De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

NATUUR EN GENADE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

NATUUR EN GENADE

8 minuten leestijd

III.
De zin van ons leven ligt enkel en alleen in den dienst van God.
Wie niet geheel en al een sleurleven leeft, begeert den zin van het leven te verstaan. Waarvoor leven wij en waarvoor worstelen en strijden wij in dit leven ? IJdelheid is al wat wij doen, wanneer wij het van de buitenzijde benaderen. Want of wij een groote plaats in het leven innemen, dan misschien als een onbekende door het leven gaan, wat wij gearbeid hebben, wat wij gebouwd hebben, stort ineen. Was het dan niet dwaas om met al onze krachten en toewijding te arbeiden en te bouwen, als toch straks alles wordt meegesleurd door den stroom des tijds en niets van dat alles overeind blijft ?
Het is te verstaan, dat zij, die de dingen op zich zelf bezien en wier oog gesloten is voor het licht der eeuwigheid, dat op de tijdelijke dingen valt, vergramd worden op het leven, omdat de zin van het leven hen ontgaat of wel in groote moedeloosheid zich in de armen werpen van allerlei vermaak en zonde, om daardoor te vergeten de vragen, die hen kwellen en waarop zij geen antwoord weten. Want de dingen van dit tijdelijk leven hebben, op zich zelf genomen, geen zin ; zij zijn uit den tijd en gaan voorbij en er is geen gedachtenis meer van wat geweest is.
De Schrift echter leert ons, dat wij de dingen van dit tijdelijk leven niet op zich zelf mogen bezien, maar dat wij heel dit leven moeten zien als in een bepaalde betrekking tot God in den hemel. Dat een houthakker van den vroegen morgen tot den laten avond hout hakt in het woud, den eenen dag na den anderen, jaar op jaar, heeft, op zich zelf genomen, geen zin, want al verschaft hij door zijn werk hout aan hen, die dat hout tijdelijk noodig hebben, dat hout is ook maar voor een tijd en over honderd of tweehonderd jaren is het laatste spoor van zijn arbeid hier uitgewischt. Zijn arbeid ontvangt alleen daardoor zin en beteekenis, als hij gezien wordt — en dan doet het er niet toe, of de arbeid naar den mensch genomen, van nederigen aard is of van groote beteekenis — met zijn arbeid God dienende en in dien arbeid zijn goddelijke roeping volbrengende. De vrucht van zijn arbeid moge dan gansch vergaan, zoodat in den dag der dagen niets meer daarvan overig is, die arbeid als zoodanig heeft zijn beteekenis behouden als dienst van God, hetgeen klaar daaruit blijkt, dat wij met ons werk — ook al is er niets meer van over — in het gericht van God zullen worden gesteld.
Hier ligt de eenige en ware zin van het leven. Het leven is dienst van God. Het onderscheid, dat wij zoo dikwijls maken tusschen groot en klein, onbelangrijk en beteekenisvol, valt hier weg ; zelfs het geringste werk wordt hier zeer beteekenisvol, als het gezien wordt als dienst van God. Deze waarheid heeft een wonder licht doen opgaan in de duisternis van het aardsche leven, want dan wordt zelfs het leven van een slaaf van even groote beteekenis als het leven van zijn meester. Dit wondere licht van het evangelie van Jezus Christus laat de apostel krachtig vallen op het leven van de christenslaven, opdat zij weten mogen, dat ook hun leven en arbeid niet tevergeefsch is. Gij, dienstknechten, zoo zegt hij, en men bedenke, dat met dienstknechten hier slaven bedoeld zijn, zijt in alles gehoorzaam uw heeren naar het vleesch, niet met oogendienst als menschenbehagers, maar met eenvoudigheid des harten, vreezende God, en al wat gij doet, doet dat van harte als den Heere en niet den menschen, wetende, dat gij van den Heere zult ontvangen de vergelding der erfenis, want gij dient den Heere Christus.
Als echter de zin van het leven enkel en alleen ligt in den dienst van God, is het duidelijk, dat God en niet wij aan ons leven zin geeft, want Hij heeft ons geschapen en daarmede tot Zijn dienst geroepen. Ook heeft Hij dezen dienst nader bepaald, door ons Zijn heilige wet te geven en het niet aan ons over te laten, hoe wij Hem dienen zullen, maar Zelf aan te wijzen, welke de wegen zijn, waarin wij hebben te wandelen.
Gelijk met den zin van het leven, zoo is het ook met het doel van ons leven. Wij geven niet zelf zin aan ons leven, maar God bepaalt den zin er van. Zoo vinden wij het doel van ons leven ook niet in ons zelf, maar enkel en alleen in God. God de Heere heeft ons geschapen om Zijns zelfs wille, opdat wij Hem verheerlijken zouden.
Des menschen afhankelijkheid van God zoeke mij dus niet alleen daarin, dat wij ons zonder Zijn wil noch roeren noch bewegen kunnen, maar men zie haar bovenal uitgedrukt in de waarheid, dat wij zelf de zin en het doel van ons leven niet bepalen, dat wij deze beide uit de hand van God hebben te aanvaarden, zoodat wij enkel mogen zijn, wat God wil, dat wij zijn dienstknechten van God, ver heerlijkers van Zijn Naam.
Deze algeheele afhankelijkheid van God ligt in de scheppingsgedachte besloten. Men zal haar te vergeefs zoeken in die levens-en wereldbeschouwingen, die aan de schepping aller dingen door God zijn voorbijgegaan.
Een tweede gedachte, uit de schepping aller dingen voortvloeiend, is het waardevolle van alle creatuur.
Dat God een schepsel heeft willen scheppen daaruit volgt, dat het waarde en beteekenis moet hebben. Want God de Heere doet niets in wille keur. In al Zijn werken ligt Zijn eeuwige wijsheid uitgedrukt.
Ook in dit opzicht valt het onderscheid tusschen groot en klein, tusschen belangrijk en onbeteekenend weg. Niet, dat het van ons uit gezien, immer
verkeerd is om dit onderscheid te maken ; het eene schepsel heeft voor ons en voor ons aardsche leven ongetwijfeld meer beteekenis dan het andere. Maar wij hebben wel te bedenken dat wij tenslotte niet de maatstaf zijn, waarnaar de beteekenis der dingen gemeten kan worden. Die God, die alle ding geschapen heeft en aan ieder ding zijn plaats in het geheel heeft toegewezen, heeft ook van ieder ding de beteekenis bepaald en wij doen tekort aan Gods wijsheid en Scheppersheerlijkheid, wanneer wij uit het geheel der dingen bepaalde dingen en bepaalde terreinen afzonderen om daaraan alleen waarde toe te kennen met voorbijzien van het andere.
Daarom is er geen terrein des levens, hetwelk niet waard zou zijn, dat wij het onderzoeken en er ons mede bemoeien ; daarom Is er ook geen enkel schepsel, dat niet waard zou zijn, dat het onze opmerkzaamheid trekke. Het onderzoek der materie is niet minder verheven dan het onderzoek onzer geestelijke vermogens, want stof en geest beide zijn van God geschapen.
Een derde gedachte, onmiddellijk met de schepping aller dingen door God samenhangend, is de goedheid van alle creatuur.
Het moet ons treffen, hoezeer deze gedachte door het scheppingsverhaal op den voorgrond wordt gesteld. En God zag, wat Hij gemaakt had, en het was goed. Tenslotte luidt het : en God zag al wat Hij gemaakt had, en ziet het was zeer goed.
Als de Heilige Geest van den aanvang af zoo grooten nadruk daarop legt, dan is het omdat Hij wist, hoe de bedorven zinnen van den mensch altijd weer het kwaad niet zouden zoeken in des menschen ongehoorzaamheid jegens God, maar in het schepsel als zoodanig. De zondige neiging om de schuld niet bij ons zelf maar bij God en in Gods werk te zoeken, komt daarin aan den dag.
Telkens weer in de geschiedenis zien wij de poging om b.v. het onderscheid tusschen stof en geest te maken tot een onderscheid tusschen kwaad en goed. In de stof schuilt dan het beginsel van alle kwaad. De verlossing is gelegen in een meer en meer los worden van het stoffelijke. Niet om de bevrijding van zondige begeerten gaat het, maar om de bevrijding van stoffelijke behoeften. In het monnikendom en kluizenaarsleven krijgt deze gedachte later vasten voet in de Christelijke Kerk. De bestrijding van deze gedachte door den apostel Paulus op menige plaats was men alweer vergeten. In allerlei vorm treedt deze dwaling ook onder ons nog op. Vooral het onderscheid tusschen oud en nieuw wordt telkens bij ons tot een onderscheid van goed en kwaad, gemaakt. Of bepaalde levensterreinen worden gemeden als zondig in zich zelf. Hoevelen hebben gedacht en denken nog, dat het een christen niet past zich met het politieke leven te bemoeien.
Wij kunnen thans niet in den breede hierop ingaan, maar wij willen volstaan met alle nadruk naar voren te brengen, dat in de schepping als zoodanig geen profaan en heilig terrein is. Alle schepsel Gods is goed en op alle schepsel staat geschreven, zooals in het gezicht van Zacharia op de bellen der paarden : De heiligheid des Heeren. Want alle schepsel verkondigt de grootheid van zijn Maker. ­
O. a/d IJ.

Woelderink

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juli 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

NATUUR EN GENADE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juli 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's