De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VRAGENBUS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VRAGENBUS

10 minuten leestijd

Vraag: Waarom moest onder Israël het boek der Wet, naar Gods bevel, met het bloed der offeranden besprengd worden ?
Antwoord: Israël verkeert onder het Oude Verbond in de kinderjaren. Het volk des verbonds moet door allerlei „aanschouwelijk onderwijs"' opgevoed worden. En de ceremoniëele wetten zijn er, om Israël bij al de offeranden en plechtigheden in tabernakel en tempel, voor te bereiden op de komst van Christus. „Deze orde en huishouding duurde tot de afkondiging des Evangelies", zegt Calvijn (bij de uitlegging van Genesis 17 vers 7).
Nu was het boek der Wet het symbool van Gods heiligheid en des menschen verdoemelijkheid. De mensch stond schuldig aan al de geboden Gods en God is een heilig God, Die te heilig is, dan dat Hij de zonde zou kunnen aanschouwen en ongestraft latten. „Vervloekt is een iegelijk, die niet blijft in al hetgeen geschreven staat in het boek der Wet, om dat te doen".
Dat is de Wet.
Maar nu het lam, dat in het voorhof des tempels geslacht werd.
Dat moest sterven — in de plaats van den zondaar. En dan predikte het bloed van het lam, dat er eten middel en een weg ter verzoening en verlossing was. Daarom moest dat bloed, plaatsbekleedend en bedekkend, op het boek der Wet worden gesprenkeld. De vloek bedekt door het bloed! De zonden verzoend door het bloed ! Alles wijzend op het Lam Gods, dat komen zou.
Als Calvijn het Nieuwe Testament, bij 't Evangelie van Lukas, gaat bespreken (zie b.v. de uitlegging van de lofzang van Zacharias, Lukas 1 vers 72 enz.) dan is zijn betoog, dat de Heere van den beginne Zijn genadeverbond in Christus opgericht heeft met Zijn volk. Alles ligt in Christus, den Middelaar. Het verbond zou er niet zijn, als Christus er niet was.
Onder het Oude Verbond: moet dan ook alles wachten en uitzien naar Christus, om op Hem te hoopen, om in het geloof Hem te verwachten. „Het heilig volk wordt alzoo gezegend", zegt Calvijn bij de uitlegging van Genesis 12 vers 3, „door de genade alleen van den Middelaar, waaruit volgt, dat het verbond des heils, dat God met Abraham sloot, niet vast noch blijvend is, tenzij in Christus". „Christus alleen is het. Die den hemel en de aarde vereenigt. Hij alleen de Middelaar, die van den hemel tot de aarde reikt. Hij is dezelfde door Wien de volheid van alle hemelsche goederen van Godswege tot ons afvloeit en wederkeerig wij tot God opklimmen" (uitlegging van Genesis 28 vers 11). God is de Verlosser Zijns volks geweest in den persoon des Middelaars — zegt Calvijn bij de uitlegging van Heb. 3 vers 13 — en God is niet goedgunstig geweest noch jegens Abraham, noch jegens zijn nakomelingen, dan door tusschenkomst des Middelaars, gelijk dan ook Christus het ambt van Middelaar bediend heeft van den aanvang af. (Zie bij Mattheüs 1 vers 23, Mattheüs 27 vers 50 enz.).
Institutie 11, 6, 2: „Zoo hing dan de eerste aanneming van het uitverkoren volk af van de genade des Middelaars".
Christus is het einde der Wet. In een gebed van Calvijn , na één van zijn voorlezingen, komen deze woorden voor: „Ofschoon Uw aangezicht naar verdiensten van ons verborgen is, geef dat wij echter niet aarzelen mogen om altijd tot U de toevlucht te nemen, nademaal Gij het vertoond in de hand Uws Zoons hebt gesticht, dat in Uwe loutere ontferming gegrond is". (Habakuk 3 vers 13).
Alles ligt in Christus ten komt ons uit Christus toe.
Institutie II, 11, 4 : „Stellen wij dat verbond, hetgeen God eenmaal heeft bevestigd, als eeuwig en onwankelbaar in het midden, zijn vervulling, waaruit het zijn stand en vastheid bekomt, is Christus". „Terwijl de bevestiging tegemoet gezien wordt, schrijft de Heere door Mozes ceremoniën voor, om te strekken tot plechtige teekenen der bevestiging".
Oud-Israël moest door de ceremoniëele handelinig van de besprenging van het boek der Wet door het bloed van het lam, dat geslacht en geofferd was, in geloove leeren uitzien naar het Lam Gods, Jezus Christus, om in geioove en in hope te omhelzen en te verwachten die wondere waarheid des heils, welke óns in de volheid des tijds nu in Christus is geopenbaard: „het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt van alle Zonden".
„Jezus Christus" — zoo zegt de Hebreënbrief, de brief, die zoo bijzonderlijk het Oude-en het Nieuwe Testament tot één wil vergaderen rondom Christus — „Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid".
Dezelfde : in het Paradijs ; voor de Patriarchen of Aartsvaders ; voor de profeten ; voor ons. Zóó heeft de Heere Zich van den beginne af aan geopenbaard — waarbij het is gegaan van de schemering van den morgenstond tot de volle middaghoogte, als de Zonne des heils, naar de beloften, aan de Vaderen gedaan, in heerlijkheid verschijnt! (Lofzang van Zacharias. Lukas 1 vs. 72 enz.).

Vraag: Is het waar, dat Israël onder de Oude Bedeeling alleen aardsche goederen verwachtte en van een eeuwig hemelleven niet wist?
Antwoord : Wij weten, dat de Heiland de Sadduceën bestraft als zij geen andere en geen hoogere verwachting kennen, dan het aardsche leven, waarbij zij het openlijk uitspraken, dat er geen engelen noch geesten zijn en geen opstanding der dooden. Dat neemt de Heiland hen zéér kwalijk en Hij bestraft hen ten aanhoore van het volk, dat uit de Schriften weten kon en moest, dat er wèl een leven na dit leven is, met vergelding des loons ; dat er wèl een eeuwig leven is, dat zich scheidt in een eeuwige gelukzaligheid èn in een eeuwige rampzaligheid. De Schriften leerden dat het volk van Israël van ouds, gelijk het alle menschen aangeboren en ingeschapen is : dat de mensch niet alleen leeft voor de jaren, dat hij op aarde vertoeft, maar dat hij voor een eeuwigheid geschapen is en dat het erger is, dat de ziel het verderf ontvangt, dan dat het lichaam gedood wordt door het zwaard!
Dat wist het Joodsche volk. Dat moest het weten : naar en door de Schriften !
Dit is eigenlijk al afdoende, om de bovenstaande vraag ontkennend te beantwoorden. Israël onder de Oude Bedeeling wist wèl van een hooger en beter leven dan hier op aarde is, van een ander goed, dan aardsch bezit; van een hooger en eeuwig goed, dat de Heere heeft weggelegd voor allen, die Hem vreezen !
Daarom voelden de geloovigen zich. hier gasten en vreemdelingen, die de pennen van hun tenten niet al te vast in den grond mochten hebben geslagen, want zij waren hier maar voor een kleinen tijd en moesten verder reizen met het aangezicht naar de Stad Gods, die boven is; naar toet land der ruste, dat er is voor het volk van God.
Heel de geesteshouding van de vromen onder de Oude Bedeeling was: „op Uwe zaligheid wacht ik, o Heere".
Zij hadden deel aan het geestelijk verbond, aan het verbond des heils, waarvan de Heere ook hen gesproken heeft. Door Zijn beloften, door Zijn Geest heeft Hij hen wijs gemaakt tot zaligheid. Abel, Noach, Abraham, Izaak, Jacob, Mozes, David, Hiskia, Jesaja, Daniël — ze zijn niet te denken zonder de geestelijke verwachting des heils en der zaligheid. Het is onmogelijk hen ons voor te stellen met een levenskeuze, levensrichting en levenspractijk, die niet verder reikt dan eten en drinken en vroolijk zijn, of zeggende : dood is dood.
Leefde Mozes niet met een andere kennis en met een andere keuze, dan de genietingen der wereld 't hoogste te achten ? Het volk van God, het volk des verbonds, met de beloften des heils, was zijn volk en hun God was zijn God. Waartoe ook Ruth werd gebracht. Wat zelfs 'n Bileam aanvoelde, óók zeide te begeeren, maar intusschen verachtte en verspeelde in den dienst der zonde en der wereld. „Ik wil uw God en de God van uw zaad zijn", hield veel, oneindig veel meer in, dan aardsche goederen. Dat volk des Heeren werd juist getrokken tot de weldadigheden des Heeren, die dood en graf verduren en blijven tot in eeuwigheid.
Was het heimwee van de Vaderen der Oude Bedeeling niet naar Jeruzalem, om den levenden God, den God des heils, te mogen ontmoeten ? Was hun leven niet, met de belijdenis : „Wien heb ik nevens U .omhoog" ? Was hun begeeren niet, om in Kanaan begraven te worden en daar neer te liggen in het land der belofte, verwachtende de opstanding, om dan eeuwig te zijn bij den God des heils ? „Bezwijkt dan mijn vleesch en mijn hart, zoo zijt Gij de rotssteen mijns harten en mijn deel in eeuwigheid".
Jacob, Mozes, David, Jesaja — ze verwachtten het eeuwig, zalig leven, kennende het verbond des heils, door den Heere opgericht. Zij kenden God, niet als een God der dooden, maar der levenden, begeerende dan ook, om met Abraham, Izaak en Jacob mee aan te zitten aan de bruiloft des Lams. „Ik weet, mijn Verlosser leeft" was hun belijdenis des geloofs. „Ik weet, in Wien ik geloof" mochten ze zeggen. Met hunne Vaderen waren zij hier maar vreemdelingen en bijwoners ('Psalm 39 vers 13). „Maar de goedertierenheid des HEEREN is van eeuwigheid en tot eeuwigheld over degenen, die Hem vreezen, en Zijne gerechtigheid aan kindskinderen" (Ps. 103 : 17).
Zingen we op den Oudejaarsavond niet met den dichter der Oude Bedeeling : „Gij hebt voormaals de aarde gegrond en de hemelen zijn het werk Uwer handen ; die zullen vergaan maar Gij zult staande blijven, en zij alle Bullen als een kleed verouden; Gij zult ze veranderen als een gewaad en zij zullen veranderd zijn - maar Gij zijt Dezelfde en Uwe jaren zullen niet geëindigd worden" (Psalm 102 vers 26-28). Hóóg boven al het vergankelijke staat de eeuwige God ! En die eeuwige God, met dat eeuwig leven, heeft Zich willen geven aan Zijn volk ! En wel van den beginne afaan. Dat ligt in het scheppingswerk. Want God schiep den mensch naar Zijn beeld en gelijkenis, bestemd voor de eeuwigheid. Dit zit in het genadewerk, dat de Heere in Zijn volk wil verheerlijken. Van 't begin afaan draagt de mensch de eeuwigheid in toet hart. En Abel ziet hooger dan 't geen de aarde biedt. Noach, Abraham, David, kennen het verlangen naar het eeuwig leven in de ziel. Het onsterfelijkheidsgeloof is geen zaak van beschaving, van kennis, van wetenschap, van voortgaande ontwikkeling. Dat is niet in latere tijden in den mensch gekomen. Het is den mensch ingeschapen. En het vrome volk, in den Heere verheugd, mocht uitzien naar het eeuwig blijvend goed met verzadiging van vreugd, bij het ontwaken in de eeuwigheid.
Natuurlijk, dat de voorstellingen van het leven na dit leven bij Israël niet precies zoo waren, als de Heere dat later aan Zijn volk heeft bekend gemaakt. Het gaat ook hier van de schemering naar het volle licht. Maar nooit heeft het geloof in de onsterfelijkheid en de verwachting naar de opstanding en de hope des eeuwigen levens ontbroken bij degenen, die de Heere door Zijn Woord en Geest wilde onderwijzen en in de heilgeheimen van zijn genade-en vreê-verbond kwam in te leiden. „Op Uwe zaligheid wacht ik, o Heere !", werd telkens, door genade, weer gehoord !
En zoo leefden de vromen als gasten en vreemdelingen hier beneden; en de geboden des Heeren waren hunne gezangen in dit land der vreemdelingschap!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juli 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's

VRAGENBUS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 juli 1936

De Waarheidsvriend | 10 Pagina's