De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

KERKELIJKE RONDSCHOUW

12 minuten leestijd

Meerderheid en minderheid in beginselkwesties.
Men weet, dat b.v. de Neutrale School eerbied wil toonen voor de gevoelens van al de ouders der schoolgaande kinderen.
Protestant, Roomsch, Joodsch — 't is alles gelijk.
Maar wie zal 't winnen ?
De geloovige Christenen moeten 't verliezen, dat staat vast. De Bijbel zal niet als Gods Woord mogen worden gebruikt. Jezus Christus niet als de eenige en algenoegzame Zaligmaker gebracht. Want er is een meerderheid en een minderheid. En men mag van een meerderheid niet verwachten, dat men zich schikt naar de minderheid. En zoo moet de Christen weer trekken aan 't kortste eind, wat hij, omdat het een beginselkwestie is, niet zóó maar over z'n kant mag laten gaan.
Vandaar onze Scholen met den Bijbel.
Nu ligt pas een andere gebeurtenis achter ons. Het feest van de A.V.R.O., dat is de Algemeene Radio Omroep Vereeniging.
De A.V.R.O. wil algemeen zijn en allen omvatten, menschen van godsdienstige en menschen van niet-godsdienstige overtuiging, Christen en Jood, Protestant en Roomsch.
Natuurlijk dat velen, zéér velen van christelijke overtuiging, daarvoor passen, want dat kan nu eenmaal niet, dat zulke verschillende, diepgaande overtuigingen samengaan en samen werken. Dat kan niet — anders is onze overtuiging en ons beginsel een ding van niets. We hebben een levensbeschouwing en levensovertuiging of we hebben ze niet. Maar als we ze hebben, moet het ook overtuiging zijn en een zaak van ernst en van beteekenis.
De A.V.R..O. is dus iets dat niet kan bestaan — van wege onze overtuiging !
Dat wij hierin niet verkeerd gezien hebben is nu weer gebleken bij de feesten ter gelegenheid van de opening van de nieuwe Studio van de A.V.R.O., welke feesten zijn gehouden op Zondag!
Mogen wij nu hier even laten afdrukken wat de Voorzitter van de A.V.R.O. over deze kwestie gezegd heeft ? We zullen dan zien, dat het niet kan en niet mag, dat menschen van christelijke levensovertuiging, in de A.V.R.O. hun Radiovereeniging hebben.
De Voorzitter zei:
»Een schaduw is er gevallen over de openingsplechtigheid, doordat de Minister van Binnenlandsche Zaken, die zich aanvankelijk bereid verklaard had de openingsplechtigheid te verrichten, zich naderhand terug trok. De oorzaken van deze terugtrekking staan in verband met een zoo teere en gevoelige stof, dat ik daarover niet veel wil zeggen : niet anders, dan dat wij de motieven van den Minister en van degenen, die hem hebben aangespoord te handelen, zooals hij deed, eerbiedigen en voor een groot gedeelte begrijpen «
»Maar niet in alle opzichten deelen«.
En dan komt de aap uit de mouw na al die vriendelijke en lieve woorden van begrijpen en eerbiedigen
»Men heeft m.i.« — aldus de voorzitter van de A.V.R.O., die zoo graag algemeene Vereeniging voor allen wil zijn — »een verkeerde voorstelling van de algemeenheid van een Vereeniging, wanneer men daaronder verstaat de plicht onder alle omstandigheden de gevoelens van een minderheid ten koste van een meerderheid te eerbiedigen*.
Dus — de minderheid, in dit geval de christenen, die er nog een christelijke opvatting van de Zondagsviering en Zondagsrust en Zondagsheiliging op na houden, kon niet geëerbiedigd worden in haar gevoelens !
Men wenscht de gevoelens van de eigen leden niet te eerbiedigen.
Men heeft gekozen tegen de overtuiging van een zeer belangrijke groep van eigen leden, tegen de overtuiging van de christenen, die eerbied hebben voor den dag des Heeren.
Hoe dikwijls heeft de A.V.R.O. de leden van christelijke levensovertuiging verzekerd, dat hun gevoelens veilig waren bij de A.V.R.O. die toch algemeene Vereeniging begeert te zijn ?
Hoe dikwijls heeft de A.V.R.O. degenen, die bij de Ned. Chr. Radio Vereeniging zijn aangesloten, verweten dat zij onnoodig verdeeldheid zaaien en versnippering bevorderen.
Maar men heeft nu weer gezien waar de menschen van christelijke levensovertuiging aan toe zijn, als ze samen gaan optrekken met menschen van algemeene levensovertuiging! En dat is op kerkelijk gebied — in zake het sociale leven met vakorganisaties enz. — in betrekking tot het onderwijs met onze scholen — ja, dat is overal!
Meerderheid en minderheid is er dan. En dan mag de (christelijke) minderheid niet verlangen en verwachten, dat de meerderheid hen in hunne heiligste beginselen zal eerbiedigen.
„Men heeft een verkeerde voorstelling enz wanneer men denkt, dat de meerderheid de plicht heeft onder alle omstandigheden de gevoelens van een minderheid ten koste van de meerderheid te eerbiedigen" — is gezegd.
Dan weten we wel hoe laat het is. Juist als het de teerste en heiligste dingen betreft, waaraan een christen zooveel waarde hecht!
Daarvan wil de meerderheid dan niet weten... En dan moet de minderheid maar onderdrukt worden.
Die menschen bederven ook alles !
Een oordeel over de Haagsche Synde van Dr. Bronsveld.
In het boek „De Doleantie" van dr. J. C. van der Does vinden we (blz. 175) het volgende citaat van dr. Bronsveld uit het Augustus no. van het tijdschrift „Stemmen voor Waarheid en Vrede", van het jaar 1872 :
»Het valt ons moeilijk, iets te zeggen over hetgeen de Synode onzer Kerk dit jaar heeft goed gevonden. Terecht is er reeds op gewezen, dat zij bijzonder weinig de aandacht getrokken heeft, 't Is een troost voor haar leden, dat zij gewoon zijn elkander niet weinig te verheffen. Geen commissie brengt rapport uit, of zij spreekt van „Uwe hooge Vergadering" ; terwijl wederkeerig het rapport als zaakrijk, degelijk, keurig, belangrijk, uitnemend, met zorg bewerkt, enz., gekenschetst wordt. De voorzitter complimenteert de Vergadering en de Vergadering complimenteert den voorzitter. Men is gemeenlijk over elkander recht tevreden. En wat men beraadslaagt hoort het publiek eerst na verloop van maanden, en dan nog zoo beknopt mogelijk.
Als zoovele schimmen komen die Hoog-Eerwaarden daar bijeen.
Evenwel — macht 'bezitten zij. Hoe gering ook de achting is, die de Synode wordt toegedragen — zij kan nog altijd veel kwaads stichten en veel goeds verhinderen. Dit jaar deed zij ons denken aan 't Latijnsche spreekwoord, waarvan de zin hierop neerkomt: dat de goden hem, die zij in 't verderf willen storten, eerst van 't verstand berooven.
Of iemand de houding der Synode goedkeurt, is mij onbekend.
Zóó schreef dr. A. W. Bronsveld reeds in 1872. En we schrijven nu 1936

Calvijn en het Heilig Avondmaal.
Hoe Calvijn over des Heeren Heilig Avondmaal dacht, blijkt wel uit onderstaande woorden, die hij in de Institutie schreef :
»lk neem gaarne alles aan wat dienen kan om uit te drukken de waarachtige en wezenlijke gemeenschap van het het lichaam en bloed des Heeren, dewelke onder de heilige teekenen des Nachtmaals getrouwelijk medegedeeld wordt;
en ik neem het in zulker voege aan, dat ik het daarvoor houd, dat wij Christus' lichaam en bloed ontvangen en genieten, niet door inbeelding alleen of door het begrip onzes verstands, maar in der daad en waarheid zelfs tot een voedsel ten eeuwigen leve n«.
Deze waarheden, door Calvijn anders en duidelijker geleerd dan door Luther en Zwingli, vinden we b.v. ook terug in het Gebed na de viering des Heiligen Avondmaals in het Formulier, dat bij ons gebruikelijk is. Verder zegt Calvijn :
»De eenige spijs onzer zielen is Christus, en daarom noodigt de Hemelsche Vader ons tot Hem, opdat wij door het nuttigen en genieten van Hem verkwikt zijnde, nu en dan kracht vergaderen mochten, totdat wij tot de hemelsche onsterfelijkheid zullen geraakt zijn«
Daarop laat hij volgen :
»Het lichaam en bloed van Christus worden door middel van het brood en de wijn voor oogen gesteld, opdat wij zouden leeren niet alleen, dat wij deel daaraan hebben, maar óók dat het voor ons bestemd en ons toegeschikt wordt tot een voedsel van het geestelijk leven«.
En dan verder :
»Wij eten Christus eerst naar toehooren en ter zaligheid, als wij Hem gekruisigd eten en de kracht Zijns doods door een levendig gevoel aangrijpen. Want Hij heeft die benaming, waarmede Hij Zichzelf het Brood des Levens noemt, niet verkregen van het Sacrament, gelijk sommigen verkeerd uitleggen, maar Hij noemt Zich zoo, omdat Hij ons tot een Brood des Levens van den Vader gegeven was, en Zichzelf zoodanig ook betoond heeft, toen Hij onze menschelijke sterfelijkheid deelachtig geworden zijnde, Zijne goddelijke onsterfelijkheid ons heeft meegedeeld, toen Hij Zich tot eene offerande opofferde, den vloek van óns op Zich nam, om ons door Zijne zegening te overstorten, toen Hij door Zijn dood, den dood vernield en verslonden heeft en toen Hij in Zijn opstanding dit ons verderfelijk vleesch, hetwelk Hij aangedaan had, tot glorie en onverderfelijkheid heeft opgewekt«.

Een Kerkelijk Advies van den jongen Ds. Doedes in 1875.
De bekende hoogleeraar prof. Doedes te Utrecht had een zoon die predikant was te Velzen, 't Was ds. G. Doedes, die jong gestorven is, maar in de jaren rondom 1874 zich geweldig roerde in de kerkelijke kwestie, in den vóór— Doleantietijd dus.
Deze jonge dominé Doedes was een vriend en medestander van dr. A. Kuyper, en was dus anders georiënteerd dan zijn vader, de professor. In Augustus '74 werd hij te Amsterdam beroepen, maar bedankte. In November '74 werd hij weer te Amsterdam beroepen, maar bedankte weer.
In 1875 schreef ds. G. Doedes een brochure of liever een Open brief aan dr. Kuyper, die tot titel droeg : „Wijziging der Gedragslijn op kerkelijk gebied" (Zie : De Doleantie van dr. J. C. van der Does, blz. 167—174).
Dr. Kuyper vond dit geschrift zoó belangrijk, dat hij dezen Open brief in z'n geheel overnam in het Zondagsblad van „De Standaard".
De Gereformeerden wenschten de opheffing van de Synodale Besturenorganisatie van 1816— '52 en van alle verordeningen, die krachtens die besluiten zijn vastgesteld. Hun programma was in Kuyper's dagen : vrijmaking der Kerk, krachtens hun beginsel : autonomie der gemeenten.
De Gereformeerde gedragslijn was tot dusver met de Ethischen te strijden tegen de Modernen. Daardoor was de invloed der Modernen afgenomen en de invloed der Orthodoxen, de Ethischen inbegrepen, versterkt. De Synodale organisatie nam „orthodoxe allures" aan.
Ds. Doedes schreef nu een brochure waarin hij „wijziging van gedragslijn" bepleitte. En hij adviseerde om zich voortaan te onthouden :
1. van deelname aan het verkiezen van afgevaardigden voor Classicale Vergaderingen; 2. van deelname aan de zittingen der Classicale Vergaderingen ; 3. van zitting te nemen in de Classicale-en hoogere Kerkbesturen.
Dus : alles loslaten. Tot nu toe was de leus van de Gereformeerden altijd geweest: „Ter Classis". Nu zou de leus moeten worden : „thuis blijven", niet meedoen enz.
Ds. Doedes wilde dan voornamelijk den strijd concentreeren in de plaatselijke gemeenten. Daar moesten Gereformeerde Kiesvereenigingen opgericht worden, die zorgen moesten het overwicht in de Kiescolleges en de Kerkeraden te krijgen. Op den duur moeten de Gereformeerde organisaties met elkaar in overleg treden en door middel van een centraal toestuur een krachtige werking naar bulten mogelijk maken. Zoo wordt — aldus ds. Doedes — het oogenblik voorbereid, dat wij ons „Kerkgemeentelijk" tot de Regeering wenden met den eisch van „vrijmaking der Kerk".
Ds. Doedes ging uit van de gedachte, dat de Kerk vóór 1816 vrij en de gemeenten autonoom waren. Maar dat was niet het geval! Nooit en nergens !
Toen heeft Koning Willem I aan de Kerk een Synodale Besturenorganisatie opgelegd.
En nu wilde men, dat, veronderstellende dat de Kerk vóór 1816 vrij en de gemeenten autonoom waren, dat de Koninklijke Besluiten van 1816 en van 1852 zouden worden ingetrokken.
Afgezien van de vraag of dat nu nog mogelijk is — maar wat zou men bereiken met de intrekking der Koninklijke Besluiten ?
Er zou een chaos ontstaan en een deel van ons land zou van Protestantsche Kerken verstoken zijn. De kracht zou gemist worden om tot organisatie over te gaan. Indien een Hervormde gemeente het recht had om de Synodale organisatie van 1816 van zich af te schuiven en het recht behield op de inkomsten, bedoeld in art. 168 der Grondwet, zou toch weer een ander deel daarvan verstoken zijn of, zoo er tot boedelscheiding werd overgegaan, dan zouden de afzonderlijke deelen, die uit elkaar vielen, zóó weinig krijgen, dat op den duur de deelen zouden ondergaan.
De gedachte, door ds. Doedes in zijn brochure ontwikkeld, was niet nieuw. Wel de gedragslijn, die hij aanraadde. De grondgedachte was te lezen In de brochure van dr. Kuyper: „Vrijmaking der Kerk". Hij schrijft daarin :
„..... zijn de Koninklijke Besluiten van 1852 en 1816 ingetrokken, dan vervallen alle Besturen, die op grond van deze besluiten zich gevormd hebben: Synode, Provinciale Besturen, Classicale Besturen en Kerkeraden. Dan vallen weg alle reglementen en verordeningen, die door deze besturen zijn gearresteerd. Dan vervalt het mandaat door deze Besturen aan verschillende personen in kerkelijke 'betrekkingen gegeven. Er blijft niets over dan een massa ongeorganiseerde Gereformeerde gemeenten, zonder eenig tastbaar verband "
Dr. Kuyper schrijft: „Geen regeering zou de verantwoordelijkheid van zulk een toestand op zich kunnen nemen".
Dr. Kuyper heeft dit niet gedaan, toen hij minister president was en geen der rechtsche ministeries heeft er zelfs ook maar een poging toe gewaagd.
De Regeering zou allerlei overgangsmaatregelen moeten nemen. En zoo zouden dan toch weer de Kerken krachtens het gezag der regeering in het leven geroepen worden — een dreigend gevaar, want als de gemeenten ontstaan zouden krachtens den wil der regeering, dan had de regeering ook het recht ze weer te doen verdwijnen.
Dr. Kuyper wilde de conclusie van ds. Doedes niet aanvaarden. Dit ging te ver. Zijn advies was en bleef: de Gereformeerden moesten naar de Classis en naar de besturen ! De brief van ds. Doedes had echter een gevolg dat dr. Kuyper niet wenschte. De laatste had nog altijd hoop, dat alle orthodoxen : Ethischen, Confessioneelen, Vrienden der Waarheid, als één man zouden optrekken tegen de Modernen.
Maar, waar er reeds hier en daar door bijzondere maatregelen die getroffen waren, zich moeiten voordeden tusschen de Ethischen en de Confessioneelen en de Gereformeerden anderzijds, daar kwam nu de brochure van ds. Doedes het tafellaken tusschen beide partijen doorsnijden.
Van 1875 af zien we duidelijk de afzonderlijke, elkander bestrijdende groepen der Ethischen en Confessioneelen eenerzijds en de Gereformeerden anderzijds zich organiseeren.
En op den duur moest tusschen hen de strijd in het openbaar uitbarsten.
Wat verhaast wordt door de uittocht, sinds 1870, van vele Modernen en de toename in sterkte en invloed van de Orthodoxen, die toen elkander niet meer zoo noodig hadden — naar ze meenden !
 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juli 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

KERKELIJKE RONDSCHOUW

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juli 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's