christendom steeds meer terrein verliest — zoude 't misschien ook hierdoor komen, dat ten onzent de eendracht gemist wordt, waardoor onze kracht in tweespalt teloor gaat ?
Verschrikkelijke gedachte !
En dan lezen we weer den eisch: „van één gemoed en van één gevoelen zijnde !"
Och, dat de Pinkstergeest vaardig werd over onze Christenheid.
En veler „vroomheid" omzette in een kracht ten goede voor ons volksleven !
[Geldersche Post.]

De houding der Overheid.
Wel leven wij in een verwarden tijd, waarin velen het goede spoor bijster worden ! Het blijkt ons, dat hier en daar zelfs in onzen kring het onthouden van werkloozensteun aan wie in IJmuiden niet op de organisatorisch overeengekomen voorwaarden werk wil aanvaarden, wordt afgekeurd.
Maar dat is toch volkomen logisch.
De Regeering staat niet op het standpunt, zooals nog onlangs is gebleken, dat een werklooze elken arbeid, tegen welk laag loon ook, moet aanvaarden. Maar het spreekt vanzelf, dat geen steun wordt gegeven aan wie arbeid kon verkrijgen, waarbij het tusschen ondernemers en arbeidersorganisaties gesloten contract wordt nageleefd ! Waar zouden wij heen gaan, indien de Overheid anders handelde ? Is er eenig land, waar men niet de gedragslijn volgt, die hier practijk is ?
De Overheid kan en mag niet anders handelen.
Maar nu zeggen wij er nog iets bij. Reeders en Overheid behooren dan ook te zorgen, dat er onbelemmerd gewerkt kan worden. Gebeurt dat niet, dan zijn de leden der Christelijke organisaties, die zich aan het accoord willen houden, geen stakers, maar onvrijwllig werkloozen en vallen zij dientengevolge onder de daarvoor geldende regelingen.
Naar het schijnt, hebben de reeders zich voorheen ook wel eens minder behoorlijk gedragen tegenover mannen, die geen steun hadden verleend aan wilde acties en die zich aan den arbeid gaven. Keerde dan de rust weer, dan werden de „werkwilligen" ontslagen en door vroegere stakers vervangen.
Een dergelijke ervaring is zeker niet bemoedigend.
Helaas ontbreekt aan de bedrijfsverhoudingen ook in IJmuiden nog veel.
Maar wilde stakingen bieden geen geneesmiddelen.
Naar de ontwikkeling van het organisatieleven moet gestreefd worden.
Hetgeen nu in IJmuiden gebeurt, doet daaraan slechts afbreuk.
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juli 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

WAT DE PERS TE LEZEN GEEFT

Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juli 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's