GEESTELIJKE OPBOUW
Voorwerpelijke en Onderwerpelijke Prediking
III.
Gij kunt de schoonheden van het Koninkrijk Gods zoo levendig schilderen als gij verkiest, stal vrij den rijkdom van het heil uit, dat Zijne genade heeft bereid; wie zegt, wie verzekert mij, dat die ook voor mij is, dat ik, als ik de hand ernaar uitstrek, het ook waarlijk grijpen mag en gegrepen heb ?
Indien ik eens louter in mijn inbeelding, als in een droom, gewandeld heb onder Zions kinderen, en ik zou ten slotte mij ter poorte zien uitgewezen, de poorten der Godsstad voor mij gesloten vinden, hoe ontzettend zou zulk een ontwaken zijn. Hun is het toch alleen gegeven, wien het welbehagen des Vaders het heeft bereid, en schenkt. Mag ik mij daaronder rekenen ? "
Gij hebt het reeds begrepen, M. L., dat wij ons hier in aanraking bevinden met de begeerte naar een onderwerpelijke prediking, die in breede kringen wordt gevoeld, en waaraan vele bedienaars van het Woord trachten te voldoen. Ook hier spreek ik, duidelijkheidshalve, weer zeer absoluut; zonder te vergeten, dat velerlei schakeering mogelijk is, en metterdaad ook wordt gevonden.
Waar een eenzijdig-onderwerpelijke prediking voor 't gewenschte geestelijk voedsel wordt gehouden, wordt in den regel van de waarheid Gods niet breed gesproken. Het werk der verlossing, de weg des heils wordt nauwelijks meer geteekend, maar eenvoudig als bekend ondersteld. „De waarheid, nu ja, de waarheid is goed; de daden Gods, zeker, zij zijn het eerste, de grondslag van alle zaligheid; maar van veel grooter beteekenis is de vraag, of ik op den weg des levens gebracht ben" ; op een bevindelijk kennen van de waarheid, op een genieten van de gemeenschap met Christus moet alle nadruk vallen.
De vraag klemt, waar zulk een geestes-— ik zeg niet: geestelijke — gesteldheid heerscht: ben ik een uitverkorene ; ben ik Waarlijk bekeerd; bezit ik een oprecht, of misschien maar een ingebeeld geloof ?
En men zoekt, of schijnt te zoeken, in de verkondiging van het Woord Gods, hoe het antwoord op deze vragen te verkrijgen. De bevindelijke of onderwerpelijke prediking beweegt zich hoofdzakelijk in dezen kring van gedachten. En zij bestrijkt daarmede een terrein, dat zeer zeker van belang is. Maar toch waag ik de opmerking : het is te betreuren, dat zij zich vaak in dezen kring opsluit. Want het onderwerpelijke reikt veel verder, en is veel rijker! Zoo rijk en veelzijdig het leven is, zoo rijk is ook het werk der herscheppende genade Gods, zooals het door de werking des H. Geestes wordt toegepast op Zijn kinderen, die in het lichaam van Christus zijn ingeplant. Wat een ruim veld dus voor de onderwerpelijke prediking ! Zij zou kunnen spreken over de verschillende gestalten van het geestelijk leven, over zijn verheffingen en inzinkingen, over den strijd, dien een kind van God heeft te midden van de wereld, een strijd die in onzen tijd z'n eigen stempel dragen moest; omdat onze tijd z'n eigen kenmerken heeft en op zijne wijze het geestelijk leven bedreigt en belaagt. Het zou de aanvechtingen en voortgangen, de moeiten en de zekerheid van het geloof kunnen teekenen. En waar zou ik ophouden, als ik zou willen noemen, wat het bevindelijk kennen der ontfermingen Gods in zich sluit voor den wedergeboren en tot God bekeerden zondaar !
Maar helaas, dit wordt meestentijds van een bevindelijke prediking niet verwacht, en — misschien mede hierom in de bevindelijke prediking niet gegeven. Zij schijnt er de voorkeur aan te geven, de zielen op te houden vóór de poort. Hier zou men het woord van den profeet willen toepassen, „de kinderen zijn gekomen tot aan de geboorte, en er is geen kracht om te baren". Het is alsof de macht en genade van den H. Geest uitsluitend verheerlijkt kan worden in jammerklachten, bij de barens-weeën geuit; en niet veel meer in de lofzangen van Zion, en in het wandelen van het volk des Heeren in het geloof.
Maar neen, hieraan komt de onderwerpelijke prediking schier nimmer toe. Zij blijft hangen aan de vraag : hebt gij nu wel recht, u onder Gods kinderen te rekenen, weet gij nu wel zeker, dat Christus uw deel is ? Zij zoekt vooral haar kracht in de beangstiging, zij waarschuwt, zich niet te bedriegen voor de eeuwigheid, en zich vooral af te vragen of men werkelijk bekeerd is.
En wie zou durven ontkennen, dat dit alles van het hoogste gewicht is ?
Maar waar het op aankomt, is dit: op welke wijze deze vragen worden gesteld, en de weg gewezen, om het antwoord te vinden. Zou dat kunnen geschieden, door den ontrusten, bekommerden zondaar te bepalen almaar bij zichzelven ? door hem te wijzen op en bezig te houden met zijn eigen gevoelens ? Ach, menige arme ziel wordt als vergruizeld onder de molensteenen van dat gedurig zelfonderzoek. Zij wordt gekweld en verontrust, de weg ten leven wordt afgezet door allerlei staketsels, die vromen, welke voor bekeerd doorgaan, aan weerszijden gelieven te plaatsen; een bekommerden zondaar wordt voorgehouden : als gij niet door deze en die ervaringen heen gaat, en niet gewagen kunt van dezelfde gewaarwordingen als deze of gene bekeerde mensch, beeld u dan niet in, dat gij u onder Gods volk moogt rekenen. Zoo houdt de onderwerpelijke prediking zich gaarne bezig met allerlei bevindingen, die aan het vrome volk worden voorgehouden, opgedrongen soms, gesuggereerd vaak. En wie daarvan dan maar kan medespreken, die gaat door voor bekeerd, en wordt aangezien voor iemand, die kennis aan de waarheid heeft.
Het zijn bevindingen van een zeer bepaalde soort en die op een eng begrensd gebied liggen, waarmede de onderwerpelijke prediking veeltijds zich bezig houdt. Zij schijnt niet anders te kennen dan den slagboom, dien zij opstelt aan het begin van den weg des levens; wat voor ervaringen een kind van God maakt, wiens hart is levendgemaakt, wiens ziel is gegrepen ten leven, wiens voeten gekeerd zijn naar Gods getuigenissen, daarvan weet zij, in haar gebruikelijken vorm, niet af, althans daarvan spreekt zij niet. Het is, alsof bet te gewaagd is, te denken, te vertrouwen, dat Gods Geest werkt in en door het Woord, en dat Hij voortgaat zich de gemeente te vergaderen, die ten eeuwigen leven verkoren is.
Het is een bekend feit, M.L., dat in vele Gereformeerd heetende kringen een dergelijke onderwerpelijke prediking zeer in den smaak valt; en dat verschijnsel valt misschien niet zoo heel moeilijk te verklaren.
Ook is het onbetwistbaar, dat in vele gevallen het voorwerpelijke en het onderwerpelijke twee elementen zijn in de prediking, die men geen kans ziet tot een eenheid samen te smelten.
Soms worden zij beschouwd als aan elkander tegengesteld. Zoowel bij den prediker als bij de hoorders. De man van het voorwerpelijke moet niets hebben van het bevindelijke. En de bevindelijk aangelegde prediker en hoorder heeft geen smaak in het voorwerpelijke; dat baat alles niets, zoo meenen zij; de groote vraag is, of wij persoonlijk de waarheid verstaan, en of iemand de zekerheid verkrijgt van te behooren tot het volk Gods.
Zoo komt uiteen te liggen, ja tegenover elkaar te staan, wat toch zeker niet moest gescheiden worden : het voorwerpelijke en het onderwerpelijke.
Zóó echter is het niet in den regel. Ik teekende hierin een paar uitersten. Velen zijn er, die in de prediking zoo min het éen als het ander willen verwaarloozen. Zij wagen dan ook de loffelijke poging, een verbinding tot stand te brengen; zij zoeken ernstig het voorwerpelijke en het onderwerpelijke te vereenigen.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juli 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 juli 1936
De Waarheidsvriend | 10 Pagina's