De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

HEILSBEGEERTE

10 minuten leestijd

Zeg tot mijne ziel : Ik ben uw Heil ! Psalm 35 vers 3b.

„Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstroomen, alzoo sohreeuwt mijne ziel tot U, o God ! Mijne ziel dorst naar God, naar den levenden God "
Welk eene zielespanning ligt in deze kreet van den zanger ! Alle dingen hebben voor hem waarde en glans verloren en er is niets, waaraan zijn bange hart zich kan vasthouden, dan aan God, den Sterke, den Liefdevolle. Hij heeft zijne stem slechts beschikbaar tot een enkelen roep : „Och, Heere, bevrijd mijne ziel". (Psalm 116).
Velen zeggen : Waarom zal ik tot God roepen en waartoe zal ik het doen ? Zij zijn niet opgejaagd, vervolgd, gelijk het hijgend hert, zij versmachten niet van dorst en schreeuwen niet om de wateren, want ze hebben de volle beken van aardsche wellust nabij. Ze weten ook nog niet, dat een iegelijk die van „dit water" zal drinken, wederom zal dorsten. Maar de ware Kerk, de levende Gemeente heeft de stem van den klagenden pelgrim in het lijdensdal der wereld en in den nacht van barensweeën tot hemelsche geboorte roept ze „tot Hem, Die heil kan zenden"
David heeft zijn vele bestrijders. Het zijn „haters, die sterker zijn dan hij" (Psalm 18 vers 18). Nu roept hij den Heere op, om zijne twistzaak te beslechten en voor Zijn dienstknecht te strijden. Dat is het eene, dat hij begeert. Maar het andere is het vertroostende Woord Zijns Gods, dat hem stil kan maken .en doen nederzitten onder 's Heeren dekkende en beschermende hand.
„Zeg tot mijne ziel : Ik ben uw heil". Ongetwijfeld staat deze bede in verband met de dreiging van den vijand. Heil komt van het werkwoord „heelen, genezen" en - wijst op een breuk, een wonde. Het heeft dus den zin van herstel en daarin ligt de gedachte aan redding, ontkoming, waarbij dankbare blijdschap en lieflijke rust het harte vervuilt. Dat heil heeft David noodig. Het „geroep des vijands doet hem beven", en „zijn hart voelt weeën en bange nepen". En Davids leven is ééne doorloopende getuigenis, dat deze Gezalfde des Heeren het in tijden van nood en benauwdheid steeds bij zijn God gezocht heeft. Hij smeekt dan den Heere om verborgen te worden in het verborgene van Zijn tent; hij loopt Hem ais een kind aan en strekt de handen uit en roept: Bij U schuil ik. En hier bidt hij om een woord van bemoediging en sterkte in de worsteling, wanneer hij uitroept: „Zeg tot mijne ziel" ! Mocht ook Uw en mijn leven zulk een doorloopende getuigenis zijn van het te zoeken bij den Heere alleen, want ach ! zooveler leven geeft juist getuigenis, dat het overal, behalve bij den Heere gezocht wordt.
David vraagt om een woord van God, om het spreken des Heeren. En al schrijft hij den Heere niet voor, wat Hij zeggen moet, toch omsluit hij met deze woorden heel de begeerte zijner ziel. Dat heil wordt door David niet nader omschreven maar het drukt zeer beslist uit wat David gevoelt te missen en buiten den Heere niet kan verkrijgen. Hij belijdt hier zijn leven als een gebroken, terneergeslagen, onmachtig leven. Hij ligt daar verscheurd en verslagen in zijne ellende neer. Er is onrust in hem. Geen verzekerdheid des geloofs, geen gewapend zijn met de wapenrusting Gods ; hij verkeert ongetwijfeld in een toestand, waarin meer geestelijke diepten, dan hoogten zijn. En waarlijk, dat is voor Gods kinderen geen vreemde zaak. Wat is er verwachting van een diep gezonken, van den Heere gevallen schepsel ? Telkens, wanneer het op zichzelf ziet, moet het uitroepen : „Uit u geen vrucht in der eeuwigheid". Van den schoonen boom, die groei de in den jeugdhof des levens, werd tak na tak afgebroken en in plaats van eene verkwikking te zijn door vruchtdragende volheid, is hij een oneere.
Nu is het wel dit, dat ons bij het lezen van het tekstwoord der meditatie treft, n.l. dat David niet eenvoudig spreekt over zijne verwachting van het heil des Heeren, dat hij ook niet vraagt om de oogenblikkelijke uitredding, doch om eene belofte Gods. Hij begeert, dat de Heere iets tot hem zeggen zal, hij wil de vertroostende stem zijns Gods vernemen. Dan is het hem goed, dan weet hij, dat, wat er ook moge gebeuren, zijne ziel uit de gebrokenheid uitkomt en er rust is. Dat de Heere zijn heil is, weet hij immers. In Psalm 27 vangt hij aan : „De Heere is mijn Licht en mijn Heil, de Heere is mijns levens kracht". Doch wanneer de ziele dat heeft, heeft ze er nog niet altijd de troostrijke genieting van. We kunnen dat ook wel weten in tijden van Godsgemis, van neergebogenheid en droefheid des harten. Maar het spreekt dan niet tot ons.
En daarover gaat het naar ons inzien bij David. Hij mist dat spreken des Heeren, mist die gevoelige nabijheid van zijn Bondsgod. Daarom is er in zijne moeite en bekommeringen van heden geen steun in 't geloof aan Gods machtige hand. Zeer zeker kan de Heere zijne twisters en bestrijders tekeer gaan', maar dat is nog maar de eene zijde der zaak, want het hart kan geen vrede hebben, zoo de Heere niet daarin komt met Zijne lieflijke toezeggingen. Het zieke kind weet wel, dat moeder o, zoo goed voor haar zorgt en toch is het de heerlijkste ure van den dag, wanneer die zorgende moeder bij het bedje komt zitten en de hand van hare lieveling in de hare neemt en zegt: „Moeder blijft bij je !" Wanneer de ziele omringd is door boosheid en geweld, is het een zware taak, doch zwaarder is het, wanneer de Heere niet na; bij is. Dan haast het bezwijken. Daarom klinkt door ons tekstwoord heen de gedachte : Heere, Gij spreekt niet! Och, Heere, kom toch en zeg maar een enkel woord, opdat ik wete, dat Gij bij mij zijt en mij troost".
Dat is bij David nu niet eene gesteldheid, die volgt uit de bedeeling der schaduwen, waaronder hij leefde, want we ontmoeten dat evenzeer bij de discipelen van den Heere Jezus. Bedenken we slechts, hoe de discipelen telkenmale, wanneer zij den Heere moesten missen, verlaten en onrustig waren, waarvan de dagen na het lijden en sterven huns Meesters duidelijk getuigen. Ook de apostel Paulus heeft het daarover, wanneer hij schrijft: „Want ook In dezen zuchten wij, verlangende met onze woonstede, die uit den hemel is, over kleed te warden" en „Want ook wij, die in dezen tabernakel zijn, zuchten, bezwaard zijnde" (2 Cor. 5 vers 2, 4).
Zij, die naar het voornemen Gods geroepen zijnde. Hem in Jezus Christus als hun God en Vader leerden kennen en het wonder van die Godsgenade mochten uitroepen, zijn in 't vleesch nog niet volmaakt en hebben nog dagelijks te worstelen en te strijden. De dooding hunner leden, die op de aarde zijn, vindt sterken weerstand in hun zondigen aard en hunne ziel wordt door het kwade „licht verrast". Met het gevolg, dat de Heere Zijne tegenwoordigheid onttrekt en ze in het Godsgemis komen te staan. Dat moge bij het zwakke geloof en de tijdelijke genieting van den beker der wereldsche bekoring niet aanstonds zoo gevoeld warden, doch geen enkel kind Gods ontkomt aan het lot van den verloren zoon, die „begon gebrek te lijden". En wanneer dan straks hun sap veranderd wordt in zomerdroogten en geen teug der wereld meer verkwikken kan, omdat het dorsten blijft, o, dan wordt er bitter geweend en vurig verlangd naar den Bruidegom, Die den dorstigen geeft het water des levens om niet.
Het Godsgemis veronderstelt een Godskennis. We zullen in het gewone leven niet missen, hetgeen we nimmer leerden kennen, hetzij door mededeeling, hetzij door innerlijke behoefte. De ziele, die genoeg heeft aan de gebroken bakken der wereld en niet verder gaat dan de Atheensche dienst van den onbekenden God, zal van dat gemis niet weten. Daartoe zal een werk Gods gewerkt moeten worden. De ploegschaar des Geestes zal de voren moeten getrokken hebben door den akker des harten en de ontdekking zal gevolgd moeten zijn door bekommernis en beloften en genadegaven. Hoe sterker de bevindingen van de toezeggingen des Heeren en de genadegaven van Jezus Christus, des te sterker ook het .gevoel van gemis. Iemand, die gewend is in weelde te baden, en alles, wat het leven bieden kan, tot zijn dienst te hebben, zal heel wat moeilijker ontberingen kunnen verdragen dan de heidebewoner in zijn eenzame hut. Juist omdat het kind des Heeren als Gods lieveling overladen wordt met geestelijke gunstbewijzen, is het zoo gevoelig en kent het reeds gemis daar, waar de zetel van grovere structuur nog geen tekort bemerkt. En hoe moet het dan zijn, wanneer de ziele van dat kind Gods schier van alles beroofd Wordt en behoort tot degenen, die gansch ontbloot zijn ? Vandaar die onrust, die bangheid, dat klagen der ziele. David, weet daar van. Hij heeft in bijzondere mate het na bijleven gekend. En nu, in de gevaren rondom en in de donkerheid van binnen, zucht en smacht hij naar den Heere. „Al is het maar een enkel woord, Heere, spreek toch ! Gedenk aan Uw knecht, die heete tranen schreit. Laat mij gevoelen, dat Gij bij mij zijt, dat , Gij mij niet vergeet, noch verlaad !" Dat is 'de gestalte van de Bruid, die in het Hooglied uitroept: „Hij kusse mij met de kussen Zijns monds ; want Uwe uitnemende liefde is beter dan wijn !" of dat andere : „Ik zocht des nachts op mijn leger Hem, dien mijne ziele liefheeft; ik zocht Hem, maar ik vond Hem niet".
Daarbij heeft het hart geen vrede met hetgeen eens ontvangen werd. Zeker, het kan eenigen troost verstrekken en de hope wekken op de onverbreekb're trouw des Heeren, doch dat spoort juist aan tot te ernstiger roepen. Wanneer we den Heere missen in het Woord, d.w.z. dat het Woord ons niet toespreekt; Hem missen in de beloften, missen in de overdenking, in het gebed, in de prediking, ja, in het samenzijn met Gods kinderen, dan wordt de ziele zwaar neergedrukt. Dan ligt het niet aan het Woord, aan de beloften, de overpeinzing, enz., doch wij zijn een uitgebrande kaars gelijk, waarvan het zwart berookte katoentje ons zegt, dat er eens een vlammetje is geweest. Job is in dien toestand, wanneer hij klaagt : „Zie, ga ik voorwaarts, zoo is Hij er niet, of achterwaarts, zoo verneem ik Hem niet. Als Hij ter linkerhand werkt, zoo aanschouw ik Hem niet; bedekt Hij zich ter rechterhand, zoo zie ik Hem niet" (Job 23 : 8, 9).
Dat Godsgemis kan als een smartelijk gevoel opkomen, bijzonder in dagen van tegenspoed en druk. Omdat dan de vorst der duisternis ons toefluistert : „Waar is nu uw God ? " en wij geen kracht in ons gevoelen om met Hem over muren te springen of door eene bende te loopen. Wanneer het ons voorkomt, alsof de Heere ons vergeten en verlaten heeft. Dan hebben we Hem juist zoo noodig. En in de benauwdheid en kleinheid is het een snik en een traan : „Heere, och spreek toch, zeg tot mijn ziel: „Ik ben uw heil".
David zou om veel kunnen vragen. Want de nooden zijn groot. Maar hij sluit alles in dat ééne woord in. Gelijk een moeder aan haar bedroefd kind vraagt wat het nu eigenlijk wil, en het antwoord is: „Alleen dit, dat U bij mij zijt!" Dat is ook de innigheid der bede : " „Trek mij, wij zullen U naloopen. Uw nabijheid, Heere, Uwe genezende, troostende nabijheid". Mozes smeekt er den .Heere om : „Toon mij nu Uwe heerlijkheid!" (Exodus 33 vers 18). De Apostel wenscht bij Christus te zijn (FH. 1 vers 23). En die nabijheid vergoedt op eenmaal al het gemis. Dan baart de vijand geen vreeze en de moeiten van het levensdal drukken niet meer terneer. Maar pelgrim gaat in de mogendheid des Heeren voort en zijn lied klinkt:
De Heer is bij mij, 'k zal niet vreezen;
De Heer zal mij getrouw behoên
HUIZEN (N.H)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juli 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juli 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's